Achtergrond

Is het sociaal werk te weinig luis in de pels?

Bart Van Bouchaute, Raf Debaene

Politiserend werken is een van de krachtlijnen voor toekomstig ‘Sterk Sociaal Werk’. Maar hebben sociaal werkers ruimte om politiserend te werken? Of wordt dit ondermijnd door het oprukkend neoliberalisme?

Politiserend sociaal werk

© Unsplash / Sam Roach

Sociaalwerkconferentie

De expliciete erkenning van ‘politisering’ als eerste krachtlijn voor toekomstgericht sociaal werk in de Vlaamse sociaalwerkconferentie 2018 heeft ook in Nederland reacties uitgelokt. Het regende de afgelopen weken stukken op het webplatform Sociaal Vraagstukken.

‘Vlaanderen is gidsland voor Nederlands sociaal werk.’

Het begon met een knipoog van Marcel Spierts en Mariël van Pelt. Zij bestempelden Vlaanderen als gidsland voor het Nederlands sociaal werk. Volgens hen vormt de expliciete keuze voor mensenrechten als referentiekader en voor de krachtlijn ‘politiserend werken’ het grootste verschilpunt met de situatie van het sociaal werk in Nederland.

Ze schrijven dat politiserend werken gericht is “op het waarborgen van sociale rechten, zodat mensen ook daadwerkelijk gebruik kunnen maken van hun rechten. (…) Het is een oproep aan sociaal werkers om als democratische professionals te opereren en hun stem op het publieke forum te laten horen.”

De door Spierts en Van Pelt aangebrachte verschillen tussen Nederland en Vlaanderen zijn voer voor een boeiend debat. Maar wij proberen door die verschillen heen te kijken naar een meer fundamentele vraag: kan sociaal werk politiserend werken of wordt dit ondermijnd door het neoliberalisme? En zo ja: is verzet mogelijk?

Terug van weggeweest

Politisering kan zich verheugen in een toenemende aandacht in de praktijk van en de reflectie over het sociaal werk in Vlaanderen. Dit is niet vanzelfsprekend want enkele jaren terug waren de aarzeling en terughoudendheid nog groot.

Politiserend werken had een negatieve bijklank. Er was hoogstens een gesprek mogelijk over de maatschappijvormende opdracht, het structureel werken of de signaalfunctie.

Geleidelijk werd het opnieuw mogelijk om over politisering te debatteren. Een paar opvallende voorbeelden. Samenlevingsopbouw besteedde in 2013 aan studiedag aan ‘Politieke ruimte’. Zij stelden vast dat de ruimte voor die politieke opdracht ondanks de uitdrukkelijke verankering in het decreet toch onder druk staat. In datzelfde jaar kreeg de stelling “Het middenveld zal politiek zijn, of zal niet zijn” veel bijval tijdens de trefdag ‘Iedereen politiek’ van Socius, steunpunt van het Vlaamse sociaal-cultureel werk.

Naast deze grote opvallende evenementen bleven de voorbije jaren de vele debatten en discussies over (de)politisering in verschillende praktijken van het sociaal werk erg levendig. Nog in juni 2018 schoof ook het Vlaamse jeugdwerkcongres politisering naar voor in de toekomstlijn ‘De kracht van de stem van kinderen en jongeren’.

Politisering als reactie

De aandacht voor politisering is in Vlaanderen dus relatief jong en kwam er niet zonder slag of stoot. Die dynamiek was eerder een reactie op druk van boven, van beneden en van binnen het sociaal werk.

‘De aandacht voor politisering is relatief jong.’

Repolitisering kwam er als reactie op de druk van ‘boven’. In de context van de langdurige economische crisis en de herstructurering van de welvaartsstaat staan sociaalwerkpraktijken onder aanhoudende neoliberale druk.

De garantie op sociale rechten dreigt te verschuiven naar de verantwoordelijkheid van het individu of zijn omgeving. Die bedreiging lokt reacties uit in het sociaal werk.

SWAN

De start van een Vlaamse afdeling van het Sociaal Actie Netwerk (SWAN) is een voorbeeld. “De initiatiefnemers van het SWAN stellen vast dat steeds meer mensen in armoede leven of in armoede dreigen terecht te komen. Zij wijzen op structurele discriminatie en sociale uitsluiting als rechtstreekse effecten van het neoliberaal beleid met zijn ‘actieve’ welvaartsstaat en toenemende vermarkting.Terwijl het huidige beleid naar eigen zeggen vooral de ondernemers wil ruggensteunen, worden grote groepen mensen vooral op hun individuele verantwoordelijkheid gewezen. Universele grondrechten verschuiven naar de achtergrond terwijl men vooral plichten benadrukt.”

