Achtergrond

Zelforganisatie is geen excuus voor terugtrekkende overheid

Nico Bogaerts

Zelforganisaties, religieuze verenigingen en online gemeenschappen zijn een actief deel van onze superdiverse samenleving. Welke noden nemen ze op? Wat zegt dat over klassieke zorgorganisaties? Hoe reageer je als overheid op zelforganisatie van burgers? Een boeiend rondetafelgesprek reikt antwoorden aan.

zelforganisatie

© ID / Bas Bogaerts

Diversiteit is complex

Het aantal zelforganisaties en burgerinitiatieven is niet meer te tellen. Informele praktijken schieten als paddenstoelen uit de grond. Ze organiseren huiswerkklassen, sport of culturele activiteiten. Andere zorgen voor voedselbedeling, juridische hulp of zoeken naar huisvesting voor vluchtelingen.

Dirk Jacobs is professor sociologie aan de Université libre de Bruxelles (ULB). Hij doet al vele jaren onderzoek naar het verenigingsleven van etnisch-culturele minderheden: “In Brussel spoorden we 650 organisaties van Congolese origine op, 600 met een Marokkaanse en 400 met een Turkse achtergrond. Veel zelforganisaties zijn klein, soms gaat het om een of twee actieve mensen. Maar er zijn ook erg grote organisaties, met een groot bereik. Ook qua professionalisering zijn er veel gradaties. Kortom: de situatie is complex.”

‘Zelforganisaties schieten als paddenstoelen uit de grond.’

Lode Draelants, directeur van het Internationaal Comité, een koepel van 350 superdiverse verenigingen en zelforganisaties in Vlaanderen en Brussel bevestigt: “Het Minderhedenforum schat dat er in Vlaanderen tussen de 2.000 en 3.000 lokale verenigingen actief zijn van mensen met een migratieachtergrond. Die organisaties verschillen qua nationaliteit, etnische achtergrond, taalgemeenschap of geloof. Er zijn gemengde verenigingen, maar er zijn er ook voor jongeren, ouderen, vrouwen. De variatie is groot.”

Klassiek sociaal werk is niet flexibel

Volgens Filip Keymeulen, straathoekwerker in Brussel, ligt dat aantal zo hoog omdat mensen hun gading niet vinden bij klassieke sociaalwerkpraktijken:“Ik werk met dakloze mensen. In het professionele sociaal werk botsen zij voortdurend tegen muren. Bij zelforganisaties en religieuze verenigingen is dat veel minder. In Brussel spelen die niet-gesubsidieerde verenigingen een cruciale rol. Kijk naar DoucheFLUX. Daar kunnen daklozen zich wassen en verzorgen. Het is een activiteitencentrum dat inspeelt op noden die de overheid of het formele sociaal werk niet meer invult.”

Elke Plovie is onderzoeker en geeft les over burgerschap en participatie aan de hogeschool UCLL in Leuven: “Mensen starten met een burgerinitiatief omdat ze een probleem zien, een nood ervaren en iets willen veranderen. Als het probleem verschuift, verschuiven die burgers gewoon mee. Vandaar hun flexibiliteit. Ze richten zich volledig op de leefwereld van mensen.”

Kloof tussen zorgvragers en zorgaanbod

Lode Draelants: “De meeste zelforganisaties starten als ontmoetingsplaats. Mensen willen hun cultuur beleven en delen. Maar stap voor stap komen er vragen naar boven over onderwijs, opvoeding, arbeid en zorg. Veel gemeenschappen weten daar te weinig over. Als mijn moeder zorgbehoevend wordt, dan vraag ik aan mijn netwerk wat ik moet doen. Welke diensten kunnen mij ondersteunen? Wie contacteer ik? In de Syrische, Griekse of Turkse gemeenschap ontbreekt die informatie.”

‘Een moskeevereniging krijgt sneller vertrouwen.’

