Opinie

Hoe solidair zijn we met de ouderenzorg? ’Na het gratis applaus is er vier miljard euro nodig’

Ignace Leus

Het applaus klonk elke avond. De solidariteit met zorgwerkers was zeer groot. Maar weten we wel dat we de zorg financieren via sociale zekerheid en belastingen? En wie gaat de toekomstige hogere factuur betalen? Ignace Leus breekt een lans voor meer geld en een solidaire financiering.

ouderenzorg

© ID / Jonas Lampens

Meer verdelende solidariteit

In 2020 zullen we met ons allen 27,6 miljard betalen om de federale ziekteverzekering te laten werken. Maar hoe is dat vandaag verdeeld?We halen deze cijfergegevens uit het Vademecum sociale bescherming van de Federale Overheid.

60 procent komt binnen via de sociale bijdragen op onze lonen en pensioenen. Het zijn de werknemers, ambtenaren en zelfstandigen die dit geld ophoesten. Elk met hetzelfde percentage op het brutoloon, zonder enige progressiviteit.

‘Een verpleegkundige draagt meer bij dan een arts die werkt via een vennootschap.’

Slechts 20 procent wordt betaald via de progressieve personenbelasting, waarbij burgers met hogere inkomens verhoudingsgewijze meer betalen. 15 procent van het bedrag komt binnen via de BTW en de roerende voorheffing. Dat is dan weer een evenredige indirecte belasting, waardoor lagere inkomens in verhouding meer betalen.

De verdelende solidariteit in de financiering van de ziekteverzekering mag best veel groter zijn. Een financiering via de algemene middelen en het vermogen van burgers zou ervoor zorgen dat iedereen betaalt volgens draagkracht.

Ongelijkheid in de zorg

Maar zover zijn we nog niet. De ongelijkheden in de financiering van de ziekteverzekering zien we rechtsreeks in de zorg. Een verpleegkundige draagt veel meer bij dan een arts die werkt via een vennootschap.

In de ziekenhuizen financiert prestatiegeneeskunde de meeste artsen. Een kluwen van nomenclatuurnummers bepaalt de vergoedingen. Geconventioneerde artsen presteren tegen tarieven die sociaal worden afgesproken. Een deel van het afgesproken tarief wordt door de patiënt betaald en niet door de ziekteverzekering.

Sommige artsen respecteren deze tarieven niet en vragen supplementen. Burgers die al bijdragen via de verplichte ziekteverzekering, moeten als zieke patiënt ook nog eens remgelden en eventuele supplementen ophoesten. Dat persoonlijk aandeel is iets lager voor de lagere inkomens. En op jaarbasis wordt het geplafonneerd via de maximumfactuur.

Supplement voor éénpersoonskamer

Artsen vragen bij een verblijf op een éénpersoonskamer supplementen tot meer dan 125 procent. Voor coronapatiënten was dit wel verboden.

Artsen dragen wel veel van hun geld af aan het ziekenhuis. Dat zou anders niet in staat zijn om zijn medewerkers volwaardig te betalen via de normale overheidsfinanciering van zeven miljard euro, voor Vlaanderen geschat op 4,2 miljard.

Verpleegkundigen hebben een vaste maandwedde. De artsensyndicaten verdedigen de prestatiegeneeskunde, omdat dit zou aanzetten tot efficiëntie en hard werken. Maar de coronacrisis heeft aangetoond dat alle zorgverstrekkers, artsen en verpleegkundigen, ongeacht dat financieringsmechanisme zeer hard hebben gewerkt.

‘De ziekteverzekering betaalt meer aan de zorgverstrekkers die het minst de patiënt aan zijn bed helpen.’

Vele artsen hebben tijdens deze crisis geen vergoedingen ontvangen omdat hun normale activiteiten, raadplegingen en operaties stil lagen. Geen prestatie, geen nomenclatuurnummer, dus geen vergoeding en geen inkomen. Dit heeft gevolgen voor de financiering van de ziekenhuizen die – zoals gezegd – een deel van hun inkomsten halen uit afdrachten door de artsen.

Door de vele coronatesten is de omzet in de klinische laboratoria wel toegenomen. Maar de klinisch biologen waren al bij beste betaalde specialisten.

Raar maar waar: de ziekteverzekering betaalt meer aan de zorgverstrekkers die het minst de patiënt aan zijn bed face to face helpen. En heel wat minder aan de verpleegkundigen die de patiënt dag en nacht bijstaan. Deze vaststelling zet aan om het financieringsmodel van de ziekteverzekering grondig te herdenken.