‘Burgers dagen het gevestigd sociaal werk uit.’

SWAN richt zich tot de sociaal werkers die zich hierdoor niet langer herkennen in het sociaal werk. Werkers die de ‘ziel van de stiel’ verloren voelen gaan. SWAN brengt sociaal werkers, academici, studenten, vrijwilligers en cliënten samen om mee te denken over en vorm te geven aan een collectieve vorm van verzet.

Druk van beneden

Maar politisering is ook een reactie op druk van ‘beneden’. In een aantal prangende sociale kwesties zien we hoe burgers en hun zelforganisaties mensen organiseren, claims ontwikkelen en het publieke debat opzoeken. Daarbij dagen ze ook het gevestigde sociaal werk uit.

Bijzonder interessant is hoe sociaal werkers vaak buiten hun werkuren actief zijn in zo’n initiatieven die ze binnen hun reguliere job niet kunnen of mogen opnemen. Denk bijvoorbeeld aan de bijstand aan transmigranten in Brussel.

Of de acties in verschillende steden tegen de toenemende woonnood. Zo organiseerden geëngageerde burgers en organisaties in september 2017 de actie ‘Geen Kind op straat’ om de miserabele situatie van dakloze gezinnen in de Gentse parken aan te klagen.Heldere duiding bij dit soort acties werd verschaft door Ikrame Kastit, coördinator van Uit de Marge, in een column voor Mo*.

De actie leidde tot hogere betrokkenheid van gevestigde welzijnsorganisaties en de oprichting van een Gentse ‘Task Force Wonen’.  De wooncrisis werd in Gent het campagnethema voor de lokale verkiezingen van 2018 en een prioriteit in het Gentse bestuursakkoord.

Dit soort burgerinitiatieven jagen ‘klassieke’ organisaties in het sociaal werk aan. Ze halen ze weg uit hun vertrouwde rol als nuttige dienstverlener en deskundige adviseur. Ze duwen hen in de richting van een vaak minder vertrouwde, meer publieke opstelling, met diverse modellen van dialoog en actie… Een politiserende rol dus.

Luis in de pels

Samen met die externe dynamieken ontwikkelden zich op vele plekken scherpe debatten over ‘depolitisering’. Soms werden die debatten gestuwd vanuit bestuurders van organisaties, steunpunten of koepelorganisaties. Maar evenzeer en soms zeer heftig kwam het initiatief van sociaal werkers zelf.

‘Zijn we te braaf geworden?’

Telkens duikt dezelfde vraag op: Zijn we te braaf geworden? Zijn sociaal werkers te veel technische oplossers van sociale problemen geworden? Te veel nuttige beleidsuitvoerder en te weinig luis in de pels? Waarom mijden we publieke standpunten over de prangende sociale noden?

Nieuwe praktijk

Gelukkig is er niet alleen discussie. Er ontstaan ook allerlei nieuwe politiserende praktijken. Een mooi voorbeeld is de tijdelijke bezetting van leegstaande sociale woningen vanuit Samenlevingsopbouw in Brussel.

Gefrustreerd door het vruchteloos blijven aanklagen van de woonnood, terwijl de wooncrisis in Brussel dramatische proporties aanneemt, besloten opbouwwerkers om hun klassieke beroepsrol en aanpak te verlaten.

“We brachten onze mensen samen en startten de zoektocht naar een leegstaand pand. We schreven brieven naar eigenaars en discussieerden al over het samenleven. Na een klein jaar hadden we nog niets gevonden en toen de winter aanbrak besloten we om zonderakkoord van de eigenaar in twee panden van de Elsense Haard in te trekken. Op die manier wilden we de huisvestingsmaatschappij onder druk zetten om een bezettingsovereenkomst met ons te sluiten.”Schuermans, G. (2014), ‘Leeggoed bezet leegstaande sociale woningen’, Brussel, Samenlevingsopbouw Vlaanderen.

‘Er ontstaan allerlei nieuwe politiserende praktijken.’

Dit leidde tot onderhandelingen en een akkoord met de betrokken sociale huisvestingsmaatschappij over tijdelijke bezetting en renovatie met de bewoners.