Ook Janna Moonens van de Vlaamse Gemeenschapscommissie in Brussel, heeft ervaring met samenwerking tussen zelforganisaties en welzijnsvoorzieningen: “De professionele zorg in Brussel en Vlaanderen is erg gespecialiseerd. Bij zelforganisaties zie je het tegenovergestelde. Zij werken heel generalistisch. Dat schakelen tussen beide loopt moeilijk en roept vragen op. Zijn het moeilijk bereikbare doelgroepen of is het een moeilijk bereikbaar zorgaanbod?”

Lode Draelants: “Professionele zorg is uitgebreid en complex. Mensen vinden moeilijk hun weg. Ook zorgorganisaties lukt het niet om verbinding te leggen met mensen met een migratieachtergrond. Toch zijn dat vaak mensen die hulp het meest nodig hebben. Er is een kloof tussen zorgvragers en zorgaanbod. Zelforganisaties proberen de brug te slaan. Maar mensen verwijzen, volstaat niet. Ze komen vaak van een kale reis terug, moeten drie maanden wachten voor een eerste gesprek of begrijpen niets van het gesprek omdat ze de taal niet spreken.”

Hassan Rahali is journalist, producer en politicus in Molenbeek. Hij is de man achter vzw Averroes, een vereniging in Molenbeek die bewoners bij elkaar wil brengen: “Overheden en organisaties werken nog te veel op eilandjes. Officiële instanties stappen niet naar burgers, ze verwachten dat mensen naar hen toekomen. Dat schept geen vertrouwen en zorgt voor een kloof.”

Lode Draelants: “Voor kwetsbare mensen is dat vertrouwen zeer belangrijk. Vertrouwen is de olie die de motor doet draaien. Veel mensen met een migratieachtergrond komen uit regio’s waar er weinig zorgaanbod is. Bovendien hebben ze vaak geleerd om officiële instanties niet te vertrouwen. Een moskeevereniging of organisatie uit de eigen gemeenschap krijgt dat vertrouwen sneller dan een OCMW.”

Samenwerking komt niet vanzelf

Ilse Uyttenhove werkt voor het Vluchtelingenonthaal van CAW Oost-Brabant: “Als CAW zijn we aanwezig op vergaderingen waar ook sleutelfiguren van zelforganisaties rond de tafel zitten. We hebben ook zelf stappen gezet naar zelforganisaties. Dat werkt. Maar je moet daarvoor inspanningen leveren. Wij zijn hulpverleners die aan individuele hulpverlening doen. Dat is onze kerntaak. Maar sociale professionals moeten ook naar buiten komen en linken leggen met zelforganisaties.”

‘Er is geen tijd meer voor mensen.’

Lode Draelants: “Er is in de zorg, het onderwijs, bij het OCMW en VDAB een hoge werkdruk. Alles draait rond effectiviteit en efficiëntie. Er is geen tijd meer voor mensen. Terwijl tijd maken voor kwetsbare mensen nodig is. Zij beschikken niet over de juiste informatie en vinden hun weg niet. Sociale professionals moeten opnieuw buiten komen, mensen ontmoeten en ze informeren.”

Basiswerk

Pascal Debruyne is voorzitter van Samenlevingsopbouw Gent: “Ik bejubel burgerinitiatief. Maar de druk op zelforganisaties wordt steeds groter. Dat is zorgwekkend. De waaier aan taken die ze opnemen, wordt breder. Dat komt omdat de overheid het basiswerk afbouwt. En dus springen burgers en zelforganisaties in de bres. Kijk naar inburgering: Vlaanderen bespaart op trajectbegeleiders en de juridische dienst. Maar de noden van mensen blijven even groot. Kijk naar de opvang van erkende vluchtelingen: subsidies voor woonbegeleiding worden stopgezet. Gevolg? Burgers springen in dat gat. Sommige zelforganisaties doen dat goed, maar er zijn er ook die de eigen gemeenschap uitbuiten. Zij vragen als tussenfiguren veel geld aan nieuwkomers. Er bestaan situaties van extreme uitbuiting.”

‘De druk op zelforganisaties wordt steeds groter.’

