We creëren vandaag de armoede van morgen

Aanbevelingen voor een krachtig lokaal sociaal beleid

Op 14 oktober 2018 kiezen we opnieuw onze gemeenteraden. Met die verkiezingen in het vooruitzicht focust het jaarboek armoede van onderzoeksgroep OASeS op het thema lokaal sociaal beleid. Ze formuleren acht aanbevelingen voor een krachtig lokaal sociaal beleid.

© ID / Fred Debrock

Armoede

Armoede in België is nog steeds hoog. Het relatieve armoederisico van de Belgische bevolking bedraagt 15,5%, gebaseerd op EU-SILC enquête 2016. In Vlaanderen is dat 10,5%. Wanneer we inzoomen op de armoederisicograad van de Belgische kinderen, stellen we vast dat dit cijfer oploopt tot 17,8%.

“Armoede in België is nog steeds hoog.”

Belangrijke vaststelling. Uit cijfers van Kind en Gezin blijkt dat de kinderarmoede varieert tussen Vlaamse gemeenten. Zo torent het percentage kinderen dat geboren wordt in een kansarm gezin in de gemeenten Antwerpen, Maasmechelen, Nieuwpoort, Genk, Blankenberge, Boom en Oostende uit boven de 27%. In Schilde, Kruishoutem, Zoutleeuw en Vleteren groeit minder dan 1% van de kinderen op in armoede.

Deze cijfers geven aan hoe belangrijk lokaal sociaal beleid is. Met de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 in het vooruitzicht dringt een uitgebreide reflectie over de rol van het lokale beleid in de strijd tegen armoede zich op.

‘Tijd voor sociaal beleid’ – het jaarboek armoede 2017 – verkent bezorgdheden en opportuniteiten en duidt recente veranderingen. In dit jaarboek werd gekozen om te focussen op de bestuurskracht van lokale besturen, samenwerking in netwerken, vermarkting en participatie van mensen in armoede.

Streven naar een menswaardig bestaan

Vooraf willen we de visie op armoede die we in het jaarboek naar voor schuiven verduidelijken.

We definiëren armoede als een kluwen van uitsluitingen op diverse domeinen van het individuele en collectieve bestaan. De multi-aspectualiteit van armoede staat dus centraal. Omwille van diverse uitsluitingsmechanismen ontstaat er een kloof tussen mensen in armoede en het leiden van een menswaardig bestaan. Deze kloof wordt ge(re)produceerd door de bestaande maatschappelijke verhoudingen. Zij verhinderen op basis van diverse uitsluitingsmechanismen de toegang tot een menswaardig bestaan.

“We pleiten voor een rechterbenadering.”

We pleiten ervoor dat overheden inzetten op een beleid dat vanuit een rechtenbenadering het realiseren van een menswaardig bestaan vooropstelt. Deze rechtenbenadering veronderstelt dat mensen over essentiële rechten beschikken, zuiver en alleen als gevolg van hun mens-zijn. Het is de plicht van de samenleving en dus van het beleid om die rechten te respecteren en te realiseren.Nussbaum, M. (2012), Mogelijkheden scheppen. Een nieuwe benadering van de menselijke ontwikkeling, Ambo, Amsterdam; Meulemans, H. (2016), ‘Het zorgdiscours van Martha Nussbaum’, Sociaal.Net, 15 september 2016.

Deze benadering sluit goed aan bij de multi-aspectuele definitie van armoede die verwijst naar uitsluiting op diverse gebieden van het individuele en collectieve bestaan. Belangrijk om te benadrukken is dat we vanuit het jaarboek de stelling van Nussbaum onderschrijven dat de focus op een rechtenbenadering bij het definiëren van een menswaardig bestaan een startpunt is. Het is geen eindpunt van het debat over wat een menswaardig bestaan betekent en hoe het moet gerealiseerd worden. Het is  noodzakelijk dat ruimte voor debat ontstaat over de confrontatie tussen individuele vrijheid en de specifieke invulling van deze rechten.

De bestuurskracht van lokale besturen varieert

We stellen vast dat lokale overheden steeds meer verantwoordelijkheden krijgen voor het uitvoeren en ontwikkelen van lokaal sociaal beleid. Er wordt verwacht dat zij voldoende bestuurskracht hebben om de problemen waarmee hun kwetsbare inwoners worstelen, aan te pakken.

Verschillende factoren hebben invloed op de lokale bestuurskracht. Indien lokale besturen beschikken over voldoende grote budgetten om aan armoedebestrijding te doen, zal hun bestuurskracht groter zijn. Maar ook sociaal-economische evoluties, zoals wijzigingen in het arbeidsmarktbeleid en de huidige asielcrisis hebben invloed doordat ze de vraag naar armoedebestrijding doen toenemen of afnemen.