Logische keuze

Dat veldwerkers tijdens het traject in de aanloop naar de sociaalwerkconferentie politisering als krachtlijn naar boven haalden, moet ons daarom niet verwonderen. Het is geen toeval dat de nood aan politisering opborrelde uit hun discussies, hoe divers, disparaat en diffuus dit verder ook werd ingevuld.

Het congres was een pleidooi om die politiserende opdracht ruimte te geven en geeft kritiek op een aantal tendensen van depolitisering van, in en door het sociaal werk.

Toegang tot rechten

In het eindrapport van de sociaalwerkconferentie wordt politiserend werken op twee manieren ingevuld.

Ten eerste als het waarborgen van de toegang tot rechten. Politisering vormt in die optiek een inherent onderdeel van de dagelijkse praktijk wanneer sociaal werkers “proberen de sociale positie en het welzijn van mensen in kwetsbare situaties te versterken en streven naar een meer sociaal rechtvaardige samenleving”.

Opvallend is dat politisering dus niet wordt beperkt tot een ‘macro-strategie’ in het sociaal werk naast de ‘micro-strategie’ van de individuele dienstverlening. Hiervan getuigt volgende uitspraak van een justitieassistente in het eindrapport: “We zijn het menselijk gelaat van justitie in de begeleiding van de cliënt. Er worden vaak zeventien voorwaarden opgelegd, maar dan kunnen wij beslissen: we gaan eerst het recht op huisvesting, op geestelijke gezondheidszorg … waarmaken. En pas dan kunnen we de andere voorwaarden bekijken.”

Collectief maken

Ten tweede staat politisering voor het collectiviseren van maatschappelijke problemen, tegen de tendens van individualisering in. Kwesties worden uit de private sfeer getild en voorwerp van publiek debat en politieke besluitvorming.

Dit collectief maken, loopt via twee lijnen: naast beleidsbeïnvloeding met sociaal werk als belangenbehartiger via lobbywerk en signaleren, is er het organiseren van tegenspraak waarin sociaal werk deelneemt aan het ‘politieke’.

De angel weggehaald?

‘De inhoudelijke essentie dreigt uit beeld te verdwijnen.’

Hoe belangrijk die erkenning van politisering ook is, toch is het maar de vraag of met die zeer brede omschrijving van politisering de angel niet uit het concept werd gehaald. Na een periode waarin over politisering niet mocht of kon worden gesproken, dreigt nu het gevaar dat het concept zo breed wordt uitgerokken dat het zijn kracht verliest.

Politisering lijkt nu zeer veel te omvatten. De inhoudelijke essentie dreigt hiermee uit beeld te verdwijnen: praktijken die bijdragen aan het publieke meningsverschil over hoe we ons samenleven organiseren.

Dat publieke meningsverschil is innig verbonden met een levendige democratie.Oosterlynck, S., Hertogen, E. en Swerts, T. (2018), De politieke opdracht van het middenveld ter discussie: nieuwe vormen van politisering, Spotlightpaper CSI Flanders, Antwerpen, UAntwerpen.De politiserende opdracht van het sociaal werk kunnen we dus beschouwen als een specifieke benadering waarbij kwesties in het publieke debat worden gebracht.

Allerlei vormen van technocratisch overleg met sociaal werkers als experten of discrete vormen van lobbywerk vallen dus buiten die aflijning, uiteraard zonder afbreuk te doen aan hun waarde.

Sluipend neoliberalisme

Opvallend is de nadruk op sociale rechtvaardigheid en mensenrechten in de eindteksten van de sociaalwerkconferentie. In Nederland zou de klemtoon gegarandeerd meer liggen op eigen kracht en zelfredzaamheid.

Maar ons in het Vlaanderen op de borst kloppen omwille van dat verschil met Nederland is niet alleen naïef maar zelfs gevaarlijk. We beschouwen die normatieve lijn in de conferentie immers eerder als een prijzenswaardige poging om weerwerk te bieden aan precies dezelfde tendensen in Vlaanderen.

‘De samenleving wordt beïnvloed door het neoliberalisme.’

Onze samenlevingen worden immers in toenemende mate beïnvloed door een neoliberaal discours. Meestal begrijpen we dat neoliberalisme als een economische doctrine die van buitenaf het sociaal werk bedreigt vanuit een vrijemarktlogica. Tegenover die neoliberale doctrine zou het sociaal werk dan een verhaal van menselijkheid en solidariteit stellen.

Maar het neoliberalisme is ook een vorm van cultuur, in de letterlijke zin van het woord: het bewerkt mensen, geeft vorm aan mensen, het voedt ze via media, reclame, onderwijs en opiniëring op tot concurrerende en in zichzelf investerende wezens.Brown, W. (2015), Undoing the Demos. Neoliberalism’s Stealth Revolution, New York, Zone Books.

Daarom is het voor het sociaal werk meer dan een louter externe bedreiging. Het is ook een denkwijze die subtiel binnensluipt in onze opvattingen, manieren van spreken, van denken en van waarderen en bijgevolg van aanvoelen.

Alle levensdomeinen worden gevat in een economisch discours waarbij concurrentie voorop staat: in een relatie moet er geïnvesteerd worden, onze talenten moeten we verzilveren, we moeten ons leven zelf kunnen managen…

Subtiel maar aanwezig

Zo’n subtiele neoliberalisering in het sociaal werk is niet zo makkelijk te bestrijden. Vaak worden immers bestaande, emancipatorische concepten uit de traditie van het sociaal werk verder gehanteerd maar dan in een neoliberale omduiding.

Empowerment wordt het versterken van het individu en lijkt steeds minder te verschillen van activering. De progressieve claim voor autonomie wordt al snel: ‘Je bent zelf verantwoordelijk om de geboden kansen te grijpen.’

Wat de Amerikaanse politicologe Wendy Brown schrijft over zelfzorg is pijnlijk toepasselijk in het sociaal werk: “Het neoliberalisme stelt individuen voor als rationele, berekenende wezens. Zij zijn moreel onafhankelijk als ze voor zichzelf kunnen zorgen, als ze in staat zijn om in hun behoeften te voorzien en in te staan voor hun eigen ambities (…) Maar op die wijze stuwt het neoliberalisme de verantwoordelijkheid van het individu voor zichzelf tot nieuwe hoogten: het individu moet de gevolgen van zijn handelingen rationeel berekenen en draagt er dus de volle verantwoordelijkheid voor.”Brown, W. (2009), Edgework: Critical essays on knowledge and politics, Princeton, University Press, 42.

Neoliberalisering depolitiseert

Interessant is bovendien hoe Brown die terugwerping van het individu op zichzelf verbindt met depolitisering: “De neoliberale modelburger maakt voortdurend strategische keuzes in zijn eigen belang in het sociale, politieke en economische veld van mogelijkheden. Samen met anderen streven naar het veranderen of organiseren van deze mogelijkheden hoort er niet bij. Een volledig gerealiseerd neoliberaal burgerschap zou dus het tegenovergestelde zijn van maatschappelijke betrokkenheid.”Brown, W. (2009), Edgework: Critical essays on knowledge and politics, Princeton, University Press, 43.

‘Politiserend sociaal werk is niet vanzelfsprekend.’

In die zin moeten we goed beseffen dat politiserend sociaal werk vandaag niet vanzelfsprekend is. Het is geen afzonderlijke macro-strategie die in het werkveld kan worden ingezet of in opleidingen wordt aangeleerd, terwijl de sluipende neoliberalisering ongestoord verder gaat.

Het neoliberalisme ondermijnt immers de mogelijkheid van politisering op een fundamentele wijze. De kritische uitspraken op Sociale Vraagstukken over zelfredzaamheid en eigen kracht in het werkveld en de opleidingen, zouden in Vlaanderen – eindelijk – een belletje moeten doen rinkelen.

Het druppelt in Vlaanderen

Tegenover ‘Vlaanderen gidsland’ stellen we immers graag het beeld: ‘Als het regent in Nederland, druppelt het in Vlaanderen.’ Akkoord, het middenveld is hier wat steviger en staat wat sterker op de eigen autonomie tegenover de overheid.

Her en der wordt een stevig discours neergezet over grondrechten en mensenrechten. In Vlaanderen wordt de soep van het ‘New Public Management’ wellicht wat minder heet gedronken.

Maar fundamenteel is die sluipende neoliberalisering ook bij ons aanwezig in de taal, de praktijken en instrumenten. Zorgwekkend is dat na Nederlandse nu ook Vlaamse opleidingen sociaal werk vrij kritiekloos onderwijstactieken hanteren zoals persoonlijk ontwikkelingsplan, portfolio en peer assessment.