Zorgen om de woonzorgcentra

Na de ziekenhuizen kwamen de woonzorgcentra in het vuur van de coronastorm.

De financiering van die woonzorgcentra komt voor zo’n twee miljard uit de begroting van de Vlaamse overheid. Aanvullend betalen de bewoners ongeveer 1 miljard aan dagprijzen.

De gebruikers dragen dus een belangrijk deel van de kosten, zonder enige relatie tot hun inkomen of vermogen. Elke bewoner betaalt hetzelfde forfaitair bedrag. De financiering van de Vlaamse overheid berust dan weer sterker op solidariteit, omdat het uit de personenbelasting komt, die hoger is naargelang het inkomen.

‘Bewoners van woonzorgcentra dragen een belangrijk deel van de kosten.’

Een beperkte bijkomende financiering verloopt via de forfaitaire geïndexeerde premie van 52 euro van de Vlaamse zorgverzekering. Die houdt geen rekening met het inkomen, behalve bij de 15 procent laagste inkomens die maar 26 euro moeten betalen. De opbrengst van de zorgverzekering, zo’n 200 miljoen, gaat via een maandelijkse tegemoetkoming van 130 euro volledig naar de zorgbehoevenden. Tussen haakjes: de tegemoetkoming is sinds de start in 2001 nog nooit geïndexeerd.

Tot voor kort was een erkenning als zorgbehoevende de enige voorwaarde voor de subsidiëring van een verblijf in het woonzorgcentrum. Maar nu de woonzorgcentra deel uitmaken van de Vlaamse Sociale Bescherming, is het ook vereist dat de voorgaande jaren de bijdrage van 52 euro aan de Vlaamse zorgverzekering stipt is betaald. Dit is een administratieve verzwaring.

Tekort aan personeel

Er zijn al lang klachten over de te lage personeelsomkadering in de woonzorgcentra.

De coronacrisis heeft het tekort aan personeel nog uitvergroot. Gelukkig zijn medewerkers van ziekenhuizen en thuiszorgdiensten de woonzorgcentra bijgesprongen. Maar de grootste uitdaging blijft om de personeelsomkadering kwantitatief en kwalitatief te verhogen.

Daarvoor pleitte ik voor de coronacrisis in een ‘Manifest voor betaalbare en toegankelijke Ouderenzorg’ al voor een verhoging van het budget voor de hele de globale ouderenzorg. Er is bijkomende zorg nodig om de demografische evolutie bij te houden. En de wettelijke minimale personeelsnormen moeten hoger.

Ongepast maar pertinent

Het klinkt wat ongepast, maar door de grote oversterfte in de woonzorgcentra zal de Vlaamse overheid minder subsidies moeten uitbetalen. Laten we daarom al beginnen met de subsidies minstens op hetzelfde peil te houden. Door gebruik te maken van de lagere bezetting, kunnen we de wettelijke minimum personeelsnormen verhogen.

‘Het budget voor de woonzorgcentra moet sterk toenemen.’

Dit is ook de manier om de commerciële woonzorgcentra de zuurstof te ontnemen, die ze nu gebruiken voor de uitbetaling van dividenden. Verplicht daarom alle woonzorgcentra te werken tegen sociale prijzen met een minimale personeelsomkadering die veel hoger ligt dan vandaag.

Het is ook nodig om de subsidies en de dagprijzen te solidariseren in een allesomvattende financiering. Die moet verzekeren dat er een volwaardige personeelsfinanciering is, met vastgestelde prijzen. Dagprijzen inkomensafhankelijk maken en ze storten in een solidair fonds zou de zorg voor veel gebruikers toegankelijker maken.

Waarom doen we dat wel in de gehandicaptensector en kinderdagverblijven, maar niet voor de woonzorgcentra?

Draagkracht onder druk

Veel minder aandacht ging er de afgelopen maanden naar de situatie van de duizenden zwaar zorgbehoevende ouderen die gewoon thuis wonen. Zij krijgen zorg van familieleden, mantelzorgers, thuisverpleegkundigen, poetshulp en gezinszorg.

In normale tijden is deze zorg al behoorlijk stresserend. Nu werd voor velen de situatie dramatisch. De noodoplossing van een verwijzing naar een woonzorgcentrum, dagverzorgingscentra of kortverblijf werd afgesloten.

Partners en familieleden van mensen met dementie moesten hun draagkracht overschrijden. Jarenlang konden ze de zorg voor partner, vader of moeder delen met professionals. Nu stonden ze er bijna alleen voor. Gelukkig werkte de thuiszorg in alle stilte verder. De thuisopvang werd zo goed mogelijk ondersteund door de samenwerking tussen verschillende professionele thuisverzorgers.

‘Gelukkig werkte de thuiszorg in alle stilte verder.’

De gezinszorg wordt door de Vlaamse overheid gesubsidieerd op basis van gepresteerde uren en een inkomensafhankelijke bijdrage van de gebruikers. Het is een merkwaardig effect van de coronacrisis dat voor diensten met een dalende vraag van bange gebruikers, de loonkosten even hoog bleven, maar de subsidiëring daalde door lagere prestaties.

De gezinszorg is met ongeveer 700 miljoen euro solidair gefinancierd. De subsidies van de Vlaamse overheid komen uit belastingsgelden die rekening houden met het belastbaar inkomen. Bovendien zijn ook de persoonlijke bijdragen, goed voor zo’n 15 procent van de financiering, gekoppeld aan de hoogte van het inkomen. Net als in de woonzorgcentra lopen deze persoonlijke bijdragen bij langdurige en intensieve zorg sterk op. Maar de gebruiker is hier niet zoals in de ziekteverzekering beschermd door een systeem van maximumfactuur.

De thuisverpleegkundigen zijn op hun beurt federaal gefinancierd door het RIZIV, goed voor z’n 1,2 miljard. Net als voor de ziekenhuizen is de financiering gebaseerd op een zelfde percentage op het arbeidsinkomen.

Homogene bevoegdheid?

Mensen van de Vlaamse thuiszorgdiensten gingen door de coronacrisis plots ook werken in de federaal gefinancierde ziekenhuizen. Omgekeerd kwamen verpleegkundigen van de ziekenhuizen de Vlaamse woonzorgcentra ter hulp. Mede daardoor kwam onze ingewikkelde staatsstructuur in beeld. Wie zal dat betalen? De wil tot samenwerking tussen alle actoren is echter groot genoeg om soepele oplossingen te vinden.

Toch staat de discussie over meer homogene bevoegdheden in de zorg opnieuw op de agenda.

De financiële uitdaging

De financiering van de gezondheidszorg moet meer solidair. In de ouderenzorg is er meer aan de hand. De coronacrisis heeft duidelijk gemaakt dat aanpassingen nodig zijn in de werking, maar vooral dat de financiering substantieel hoger moet. De kwaliteit hangt immers rechtstreeks af van het aantal en de aard van medewerkers die dag en nacht deze zorg opnemen, zowel in de woonzorgcentra, de thuiszorg als de vele tussenvormen.

‘Willen ouderen de komende jaren nog wel naar een groot woonzorgcentrum?’

Willen ouderen de komende jaren nog wel naar een groot woonzorgcentrum, waar ze met met honderden andere mensen leven in grote afdelingen? Ik vermoed van niet. De wooneenheden moeten dus kleiner, maar ook dat vereist meer medewerkers.

En als ouderen de zorg liever zo lang mogelijk in de thuissituatie willen, dan zullen we toch meer rekening moeten houden met de draagkracht van familieleden en mantelzorgers. Ook dat vraagt daarom een grotere inzet van sociale professionals in het thuiszorgmilieu.

Vier miljard

We winden er geen doekjes om: tegen het einde van de legislatuur is er voor een kwaliteitsvolle en toegankelijke ouderenzorg vier miljard euro extra nodig. Wie gaat die som betalen? Met welk financieringssysteem? Welke mate van solidariteit?

Aan de gebruikers meer geld vragen, is geen optie. Die betalen vandaag al genoeg. Wel kunnen we de bestaande geldstromen herschikken. Zoals een verschuiving van een deel van de ziekteverzekering van de acute naar de duurdere chronische zorg. Of de bijdragen van de ziekenfondsen sterker oriënteren naar de ouderenzorg. De subsidies voor dienstencheques kunnen we ook meer richten op de gezinszorg voor zorgbehoevenden.

Daarnaast kunnen we voor iedereen de premie voor de zorgverzekering optrekken. Maar is dat wenselijk? Vandaag betalen de verpleegkundige, de vuilnisman, iemand met een beperking en de klinisch bioloog dezelfde som van 52 euro. Is het niet beter om de premie solidair te maken? Maar dat is een oud zeer. Als we aan de 1 procent rijkste burgers procentueel evenveel vragen als wat we vandaag aan een invalide vragen, dan zouden zij jaarlijks 837 euro moeten bijdragen aan de zorgverzekering.

Misschien ligt daar een sleutel voor de vier miljard?

Een rechtvaardig zorgopcentiem

We zouden ook het bijdragesysteem van de federale ziekteverzekering kunnen gebruiken. Maar dan moet iedereen eenzelfde extra bijdrage van 3,5 procent betalen op zijn arbeidsinkomen.

Dit systeem houdt al iets meer rekening met het inkomen dan het premiesysteem van de Vlaamse Sociale Bescherming. Nadeel is uiteraard dat dit de loonkost van de werkende mens verhoogt en dat het alleen de werknemers en zelfstandigen zijn die betalen. En het is nog altijd minder solidair dan een financiering die verhoudingsgewijze meer vraagt aan degenen met meer financiële draagkracht.

‘Een vermogensbelasting zal het systeem rechtvaardiger maken.’

Dit kan wel via een opcentiem, verbonden aan een belasting en die progressief verhoogt in functie van het inkomen en het vermogen. Dat mechanisme gebruikt men al voor de gemeentelijke opcentiemen of onroerende voorheffing. Met een zorgopcentiem van 13 procent op de Vlaamse personenbelasting is de vier miljard binnen bereik.

De progressiviteit van de belastingschalen houdt rekening met ieders financiële draagkracht. Die belastingbasis uitbreiden met een vermogensbelasting zal het financieringssysteem nog rechtvaardiger maken.

De crisis daagt uit

Vele duizenden zorg- en andere medewerkers loodsten ons goed door de coronacrisis.

De ziekenhuizen bewezen hun aanpassingsvermogen en empathie. De thuis- en mantelzorgers verzetten enorm veel werk in de luwte. De woonzorgcentra kreunden echter onder de druk. Vooral door de te lage personeelsomkadering ging het hier en daar behoorlijk mis. Als er één sector is waar meer middelen nodig zijn, dan is het in de residentiële en ambulante ouderenzorg.

‘Er is maar één correcte wijze om het noodzakelijke geld voor de ouderenzorg te vergaren: een zorgopcentiem.’

Zo’n extra financering moet wel goed doordacht zijn. De huidige financiering loopt via verschillende mechanismen die niet allemaal even solidair zijn. Het kan niet dat de verpleegster uiteindelijk verhoudingsgewijze meer bijdraagt dan de rentenier of de arts werkzaam via een vennootschap.

Een lineaire verhoging van de forfaitaire premie van de zorgverzekering is de geringste vorm van solidariteit. Het mechanisme van sociale bijdragen is al iets socialer, maar beperkt tot de werknemers en zelfstandigen. Er is maar één correcte wijze om het noodzakelijke geld voor de ouderenzorg te vergaren: een zorgopcentiem, die rekening houdt met ieders financiële draagkracht, inbegrepen de vermogens uit roerende en onroerende goederen.

Reacties [3]

  • Janssen Paul

    Op een breed aspect van het maatschappelijk speelveld moet er de veelgestelde eis van fiscale rechtvaardigheid ingelost worden. GEEN rulings voor de multinationals, geen achterpoortjes voor zelfstandigen en vennootschappen. Waarom moet een vennootschap 25% belastingen op de winst betalen, daar waar een loontrekkende in België quasi 51% afdraagt van zijn inkomen aan sociale zekerheid en belastingen.
    En in plaats van te federaliseren terug naar de moederschoot van een ééngemaakt bestuurlijke apparaat i.p.v. versnippering van bevoegdheden. Met elk goedbetaalde postjes en dito kabinetten. In de privé is er een slogan van optimaliseren en efficiëntie. Al de gewestelijke bestuursorganen is nou net NIET kosten-efficiënt. Een voorbeeld hoe het niet moet
    Alleen dan is de noodzakelijke financiering voor de welvaartsstaat voor iedereen (grotendeels) gegarandeerd.

  • heidi degerickx

    Ik vind echt een zeer sterk artikel omdat de oproep tot solidariteit ook tot in de diepte n concreet wordt uitgewerkt in ‘hoe’ we die solidariteit door een billijke financiële herverdeling kunnen realiseren. Verschillende perspectieven, sporen en argumenten zijn hier samen gebracht. Dit is een stevig beleidsadvies dat nadere studie verdiend van de diverse kabinetten op alle beleidsniveaus.

  • Guy Tegenbos

    Ik ben het voor 95% eens met deze tekst. Enkel op een aantal financiële punten ben ik terughoudend en is veel meer discussie en onderzoek nodig.

We zijn benieuwd naar je mening!
Blijf hoffelijk, constructief en respectvol

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.