Wim Wouters is raadgever armoede, sociaal werk en diversiteit van Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen. Het is de Vlaamse Regering die besliste om de subsidies voor woonbegeleiding voor erkende vluchtelingen niet te verlengen. Wouters ontkent dat niet, maar stelt dat ook de keuzes van de betrokken hulporganisaties ertoe doen: “De Vlaamse overheid subsidieert de CAW’s om te werken met de meest precaire doelgroepen zoals erkende vluchtelingen. Het staat een CAW vrij te kiezen voor welke doelgroepen ze zich inzetten. Een CAW kan dus ook beslissen om de woonbegeleiding voor vluchtelingen gewoon verder te zetten. Dat is een moeilijke keuze, maar te verantwoorden, aangezien het om een zeer kwetsbare doelgroep gaat.”

Terugtrekkende overheid

Ilse Hacketal, directeur van Samenlevingsopbouw Antwerpen, ervaart toch ook dat de overheid zich terugtrekt: “In Antwerpen is veel basiswerk verdwenen. De integratiecentra zijn weg, het straathoekwerk is geschrapt. Wij zijn met het buurtwerk nog een van de weinige professionele eerstelijnsorganisaties. Het is aan ons om te bekijken hoe we burgers, vrijwilligers en zelforganisaties die de gaten vullen best ondersteunen. Wat kunnen wij als organisatie voor hen betekenen?”

Voor Dirk Jacobs is die terugtrekkende overheid een eyeopener: “Burgerinitiatieven mogen geen excuus worden voor een terugtrekkende overheid. Zorg, welzijn en het garanderen van solidariteit zijn de verantwoordelijkheid van de overheid. Burgerinitiatief mag geen windowdressing zijn voor besparingen.”

‘In Vlaanderen is er niet bespaard op welzijn, integendeel.’

Volgens Wim Wouters blijft de overheid wel haar verantwoordelijkheid opnemen: “In Vlaanderen is er niet bespaard op welzijn, integendeel. Ook de stad Antwerpen bespaarde niet. Wel kwamen er nieuwe accenten. De stad investeert niet meer in straathoekwerk of opbouwwerk, wel in de ketenaanpak voor daklozen. Dat is geen besparing, wel een verschuiving van middelen. Natuurlijk is het belangrijk om over de inzet van middelen die altijd schaars zijn, in dialoog te gaan met doelgroepen en middenveld. De vraag is dus niet alleen hoeveel middelen worden ingezet, maar welke keuzes bij het inzetten van de middelen gemaakt worden. En daar zien we dat basisvoorzieningen en de brede eerste lijn het moeilijk hebben. Er is meer draagvlak voor gespecialiseerde en afgebakende hulpprogramma’s, een zorgwekkende evolutie.”

Onderbescherming

Dat de overheid zich niet helemaal terugtrekt zie je in Vlaanderen ook met de komst van het geïntegreerd breed onthaal, een samenwerking tussen het OCMW, de mutualiteiten en het CAW. Die samenwerking moet onderbescherming van kwetsbare mensen tegengaan.

‘De echte onthaalpunten blijven uit beeld.’

Pascal Debruyne vindt dit geïntegreerd breed onthaal een goede zaak. Toegankelijke eerstelijnsdiensten zijn cruciaal. Alleen wordt de uitwerking zeer formeel aangepakt: “De echte onthaalpunten, de plaatsen waar kwetsbare mensen komen, blijven jammer genoeg uit beeld. Net op dat kruispunt met zelforganisaties en basiswerk had dit brede onthaal het verschil kunnen maken.”

Wim Wouters opent een nieuw perspectief: “Als overheid vinden we nog steeds dat het geïntegreerd breed onthaal aansluiting moet vinden bij basisvoorzieningen. Alleen blijkt dat OCMW’s, mutualiteiten en CAW’s dat moeilijk vinden. Ik denk dat we het in de toekomst breder moeten aanpakken. Veel van de zelforganisaties, verenigingen en burgerinitiatieven worden ondersteund via het sociocultureel werk. Als we echt iets willen veranderen in welzijn en zorg, dan moeten we het samen doen met dat sociocultureel werkveld.”

Als directeur van een koepel van socioculturele verenigingen ziet Lode Draelants dat helemaal zitten. Alleen ervaart hij vandaag een andere realiteit: “Het sociocultureel middenveld heeft grote impact. Maar dat wordt onvoldoende gezien. Ik zeg het heel duidelijk aan iedereen die het wil horen: Gebruik ons! Maar Vlaanderen volgt niet. Welzijn kan ons niet ondersteunen omdat we sociocultureel werk zijn. Hetzelfde gebeurt bij inburgering. De verwachtingen naar verenigingen en zelforganisaties zijn groot. Maar het liefst moet alles gratis. Gelukkig overstijgen het lokale en Europese niveau die Vlaamse verkokering.”

Lokale overheid

Dany Dewulf is stafmedewerker inclusie en vermaatschappelijking bij de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten: “Ik zie op het lokale beleidsniveau veel goede praktijken. In Oostende werkt de stad nauw samen met ‘Klein Verhaal’. Die organisatie krijgt geld via het kunstendecreet en bereikt een brede mix van mensen: wit, gekleurd, jong, oud, man, vrouw, arm, rijk, mensen met en zonder handicap… Het sociaal huis van Oostende speelt daarop in, waardoor er samenwerking ontstaat met het CAW, jeugdwerk, werkbegeleiders… Het is een voorbeeld voor andere steden en gemeenten.”

‘Ik zie op het lokale niveau veel goede praktijken.’

Pascal Debruyne zou graag zien dat meer steden en gemeenten evolueren van een alwetende overheid naar een lerende en bescheiden overheid. Hij geeft het voorbeeld van zijn thuisstad Gent: “Na de uitbreiding van de Europese Unie zakte een groep Slovaken, Bulgaren en Roemenen af naar Gent. Het stadsbestuur voerde een hard beleid. Men ging er alles aan doen om die Roma’s het leven zuur te maken. Maar tien jaar later waren er in Gent een pak jongeren met een levenstraject dat finaal eindigde in de gevangenis. Kinderen snoven lijm, er was harddrugs op straat, kinderprostitutie. Het beleid van de stad was een compleet fiasco. Gelukkig begreep de overheid dat het zo niet verder kon. Samen met het middenveld, vrijwilligers en administratie werd gezocht naar oplossingen. Dat ‘lerend’ beleid werpt nu vruchten af.”

Dany Dewulf ziet dat lokale overheden op veel plaatsen de relaties tussen middenveld, burgers en administratie hertekenen: “Rode draad van succesvolle samenwerking is de hybride organisatie waarbij klassieke structuren in vraag worden gesteld. Waar men werkt aan een re-design, samen met overheid, burgers, sociale ondernemers en verenigingen. Kortom: met iedereen die zich wil engageren voor een betere samenleving.”

Vitale coalities

Uit het onderzoek van Elke Plovie blijkt dat er op veel plaatsen zo’n vitale coalities ontstaan: “Zeker bij een gedeeld belang, wordt er vlot samengewerkt tussen burgers, overheid, sociale professionals en het klassiek middenveld. Als een ambtenaar of schepen iets belangrijk vindt en iemand uit het middenveld of een burgerinitiatief is daar al mee bezig, dan loopt samenwerking heel vlot. Maar dan moet een politicus of ambtenaar wel weten wat er leeft. Als zij vanachter hun bureau topdown-strategieën lanceert, dan is samenwerking moeilijker.”

Mieke Schrooten is onderzoeker en docent sociaal werk aan Odisee Hogeschool in Brussel en Universiteit Antwerpen. Zij benadrukt dat het belangrijk is onze blik te verruimen bij het zoeken naar betrokken actoren en bijvoorbeeld ook over grenzen heen te kijken: “We praten erg over hier en nu. Wat kunnen we in Vlaanderen, Brussel, België? Maar aan zelforganisatie zit ook een translokale component. Informele sociaalwerkpraktijen moeten niet fysiek in België aanwezig zijn om voor mensen een belangrijke rol te spelen.” En hoe kan je een welzijnsactor in Afrika, Latijns-Amerika of Azië mee betrekken in zo’n vitale coalitie? In ieder geval is dat niet vanzelfsprekend.”

zelforganisatie

‘Politici moeten mensen niet tegen elkaar opzetten.’