Ook de aanwezigheid van bestaande voorzieningen is bepalend. In bepaalde gemeenten zijn er verschillende jeugdwerkinitiatieven, zorgvoorzieningen, solidariteitsacties… terwijl dit in andere gemeenten veel minder aanwezig is. De overheid moet met deze lokale verschillen rekening houden bij het uitzetten van beleidslijnen.

De bestuurskracht wordt ook bepaald door de aanwezigheid van al dan niet geoormerkte subsidies van hogere overheden. Steden en gemeenten zijn dan verplicht het geld te besteden aan sociaal beleid.

Lokale variaties in toekenning van leefloon

De toekenning van het leefloon valt onder de verantwoordelijkheid van het OCMW, en dus van het lokaal bestuur. In het jaarboek tonen we aan dat er variatie kan bestaan in de voorspelde toekenning van het leefloon. De toekenning van het leefloon kan verschillen van gemeente tot gemeente maar die verschillen zijn eerder klein.

“De toekenning van het leefloon kan verschillen.”

Deze kleine verschillen worden verklaard door de leeftijd en de attitude van de hoofdmaatschappelijk werker van het OCMW, maar ook door de grootte van de gemeente. Zo hebben cliënten in grotere gemeenten zowel minder kans op het ontvangen van een leefloon als op het krijgen van een sanctie zoals het verliezen van het leefloon.

Hoe hoger de gemiddelde leeftijd van de maatschappelijk werkers in de OCMW’s, hoe minder voorspelde kans op een uitkering en hoe meer voorspelde kans op sanctie. Ook stelden we vast dat hoe meer belang het teamhoofd hecht aan controle en het belang van sancties, hoe meer maatschappelijk werkers voorspellen dat er gesanctioneerd zal worden in hun gemeente.

Administratieve vereenvoudiging

Onderbescherming blijft een reëel probleem. Hierbij gaat het zowel over het niet opnemen van het recht op financiële bijstand of leefloon, als over de situatie waarbij de sociale grondrechten van burgers niet worden uitgeput.

In België zijn er nog te veel mensen die op verschillende levensdomeinen geen menswaardig bestaan leiden. Ze hebben geen behoorlijke huisvesting, geen toegankelijke gezondheidszorg, geen culturele en maatschappelijke ontplooiing… Bovendien is er een groep die geen leefloon krijgt terwijl ze er wel recht op hebben.

“We pleiten voor administratieve vereenvoudiging.”

Daarom pleiten we voor een administratieve vereenvoudiging van de toekenning van bepaalde rechten. Voor een aantal welomlijnde groepen kan men kiezen voor een administratieve vereenvoudiging van de leefloonprocedure, bijvoorbeeld voor vrouwen die voordien niet werkten en door echtscheiding plots afhankelijk worden, studenten die geen beroep kunnen doen op hun ouders, vluchtelingen die nog niet voldoende werkten in België, laaggeschoolden die geen aangepast werk vinden of pas afgestudeerde jongeren die nog geen recht hebben op een inschakelingsuitkering.

Daarnaast pleiten we voor een verplichte automatische rechtentoets voor kwetsbare doelgroepen. Enkel op die manier kunnen mensen hun rechten ten volle uitputten. Hierbij denken we aan premies voor huisvesting, kinderbijslag, studietoelagen, energiepremies… Dit kan een belangrijke verantwoordelijkheid zijn voor het lokale OCMW.

Vermarkting zorgt voor afroming 

Vermarkting is het fenomeen waarbij het zorgaanbod steeds bedrijfsmatiger wordt georganiseerd. De overheid legt meer nadruk op resultaatsverbintenissen en handelt ten aanzien van sociale voorzieningen meer vanuit een marktlogica van vraag en aanbod.

Uit onderzoek blijkt dat vermarkting van sociale voorzieningen kan leiden tot uitsluiting van de meest kwetsbare doelgroepen. In dit jaarboek houden we daarom een pleidooi om vermarkting met de nodige bezorgdheid en voorzichtigheid te benaderen. Om inclusie van de meest kwetsbaren in de samenleving na te streven, is samenwerking en netwerking tussen verschillende hulpverleningsorganisaties immers belangrijk. Vermarkting dreigt hen tegen elkaar op te zetten.

We creëren vandaag de armoede van morgen

Kinderarmoede blijft een groot probleem. Door nog steeds te weinig in te zetten op de strijd tegen kinderarmoede, creëert men vandaag de armoede van morgen.