‘Fundamenteel is die sluipende neoliberalisering ook in Vlaanderen aanwezig in de taal, de praktijken en instrumenten.’

Flexibiliteit, innovatie en ondernemingszin zijn gevierde waarden. Studenten horen hun kapitaal aan talenten te ontdekken en uit te baten voor de arbeidsmarkt. Reflectie is er niet zelden een vorm van assessment van de eigen persoonlijkheid.

Zo verschuift het accent van aandacht voor de sociale problemen in de samenleving naar aandacht voor het individu. De neoliberale rationaliteit sluipt bijna ongemerkt binnen.

Rechtendiscours

In het verzet tegen dit neoliberalisme in het sociaal werk kan de klemtoon op mensenrechten en grondrechten als kompas voor het sociaal werk – de centrale gedachte van de sociaalwerkconferentie – houvast bieden.

In het eindrapport lezen we immers dat dit niet kan herleid worden tot het realiseren van de toegang tot rechten. Mensenrechten moeten ook altijd ‘sociaal-politiek’ gelezen worden. De centrale vraag hierbij is: “Hoe kunnen we op zo’n manier ingrijpen dat de samenleving minder ongelijkheid en meer rechtvaardigheid realiseert?”

‘De verbinding met fundamentele morele waarden is verdedigbaar.’

Wanneer sociaal werk het rechtendiscours als basis wil nemen, is het wezenlijk om altijd de politieke of democratiserende inslag van dat discours in het oog te houden. En dit gaat verder dan wat we vaak horen: dat fundamentele morele waarden de basis vormen van de professie.

Die verbinding van sociaal werk met fundamentele morele waarden is verdedigbaar. Zo maak je het verschil met het neoliberalisme dat al het menselijke herleidt tot economische waarde. Tegelijk schuilt daar een gevaar in: waarden zijn niet eeuwig, omdat ze menselijke waarden zijn.

Democratisch conflict

Waarden zijn niet aan de hemel geschreven en liggen evenmin definitief omschreven in de menselijke natuur. Mensen bepalen zelf wat waarden zijn. Daarom is het belangrijk dat alle mensen, zonder onderscheid van rang, stand, geslacht of nationaliteit mee kunnen bepalen wat die waarden zijn. Alleen op die manier kan pure willekeur worden tegengegaan.

‘Mensen bepalen wat waarden zijn.’

Daarom begrijpen we mensenrechten niet als te realiseren waarden, maar als het uitgangspunt van democratiserende politiek. Sociaal werk, dat opkomt voor ieders recht op een waardige plaats in de samenleving, moet dus uitgaan van deze politieke interpretatie van de mensenrechten.

Onderzoekers Pascal Debruyne en Hans Grymonprez stelden eerder op Sociaal.Net dat politisering net bestaat uit het openbreken van de opgelegde en toegekende rechten in de bestaande orde: “Men bedrijft pas werkelijk politiek wanneer rollen en posities in vraag worden gesteld, wanneer een buitengesloten groep insluiting eist. Dit afzetten tegen de bestaande orde is wat Rancière ‘dissensus’ of democratisch conflict noemt. We mogen echter niet uit het oog verliezen dat sociaal werk deel uitmaakt van de politie-orde. Maar sociaal werk kan er ook aan ontsnappen.”

Politiserend werken is mogelijk

Praktijken van politisering blijven dus mogelijk, ook in een context die sterk wordt gekleurd door een neoliberale rationaliteit. Of met de woorden van Rancière: “Bevrijding is een manier om in de wereld van de vijand te leven op de ambigue plaats waar iemand tegelijkertijd de dominante orde bestrijdt maar er ook ruimtes weet uit te bouwen waar hij aan zijn wet ontsnapt.”Rancière, J. et Hazan, E. (2017), En quel temps vivons-nous?: conversation avec Eric Hazan.

Dat sociaal werk het neoliberaal monster niet weet uit te schakelen, betekent dus niet de mislukking van sociaal werk. Integendeel, sociaal werk lukt overal waar het mensen als gelijken beschouwt en niet enkel ziet als potentiële deelnemers aan de concurrentie. Overal waar sociaal werkers weigeren pure uitvoerders te zijn in dienst van het stilzwijgend groot verhaal van het neoliberalisme, is democratie aanwezig.

Reacties

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.