© ID / Bas Bogaerts

Racisme

Nog een heldere vaststelling: er is te weinig oog voor de noden van etnisch-culturele minderheden. Dat roept een lastige vraag op: Is het onverschilligheid, onwetendheid of onversneden racisme?

‘Tijdens het WK was dat België-gevoel fenomenaal.’

Hassan Rahali: “De diversiteit is enorm. Als je wil samenwerken, moet je zoeken naar gemeenschappelijkheid. Die is er: België is onze gemeenschappelijke troef. Ik ben van Marokkaanse afkomst maar woon al veertig jaar in Brussel. Toch ben ik voor velen nog altijd een buitenlander. Maar ik voel me Belg, Vlaming, Brusselaar. Ik ben van Molenbeek, ik ben moslim, ik ben man. Dat is Hassan. We zijn allemaal componenten van verschillende rijkdommen. Daar moeten we fier op zijn.”

Dirk Jacobs erkent dat België-gevoel: “Tijdens het afgelopen WK Voetbal was dat gevoel fenomenaal. Een uitgelezen kans om mensen aan ons land, onze samenleving te binden. Alleen was het een politieke keuze om daar niets mee te doen. In sociaal werk hebben we soms de neiging te denken dat we bezig zijn in een abstracte ruimte, los van de politieke context die er is. Niets is minder waar. Ideologie en politiek zijn cruciaal voor de machtsverhoudingen in de samenleving. Er zijn in ons land politieke actoren die niet willen dat er aan een collectieve Belgische identiteit wordt gewerkt.”

Hassan Rahali: “Politici moeten mensen niet tegen elkaar opzetten, maar het leven van mensen vergemakkelijken. Ze zijn verkozen door burgers, moeten hun verantwoordelijkheid nemen en stoppen met populistische uitspraken.”

Feesten

Lode Draelants: “Mensen hebben graag gelijkgezinden rondom zich, mensen uit hetzelfde nest, uit dezelfde cultuur. Het is voor mensen heel moeilijk om als eerste of enige de stap te zetten naar een buurtfeest, zeker als je daar de enige witte of zwarte mens bent. Vandaar dat ik zo hamer op dat collectieve proces. Als je als groep naar elkaars feest gaat, is dat anders.”

‘Als je wil ontmoeten moet je eerst ont-moeten.’

In Antwerpen wonen meer dan 180 nationaliteiten. Dat betekent dat je als stad moet zoeken hoe je mensen verbindt. Ilse Hacketal geeft een treffend voorbeeld hoe dat in Antwerpen niet altijd lukt. En die foute aanpak dateert al van voor burgemeester Bart De Wever: “Elk jaar is er op de grote Markt een nieuwjaarsreceptie. De stad vraagt al jaren of wij als samenlevingsopbouw kunnen zorgen voor mensen met een migratie-achtergrond. Op enkele uitzonderingen na, ontbreken die nu op de receptie. Wat de stad niet doet, is zich afvragen hoe zo’n receptie er moet uitzien als je alle Antwerpenaren wil aanspreken. Ze doen al tien jaar hetzelfde: bier en frieten. Zo werkt het dus niet. Als witte samenleving denken we hierover veel te weinig na.”

Pascal Debruyne: “Er wordt harmonieus gedacht over ontmoeting. Maar als je wil ontmoeten moet je eerst ont-moeten. Dat moeten, moet eruit. Nieuwkomers worden vanaf hun aankomst geconfronteerd met moeten, moeten, moeten… Maar zo werkt het niet. Ik ken de Slovaakse Romagemeenschap in Gent goed. Het duurde een jaar voordat ik toegang kreeg. Ik was aanwezig maar deed niets. Vanuit die aanwezigheid is er vertrouwen gegroeid. Maar sociaal werkers hebben die tijd niet meer.”