“Kinderarmoede blijft een groot probleem.”

De verschillende beleidsniveaus en -domeinen moeten hun verantwoordelijkheid opnemen en beter samenwerken in de bestrijding van armoede. Om meer preventief in te zetten op sociale uitsluiting, dient men op federaal en Vlaams niveau de uitkeringen boven de armoederisicogrens te brengen en sociale inclusie op alle levensdomeinen na te streven.

Op lokaal niveau dient men in te zetten op netwerking en samenwerkingen tussen organisaties. Zo stelden we vast dat er de laatste jaren verschillende samenwerkingsverbanden of netwerken werden opgezet in de strijd tegen kinderarmoede. Deze netwerken willen minder kinderen door de mazen van het net laten glippen.

De sterke punten van deze lokale netwerken zijn het proactief en outreachend kunnen werken. Ze zorgen voor meer continuïteit in de hulpverlening en nemen een verbindende functie op tussen de verschillende gesegregeerde dienstverleners. De bestaanszekerheid van die belangrijke netwerken is vandaag echter niet zeker. We vragen dan ook een structurele verankering van deze netwerken in de sociale dienstverlening van het OCMW en gemeente.

Meer aandacht voor ervaringskennis

Lokale besturen moeten in dialoog gaan met burgers. Ook mensen in armoede dienen hierbij betrokken te worden. Dit vergt enige inspanning van het lokaal bestuur. Men moet investeren in deze contacten. Het is namelijk belangrijk om een goede vertrouwensband op te bouwen met deze doelgroep.

We stellen vast dat lokale besturen nog te weinig gebruikmaken van de expertise van mensen in armoede. Beleidsparticipatie van mensen in armoede kan een lokaal bestuur namelijk helpen om tot een meer gefundeerde armoedebestrijding te komen. Meer specifiek kan de samenwerking met mensen in armoede lokale besturen helpen om lokale prioriteiten te identificeren waar het beleid op kan inzetten.

Daarnaast stellen we vast dat er nog te weinig transparantie is over de inzet van hun suggesties en de resultaten van deze participatie. Mensen in armoede hebben te weinig zicht op de output op het terrein die het gevolg is van hun input. We pleiten in dit jaarboek dan ook voor meer beleidstransparantie.

Het potentieel van zelforganisaties

Naast formele hulpverleningsorganisaties ontstaan er ook steeds meer zelforganisaties, zoals etnisch-culturele zelforganisaties. Dit zijn socio-culturele verenigingen opgericht door en voor mensen die erkennen dat ze een etnisch-culturele identiteit delen.

“Zelforganisaties zijn een goede partner.”

We stellen vast dat deze zelforganisaties goed inspelen op de diverse en voortdurend veranderende realiteit van de stad en haar inwoners. Door het groeiend aantal, de expertise en de grote voeling met de doelgroep, zijn deze zelforganisaties een goede partner voor de reguliere hulpverlening.

Met de aanwezigheid en aanwending van deze zelforganisaties moet men wel bedachtzaam omspringen. Men moet opletten dat zelforganisaties, met hun beperkte middelen en onbezoldigde medewerkers, niet overbevraagd worden. Ze zijn geen vervanging van het reguliere hulpaanbod.

Het potentieel van zelforganisaties dient volledig benut te worden, zonder het te misbruiken. We pleiten dan ook voor een goede ondersteuning van deze zelforganisaties, terwijl er gelijktijdig moet geïnvesteerd worden in het reguliere hulpaanbod.

Het geïntegreerd breed onthaal 

Het decreet Lokaal Sociaal Beleid zet in op toegankelijke hulp- en dienstverlening in de vorm van het geïntegreerd breed onthaal. Dit breed onthaal is een samenwerkingsverband tussen het OCMW, het CAW, de ziekenfondsen en andere lokale actoren.

“Het geïntegreerd breed onthaal vinden we waardevol.”

Het doel is dat de drempel tot hulpverlening verlaagt, waardoor mensen in armoede sneller en gerichter hun rechten kunnen realiseren. De verdere uitbouw van het geïntegreerd breed onthaal lijkt ons dan ook zeer waardevol.

De uitbouw van dit geïntegreerd breed onthaal mag echter niet boven de hoofden van mensen in armoede gebeuren. Door hen erbij te betrekken, kan de toegankelijkheid op punt worden gesteld. Het geïntegreerd breed onthaal moet ook de ruimte krijgen om beleidssignalen naar bovenlokale overheden te communiceren. Enkel zo kan het een rol spelen in de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen