Achtergrond

Hoe vangen we het toekomstig tekort aan mantelzorgers op?

Jan Steyaert, Leen Heylen, Joris Van Puyenbroeck, Benedicte De Koker, Jeroen Knaeps

De overheid wil meer inzetten op informele zorg en rekent daarvoor op mantelzorgers. Alleen heeft ze de demografische evolutie tegen. Het aantal mantelzorgers neemt af. Kunnen zorgzame buurten en persoonsvolgende financiering ons helpen?

© Unsplash / CDC

Potentieel voor mantelzorg zal dalen

Om een inschatting te maken van het aantal mantelzorgers zijn demografische ontwikkelingen belangrijk. Dat blijft natuurlijk grotendeels koffiedik kijken, maar het kan geen kwaad om vooruit te kijken.

Een Nederlandse onderzoekster voorspelt voor de volgende decennia minder mantelzorgers. Als reden ziet zij vooral brede maatschappelijke ontwikkelingen, zoals meer aandacht voor individuele autonomie, eigen ontwikkeling, grotere mobiliteit en meer tijd voor vrienden dan voor familie.

‘Het demografisch potentieel voor mantelzorg zal na 2020 snel dalen.’

Om de impact van demografische ontwikkelingen op de capaciteit van toekomstige mantelzorg in te schatten, werd de ‘oldest old support ratio’ ontwikkeld.Herrmann, F. ea (2010), ‘Worldwide decline in the oldest old support ratio’, European Geriatric Medicine, 1(1), 3-8;  Michel, J.-P., ea. (2010), ‘Demain, qui va prendre soin des personnes âgées? Le taux de soutien aux très âgés’ , Bulletin de l’Academie nationale de medecine, 194(4-5); Robine, J.-M., ea. (2007), ‘Who will care for the oldest people in our ageing society?’, BMJ, 334(7593), 570-571.Die ratio is wel beperkt tot het demografisch potentieel aan mantelzorg voor de oudere generatie. Hij houdt geen rekening met de mantelzorg die voor andere generaties gegeven wordt.

Uitgangspunt is dat vooral 50 tot 74-jarigen zorgen voor 85-plussers. Wie jonger is, heeft het te druk met kinderen en werk. Wie ouder is, heeft meer vraag naar mantelzorg dan aanbod. Men maakt hierbij geen onderscheid tussen mannen en vrouwen, al is bekend dat het principe van ‘de nieuwe man’ zich maar langzaam vertaalt naar mantelzorg.

In Nederland pasten onderzoekers die ‘oldest old support ratio’ toe. Conclusie? “Het demografisch potentieel voor mantelzorg zal na 2020 snel dalen.”

Ook in Vlaanderen?

Als we de bevolkingsprognoses van het Federaal Planbureau bekijken, dan is ook bij ons de trend sterk dalend. In 1991 waren er voor elke 85-plusser zo’n negentien potentiële mantelzorgers ‘beschikbaar’. In 2020 is dat gehalveerd. Richting 2070 vermindert dit verder tot vier personen voor elke 85-plusser.

Ook als je sleutelt aan de gebruikte leeftijdsgrenzen en bijvoorbeeld de groep van 45 tot 70 jaar afzet tegenover de 80-plussers, blijft deze dalende tendens overeind.

De afgelopen decennia daalde dat cijfer van de ‘oldest old support ratio’ dus fors, en dat zal het de volgende decennia nog doen. Dat leidt tot stevige spanning met de toenemende verwachtingen die de overheid formuleert inzake mantelzorg.

Dalende trend in het demografisch potentieel van mantelzorg

Formele en informele zorg

 Deze projectie vertelt ons iets over potentiële beschikbaarheid van mantelzorgers, maar niet over de bereidheid en mogelijkheden van mensen. Niet iedereen wil of kan mantelzorg opnemen of ontvangen.

‘Niet iedereen wil of kan mantelzorg opnemen.’