Werkzame factoren

Wat maakt dat samenwerking tussen formele en informele sociaalwerkpraktijken soms wel, soms niet lukt? Onderzoeker Elke Plovie is duidelijk: “Sociaal werkers zijn doorgeschoten in individuele hulpverlening. Onderweg zijn ze hun politieke opdracht kwijtgeraakt. Collectieve vragen en problemen, vergeten ze aan te kaarten. Burgerinitiatieven doen dat beter. Ze horen verhalen van mensen, zien noden, brengen mensen samen, sluiten partnerschappen en kloppen dan aan bij de overheid. Dat werkt. Sociaal werkers kunnen dat niet meer. Door de hoeveelheid cliënten die ze moeten opvolgen, vergeten ze problemen publiek te maken. Maar als je dat niet doet, komt er geen schot in de zaak.”

‘Sociaal werkers zijn doorgeschoten in individuele hulpverlening.’

Hassan Rahali vindt dat we al een tijdje rond de hete brij van subsidies en middelen dansen. Zijn dat niet de werkzame factoren om zelforganisaties te doen schitteren? “Zelforganisaties doen schitterend werk op het terrein. Maar vaak staan ze alleen en worden ze overstelpt met vragen. Initiatiefnemers geraken uitgeput en stoppen. Ze beginnen enthousiast, maar zonder structurele steun brokkelt het af. Dat geld van de overheid is nodig”, aldus Rahali.

Elke Plovie zag in haar onderzoek dat sommige burgerinitiatieven de boot bewust afhouden. “Subsidies houden ook risico’s in. Ik zag verschillende burgerinitiatieven die subsidies weigeren omdat ze anders in het beleid van de overheid ingepast worden. Ik voel dat een aantal groepen geen steun willen. Ze kiezen voor onafhankelijkheid.”

Kabinetsmedewerker Wim Wouters bevestigt de valkuil van instrumentalisering van burgerinitiatieven. Hij ziet wel mogelijkheden in een breed kader van ondersteuning op basis van krachtlijnen, maar waar het eigenaarschap in handen blijft van de initiatieven zelf.

Macht en uitsluiting

Ilse Hacketal ziet uitsluitingsmechanismen in de manier waarop gemeenschapsmiddelen verdeeld worden: “Wij zien duidelijk dat structurele middelen vervangen worden door projectmiddelen. Ik vind dat problematisch. In Antwerpen is er een burgerbegroting van 1 miljoen euro. Als je geld wil krijgen, moet je mensen mobiliseren, stemmen ronselen en actief zijn op sociale media. Je mag twee keer raden wie dat zijn. De burgerbegroting is geen hoera-verhaal, het is een nieuwe vorm van uitsluiting. We moeten opnieuw basiswerk structureel ondersteunen. Waar er ruimte is om te ontmoeten zonder het moeten. Wij krijgen nu bezoekers over de vloer met een brief van het OCMW omdat ze maatschappelijk actief moeten zijn. Maar mogen mensen nog mens zijn tussen andere mensen, zonder rapportage, zelfredzaamheidsmatrixen en doorstroomtabellen?”

‘De burgerbegroting is geen hoera-verhaal.’

Pascal Debruyne krijgt het laatste woord: “Er is geen goede of slechte overheid. Er zijn geen goede of slechte burgers, goede of slechte zelforganisaties. Het gaat erom: Wat werkt op een bepaald moment? En het werkt wanneer de samenleving, overheid of mensen een stuk van hun macht achter zich laten. Als je werkt aan een collectief leerplatform dan aanvaard je als beleid, burgers en middenveld dat je gaat leren van elkaar. Als macht genivelleerd wordt, dan komt het beste van de overheid, het middenveld en burgers naar voor. Dan blijft samenwerking niet steken in een praatbarak zoals zoveel adviesraden en overlegplatformen, maar dan maak je samen beleid. Gelukkig zijn er zo wel veel voorbeelden, niet alleen in Gent of Oostende. Ik ben hoopvol.”

Reacties

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Sociaal schaduwwerk

Over informele spelers in het welzijnslandschap

Mieke Schrooten, Rebecca Thys en Pascal Debruyne (red.)

Politeia | 2019Meer info