Verhaal

Opgroeien in de jeugdhulp: ‘In mijn hoofd was alles beter dan een verplichte terugkeer naar huis’

Yanaal Madani

Op haar zestiende werd Yanaal Madani permanent in een open jeugdinstelling geplaatst. Het werd haar nieuwe thuis of toch bijna. In tegenstelling tot de meeste van haar leeftijdsgenoten die ze daar leerde kennen, was Yanaal blij met die beslissing. Dit is haar verhaal.

opgroeien in de jeugdhulp

© Unsplash / Jon Tyson

Iedereen een rugzak

In december 2019 kreeg ik van de jeugdrechter te horen dat ik permanent in een open instelling werd geplaatst, nadat mijn ouders ontzet waren uit hun ouderlijk gezag.

‘Ik werd permanent in een open instelling geplaatst. Ik was dankbaar dat ik deze kans kreeg.’

Op mijn zestiende was dat alles wat ik wou horen, ik was dankbaar dat ik deze kans kreeg. In mijn hoofd was alles beter dan een verplichte terugkeer naar huis. Ik kwam terecht in een instelling in Kapellen, ver weg van huis, school, werk en vrienden. De komende twee jaar zou ik me verplaatsen tussen Antwerpen en Kapellen: tussen oud en nieuw.

In Kapellen groeide ik, samen met andere jongeren, verder op onder het toeziende oog van de begeleiding. Veel van die jongeren zaten al langer in de jeugdhulp en niet iedereen was daar vrijwillig.

Naarmate de tijd verstreek, leerde ik dat elke jongere een eigen rugzak met zich meedraagt, beladen met unieke herinneringen en belevenissen die hen tot daar gebracht hebben. Ik leerde dat wij allemaal een ander verhaal hadden.

De weg naar Kapellen

Mijn verhaal begon enkele jaren geleden, nog voor ik doorhad dat het begin al geschreven was.

Na een hectische avond in november 2019 kon het allemaal niet snel genoeg gaan. Ik was op het nippertje ontsnapt aan het ergste, nadat ik in een wanhopige bui een foute keuze had gemaakt. Een keuze waar ik soms nog spijt van heb, maar ook soms dankbaar voor ben. Die avond heeft voor mij alles veranderd.

De maand nadien was mijn leven een grote wanorde. Ik ging op enkele weken tijd van thuis naar het ziekenhuis, en van het ziekenhuis naar een tijdelijke opvang in Schoten. Daar moest ik enkele dagen wachten op een gesprek met een jeugdbrigadier in Antwerpen. Na dat gesprek verbleef ik twee weken in Borgerhout, waarna ik opnieuw werd overgeplaatst naar Ekeren. Na drie dagen werd ik weer verplaatst naar Schilde. Uiteindelijk verscheen ik voor de jeugdrechter en die besliste dat ik permanent naar de instelling in Kapellen mocht verhuizen.

Tijdens die chaotische weken kwam ik voor het eerst in mijn leven in contact met de jeugdhulp. Van rechters en brigadiers tot advocaten en maatschappelijke werkers. Ik leerde individuele begeleiders, contextbegeleiders en consulenten kennen. Naast het feit dat ze in de jeugdhulp werkten, hadden ze in mijn ogen maar een ding gemeen: ze stelden mij allemaal de onvermijdelijke vraag: “Wat is er nu precies gebeurd, Yanaal?”

Met uiterste zorg

De eerste keren dat ik mijn verhaal moest vertellen werd er een dossier opgesteld. Dat zou de komende twee jaar aangevuld worden met nieuwe informatie over mij. Het was als het ware mijn digitale identiteit.

‘Bij iedere nieuwe zorgverlener moest ik mijn verhaal opnieuw vertellen.’

Telkens weer kreeg ik diezelfde vraag en elke keer gaf ik hetzelfde antwoord: raadpleeg mijn dossier als je wil weten wat er is gebeurd. Waarom stellen ze een dossier op als ze er geen gebruik van maken?

Bij iedere nieuwe zorgverlener moest ik mijn verhaal opnieuw vertellen. Iedere keer moest ik het ook opnieuw beleven. Ik werd het beu om het te herhalen, en toch werd mij altijd hetzelfde verteld: “We willen het uit jouw mond horen”. Later kwam ik erachter dat er nog andere jongeren zijn die dezelfde frustratie delen.

Toen ik naar Kapellen verhuisde, ging mijn dossier uiteraard met mij mee. Het kwam terecht in de databank van de instelling waar ik de komende twee jaar zou verblijven, en groeide aan met nieuwe informatie over mij.

Een (h)echte groep

Mijn eerste jaar in Kapellen bracht ik door in een leefgroep met negen andere jongeren van mijn leeftijd. De jongste was net zestien geworden en de oudste was achttien.

‘We leefden in groep, aten samen en brachten veel tijd met elkaar door.’

Zoals de naam het zegt, leefden we in groep. We aten driemaal per dag samen en deelden een gemeenschappelijke woon- en badkamer. Iedereen had wel een eigen slaapkamer. We brachten over het algemeen veel tijd met elkaar door.

Mijn leven veranderde niet zoveel dan ik had verwacht. Ik ging nog steeds naar school, ging werken in het weekend en bracht de rest van mijn tijd binnen door.

Ik kreeg een individuele begeleider toegewezen, en zij vertelde me wat er vanuit de instelling verwacht werd: de gebruikelijke huishoudelijke taken en klusjes, een keer per twee weken boodschappen doen en koken voor de hele groep, elke maand een ‘tuintaak’ (we gingen dan met de hele groep enkele uren tuinieren in de gemeenschappelijke achtertuin), de afvalcontainers wegbrengen…

Ik had ook wekelijks een gesprek met mijn begeleider waarin er van alles werd besproken. Hoe ging het op school? Waren mijn punten goed? Hoe was het in de groep? Geen problemen of wrijvingen met de andere jongeren? Ik werd vrij nauw opgevolgd, en ik werkte toe naar een specifiek doel: zelfstandig wonen.

Ik bloeide open

In de leefgroep bloeide ik open. Ik had het eerst zelf niet door, maar de begeleiding liet het vaak genoeg horen via goedkeurende commentaar.

‘Ik kon en mocht eindelijk mezelf zijn.’

Ik nam deel aan de spelletjes- en karaokeavonden. Ik leerde in mijn kamer muziek spelen op een kleine synthesizer. Ik maakte nieuwe vrienden en vriendinnen, en pakte zelfs een oude hobby terug op. Ik sloot me aan bij de volleybalploeg van Kapellen, ging wandelen met de persoon die in de kamer naast me sliep en speelde badminton met de begeleiding.

Waar er ooit een teruggetrokken meisje in mij schuilde, vond ik een nieuwe versie van mezelf. Ik kon en mocht eindelijk mezelf zijn.

Werken aan een toekomst

Wie in de leefgroep zat, had twee opties. Je gaat op termijn terug thuis wonen, of je werkt toe naar een vorm van autonoom wonen.

‘Ik wilde zo snel mogelijk alleen gaan wonen.’

Dat laatste kon op twee manieren: je gaat op je achttiende meteen alleen wonen, of je schuift vanaf je zeventiende door naar een studio waar je wordt voorbereid op het alleen wonen. Ik wilde zo snel mogelijk alleen gaan wonen, maar ik wist ook dat ik er nog lang niet klaar voor was.

Voor ik het wist, was ik zeventien en kwam er een plekje vrij voor mij in de studio’s. Dat was een belangrijke stap voor mij om verder van huis te zijn…

Maar in de jeugdhulp wordt altijd eerst geprobeerd om ouder en kind te herenigen. Ik kon op twee voorwaarden naar een studio doorschuiven: ik moest drie verplichte therapiesessies volgen en naar huis een brief schrijven waarin ik mijn beslissing om niet terug te keren zou verantwoorden. Die voorwaarden waren niet gebruikelijk, en werden mij opgelegd door de directeur van de instelling.

Geen therapie

De brief was geen probleem, die had ik op één avond geschreven. Ik wou echter absoluut geen therapie volgen. Dat wisten ze in de instelling ook. Maar de begeleiding en de directie dachten dat het me alleen maar zou helpen.

Ik ben principieel tegen therapie. Ik ben ervan overtuigd dat het wel kan helpen bij bepaalde mensen, maar enkel bij wie erin gelooft. Een soort placebo, om het zo te zeggen. Daar is niets mis mee, want als het werkt, dan werkt het. Maar bij mij werkte het niet.

Samenleven

In de studio’s waren we ook met tien jongeren, maar daar was geen sprake meer van samenleven. Ieder van ons had een eigen studio met een keukentje en badkamer.

Ik kreeg een nieuwe individuele begeleider en samen met hem zette ik dat jaar de eerste stappen richting zelfstandigheid. Ik leerde koken, de was doen, mijn studio onderhouden, afspraken maken, rekeningen betalen… Ik doorliep de verschillende fases van de studio’s en al gauw bewandelde ik het pad naar autonomie. Ik was klaar om alleen te wonen.

Geen thuis

In de twee jaren dat ik er mocht verblijven, heb ik het niet altijd even gemakkelijk gehad. Ondanks de vele pogingen van de begeleiding, voelde het eerder als leerschool dan als een thuis. Hoewel ‘thuis’ voelde ook nooit aan als een thuis, dus misschien was het gebrek aan de aanwezigheid van een echte thuis iets dat me tegenhield om me hier volledig thuis te voelen.

‘Het voelde eerder als leerschool dan als een thuis.’

Dat gezegd zijnde, dat betekent niet dat ik ongelukkig was tijdens mijn tijd in Kapellen. Ik kon niet gelukkiger zijn. Ik kon eindelijk zijn wie ik was, doen waar ik van hield en groeien als persoon. Ik leerde hoe ik voor mezelf kon zorgen, zodat ik van niemand afhankelijk hoefde te zijn. Nooit zou ik nog hulp nodig hebben, ik kon alles alleen aan. Dacht ik.

Op mijn plek

Op mijn achttiende verjaardag kreeg ik te horen dat ik een huurcontract kon tekenen voor een appartementje in Antwerpen. De zoektocht was voorbij. Ik had eindelijk eigenaars gevonden die wilden verhuren aan een student. Drie maanden later verhuisde ik van Kapellen terug naar Antwerpen.

Vanuit de instelling kreeg ik af en toe te horen dat het “te vroeg was”. Of dat ik “niet alles alleen zou kunnen”. “We zien dit vaker bij jongeren die breken met hun ouders”, zeiden ze me. “De meeste jongeren merken dat alleen wonen toch maar eenzaam is en komen vroeg of laat toch terug. Of ze merken dat ze te veel hooi op hun vork hebben genomen. Hoe dan ook, het wordt niet gemakkelijk.”

‘Dat het niet makkelijk zou worden, had ik zelf ook kunnen voorspellen.’

Dat het niet makkelijk zou worden, had ik zelf ook kunnen voorspellen. Ik ging nog steeds naar school, werkte en regelde mijn huishouden. Hoewel de meeste zaken vrij soepel verliepen, merkte ik dat ik nog heel wat te leren had. Hulp aanvaarden, onder andere.

Ik leerde om hulp te vragen wanneer ik het nodig had of merkte dat ik het echt niet alleen aan kon. Ik heb altijd alles zelf willen doen, maar in die eerste paar maanden na mijn verhuis kreeg ik een zekere appreciatie voor alle hulp die me werd geboden. Dankbaar nam ik ze aan.

Nu kon ik met zekerheid zeggen dat ik zowel de instelling waar ik verbleef als mezelf het tegendeel had bewezen. Ik was wel zelfstandig genoeg en kon op mijn eigen benen staan. Maar ik had onderweg ook geleerd dat het oké was om hulp te vragen, en dat ik niet alles alleen hoefde te doen.

Een zee van mogelijkheden

Ondanks de korte tijd die ik in de jeugdhulp heb doorgebracht, en de mooie kansen die ik daar heb gekregen, is er nog altijd ruimte voor verbetering.

Jongeren moeten gemakkelijker hun dossier kunnen inkijken, bijvoorbeeld. Er moet meer geluisterd worden naar de noden van jongeren. Ook het herhaaldelijk minimaliseren van gebeurtenissen uit het verleden frustreert veel jongeren, ik ben niet de enige die daarmee worstelde.

Toch mag ik niet afsluiten zonder mijn bewondering en dankbaarheid voor de jeugdhulp te benoemen. Zonder alle rechters, advocaten, consulenten en begeleiders die me hebben geholpen met het verwerken van mijn verleden, had mijn heden er heel anders uitgezien.

Er wordt wel eens gezegd dat de jeugd de toekomst is. We worden gevraagd om ons uit te drukken en onze stem te laten horen, want elke jongere heeft een eigen stem die uniek is en gehoord mag worden. Dankzij de jeugdhulp heeft mijn stem luid en helder mogen klinken.

Reacties [2]

  • Marleen

    Heel herkenbaar. Behalve dat het hier Berchem was ipv Kapellen en dat therapie wel degelijk nodig was :) Bij mij moesten ze ook niet afkomen met een terugkeer naar huis. Dus ook leefgroep, kamertraining, en uiteindelijk begeleid wonen. Ik ben niet zo positief over de instellingen als jij, ze hebben echt wel fouten begaan, maar ik ben ook dankbaar dat ik er heelhuids ben uit gekomen. Ik denk soms dat elke hulpverlener het een keer van de andere kant zou moeten meemaken. Om te weten hoe het is en om te leren minder snel te oordelen. Intussen sta ik zelf aan de andere kant van de hulpverlening en ben ik niet alleen ouder maar ook een pak wijzer geworden dan toen. Het kan de mensen in mijn omgeving maar ten goede komen ;)

  • Dorine

    Oh, meid.
    Zo herkenbaar.
    Ik ben intussen 20j verder…

    Ik heb kinderen gekregen met mijn vriendje van toen.

    Het gaat prima.

    Het meest pijnlijke is… het ontbreken van ONVOORWAARDELIJKE ouderliefde…

    Die biologische ouders van mij bleven hun geweldpleging tov mij vergoeilijken. Tja dan stopte het voor mij

    De kinderen hun oma = nu en dan een bezoekje aan een toen al oude opvoedster van toen, intussen is ze een echt oude vrouw… dat miste ik wel toen de kindjes klein waren.

    Maar je eigen verleden verloochenen om grootouders voor je kinderen te hebben? Ik heb het even geprobeerd, ik werd er doodongelukkig van want het geweld hernam zich (verbaal, want ik was intussen volwassen)

We zijn benieuwd naar je mening!
Blijf hoffelijk, constructief en respectvol

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.