De Hogeschool Rotterdam verwijst naar de vier elementen ‘Will, skill, thrill en bill’ als voorwaarden voor duurzame mantelzorg. Is er bereidheid? Hebben mensen de vaardigheden en goede omstandigheden om zorg op te nemen? Haalt men er voldoening uit en is de ‘kost’ niet te groot?

Mantelzorgers lopen een reëel risico op overbelasting. Vanuit loyaliteit spelen mantelzorgers in op de noden die zich aandienen. Zo stellen we in dit coronatijdperk vast dat waar professionele hulp in thuissituaties tijdelijk werd afgebouwd, mantelzorgers die lacune invullen. Ze besteden meer tijd aan huishoudelijke hulp, verzorging, zinvolle dagbesteding voor de zorgvrager en zelfs aan verpleegkundige en medische taken.

Tegelijk konden mantelzorgers in deze periode minder beroep doen op steun en hulp uit het eigen sociale netwerk. De draagkracht werd hiermee bij velen zwaar op de proef gesteld.Dedry, A. (2020), ‘Mantelzorgers: de onzichtbare maar onmisbare helden in deze coronatijd’, Sociaal.Net, 18 april 2020.

Triadisch werken

Het principe ‘It takes a village to raise a child’ is evenzeer van toepassing op de zorg voor personen met complexe zorgnoden.

De uitdaging is om niet eenzijdig in te zetten op mantelzorg als antwoord op de groeiende zorgvragen. De oplossing ligt bij een optimale samenwerking en afstemming tussen formele en informele zorg, het zogenaamde triadisch werken. Deze samenwerking was terecht één van de vier centrale pijlers van het Vlaams mantelzorgplan 2016-2020 en we zien dat de afgelopen jaren verschillende initiatieven en methodieken werden ontwikkeld.

‘Investeren in samenwerking levert winst op.’

Het gebruik van methodieken is zinvol, maar tegelijk moet de overheid investeren in structurele randvoorwaarden. Professionele hulpverleners moeten voldoende tijd en ruimte hebben om ondersteuning op maat te beiden en actief aan de slag te gaan met het mantelzorgnetwerk. Ook voor mantelzorgers moeten de omstandigheden waarin ze zorg opnemen zo goed mogelijk zijn.

Dat zo’n investering ‘winst’ oplevert, toont de evaluatie van het EDOMAH-programma met ergotherapeutische begeleiding aan thuiswonende personen met dementie en hun mantelzorgers. Voor elke euro die besteed wordt aan deze begeleiding krijgt de maatschappij 7,40 tot 11,80 euro terug.

Alle hoop op de buurman en buurvrouw

Wanneer het potentieel aan beschikbare mantelzorgers daalt, kunnen buren dan soelaas bieden?

Afgelopen jaren trok Vlaanderen die kaart met de introductie van ‘Zorgzame Buurten’. Dit vertaalde zich ook in het nieuwe woonzorgdecreet waarin alle woonzorgvoorzieningen de opdracht krijgen om mee te werken aan buurtgerichte zorg. Lokale dienstencentra krijgen bovendien expliciet de opdracht “burenhulp te stimuleren en te faciliteren”.

‘Lokale dienstencentra moeten burenhulp stimuleren.’

De vele initiatieven rond burenhulp die spontaan ontstonden in de coronacrisis tonen aan dat hier kansen liggen. Dat het discours van zorgzame buurten vertrekt vanuit een geografische afbakening om de zorg en ondersteuning voor alle inwoners in buurt te organiseren, is eveneens een opportuniteit.

Vertrekken vanuit zorgzame buurten laat toe om over klassieke hokjes heen te denken. Het gaat immers niet alleen over zorg, maar ook over wonen en welzijn. Bovendien richten zorgzamen buurten zich op iedereen, jong en oud, man en vrouw, met en zonder migratie-achtergrond, mensen in armoede en middenklassers…

Dit is belangrijk, al was het alleen al om de strijd aan te gaan met het hardnekkige ‘ageism’ waarmee veel ouderen geconfronteerd worden.

Niet elke buur wil of kan

Toch is enige voorzichtigheid geboden.

Eerst en vooral, niet iedereen heeft een buur. Het is duidelijk dat onze Vlaamse ruimtelijke ordening hier voor iets tussen zit. Een kwart van de Vlamingen woont in een lintbebouwing, een type bebouwing die weinig voorwaardenscheppend is voor burenhulp.

‘Wanneer burenhulp niet georganiseerd wordt, helpen mensen vooral de buren die ze al kennen.’

En als je een buur hebt, betekent dit nog niet dat hij effectief bereid is je te helpen. Wanneer burenhulp niet georganiseerd of gefaciliteerd wordt vanuit een professionele organisatie of vereniging, helpen mensen vooral de buren die ze al kennen. Wat inherent is aan mantelzorg, de vrijwillige zorg voor iemand met wie je een emotionele band hebt, gaat dus ook op voor burenhulp.

En ook hier gaat verhoogde kwetsbaarheid hand in hand met een minder goede band met je buren. Net diegenen die het meeste gebaat kunnen zijn bij informele hulp, dreigen zo de boot van burenhulp te missen.

Tot slot, de hulp die buren elkaar geven, is anders dan die van mantelzorgers. Burenhulp beperkt zich doorgaans tot sporadische hulp bij boodschappen, eens in de tuin helpen, een praatje slaan. De zorg door de gemiddelde mantelzorger gaat veel verder, zowel qua frequentie als type taken en ondersteuning.

In de toekomst verder inzetten op deze vorm van informele zorg, vraagt dus de nodige aandacht voor deze kanttekeningen.

Persoonlijk budget, gedeelde zorg

Een belangrijke toekomstige uitdaging voor de ouderenzorg wordt het flexibel inspelen op de veranderende zorgvragen: minder residentieel, meer thuis, meer op de momenten die de zorggebruikers zelf kiezen.

Alleen worden alle beschikbare publieke middelen voor de ouderenzorg nog steeds ‘in natura’ aangewend. De aanbieder krijgt een zorgbudget en zet dat om in diensten voor de zorgvrager. De zorgvrager krijgt geen geld in handen. Dit is mogelijks een rem op geïntegreerde, gedeelde en vraaggestuurde zorg.

Is persoonsvolgende financiering in de ouderenzorg een van de oplossingen om de zorg beter af te stemmen op de noden van zorggebruiker en mantelzorger?

Echte kansen?

Met een persoonsvolgend budget beschikt de oudere die thuis wil verzorgd worden over een vergelijkbaar budget als de oudere in het woonzorgcentrum.

‘De mantelzorgpremie is onvoldoende.’

En misschien kan hij met dat budget ook zijn mantelzorgers een stukje betalen? De mantelzorgpremie is immers onvoldoende. Een volwaardig zorgbudget voor de oudere en de mantelzorgers lijkt wel de oplossing, maar het debat hierover is nog niet ten gronde gevoerd.

Biedt persoonsvolgende financiering wel echte kansen voor zorgvragers en mantelzorgers? Hoe gaan mantelzorgers en de personen voor wie ze zorgen als budgethouders om met de nieuwe ‘zorgmarkt’? Worden het consumenten die keuzes moeten maken en de voorwaarden van de zorg zelf moeten onderhandelen met de zorgaanbieder? En als mantelzorgers zichzelf kunnen betalen, zijn ze dan nog mantelzorgers?

Niet onrealistisch

En toch is dit niet zo’n onrealistisch vooruitzicht.

De Vlaamse regering legt eigen accenten bij de toekomst van de zorgverlening. Die vertrekken van meer empowerment, zorg op maat en keuzevrijheid aan gebruikerszijde en meer sociaal ondernemerschap aan de zijde van zorgaanbieders.

Voor volwassen mensen met een beperking werd die kanteling al ingezet, ook al blijft persoonsvolgende financiering daar nog steeds een experiment. Experimenteel omdat de impact op alle aspecten van zorg nog niet bekend is. Experimenteel ook omdat andere gezondheids- en welzijnssectoren met argusogen kijken hoe de implementatie verloopt. Onderzoek rond een brede implementatie is gebeurd, maar een groot publiek debat bleef tot nu toe uit.Ferket, N., e.a. (2018), De relatie tussen Quality of life en persoonsvolgende financiering. De ontwikkeling van een monitoringssysteem, Gent/Leuven, E-qual, HoGent, Universiteit Gent, KU Leuven; Benoot T., e.a. (2017), Het persoonsvolgend financieringssysteem in de sector voor personen met een handicap. Landenstudie: Nederland, Engeland en Duitsland, Leuven, Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Op De Beeck, L., e.a. (2018), Inzet van het vrij besteedbaar gedeelte van het persoonsvolgend budget voor personen met een handicap, Leuven, Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Op De Beeck, L., e.a. (2018), Evaluatieonderzoek naar de implementatie van het basisondersteuningsbudget, Leuven, Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Geen efficiënte zorgmarkt

Maar volgens onderzoekers van hogeschool Odisee kan zorg niet enkel als het resultaat van een individueel contract tussen burger en overheid, en dus ook niet als een louter individuele begeleidingsovereenkomst gezien worden.Emmery, K., Van Puyenbroeck, J. en Loosveldt, G. (2020), In verband met gezinnen, Antwerpen, Garant.Zorg wordt gedeeld, en is dus een zaak van de persoon en zijn omgeving in relatie tot een breed aanbod van individuele en collectieve voorzieningen.

De ondersteuning die nodig is voor het individu moet aangevuld worden door een ondersteuning van het mantelzorgnetwerk. Mensen nemen samen zorg op, bijgevolg moet zorg georganiseerd en gefinancierd worden in die context van gedeelde zorg.

Volgens deze onderzoekers slaagt het beleid er voorlopig niet in om de randvoorwaarden voor een efficiënte zorgmarkt te vervullen. Mantelzorgers en zorgvragers zijn voorlopig dan ook nog niet beter af met persoonsvolgende financiering omdat het beschikbare macrobudget onvoldoende is.

Bovendien heeft niet iedereen gelijke toegang tot dat nieuwe persoonsvolgende systeem. Belevingsonderzoek toont aan dat sociaal kwetsbare mensen het complexe systeem minder goed naar hun hand kunnen zetten, en in het nieuwe systeem onvoldoende op de hoogte zijn van hun rechten.

Tijd voor nieuw beleidsplan

In de zomer van 2016 kwam toenmalig Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen met een beleidsplan mantelzorg. Zo’n beleidsplan is nog steeds een primeur. Weinig landen doen ons dat na.

Maar ondertussen zijn we natuurlijk wel vijf jaar verder, is het beleidsplan deels vertaald naar concrete maatregelen en kregen we als samenleving de coronacrisis over ons heen. Tijd voor een beleidsplan mantelzorg 2.0.

Belangrijk daarin is aandacht voor het dalend potentieel aan mantelzorgers. Hoe gaan we dit opvangen? Dat kan door het verkennen van minder traditionele vormen van mantelzorg, en te zorgen voor nieuwe vormen van samenwerking tussen formele en informele zorg. Gedeelde zorg is de uitdaging.

Reacties [1]

  • Van Geertsom Julien

    Het dalend potentieel aan mantelzorgers is niet alleen toe te wijzen aan de leeftijdscurve. Ook het centrum rechtse beleid om het brugpensioen af te bouwen speelt een belangrijke rol. Jarenlang werd het Vlaamse middenveld gedragen door jonge (brug)gepensioneerden. Velen van hen waren ook mantelzorger. Door het afbreken van het brugpensioenstelsel en het verlengen van de loopbaan door de pensioenleeftijd op te trekken, wordt dit potentieel fundamenteel verminderd.

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.