Opinie

Minister pareert kritiek: ‘Vermaatschappelijking is een werkwoord’

Jo Vandeurzen

“Het mensbeeld achter vermaatschappelijking is fictie.” Dat schreven drie onderzoekers op Sociaal.Net. Welzijnsminister Jo Vandeurzen reageert: “Vermaatschappelijking is geen naïef idealistisch verhaal.”

vermaatschappelijking

© ID / Kris Van Exel

vermaatschappelijking

Jo Vandeurzen, minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin © ID / Kris Van Exel

© ID / Kris Van Exel

Bezorgdheden

Met veel interesse las ik op Sociaal.Net de bijdrage over welk mensbeeld zogezegd achter de concepten van vermaatschappelijking van zorg en persoonsvolgende financiering zou zitten.

‘We zitten middenin grote transities.’

Er worden, wat mij betreft, een aantal terechte kritische kanttekeningen gemaakt. Wie de laatste beleidsbrief Welzijn, Volksgezondheid en Gezin leest, moet concluderen dat we die ook erkennen en er acties rond opzetten. We zitten middenin grote transities en moeten alert zijn voor signalen op het terrein.

Maar ten gronde komt de analyse uit het artikel niet overeen met wat wij in ons beleid beogen.

Containerbegrip

Vermaatschappelijking is ondertussen een containerbegrip geworden. Iedereen geeft er zijn invulling aan.

Wie het met een negatieve connotatie uitspreekt, ziet er een alibi in voor de overheid om zich terug te trekken op haar kerntaken. Die overheid komt dan alleen nog subsidiair tussen en legt zo alle last op de schouders van een (fictief) eigen sociaal netwerk van de kwetsbare Vlaming.

Dat is uiteraard niet mijn invulling van vermaatschappelijking. Integendeel. Dat je het ook niet zo moet lezen, bewijzen de concrete beleidsdaden.

Kwetsbare mensen insluiten

Wat versta ik dan wel onder vermaatschappelijking? De Strategische Adviesraad Welzijn, Gezondheid en Gezin zorgde voor een goede definitie, die ondertussen in meerdere wetten is overgenomen.

Onder vermaatschappelijking verstaan we “de verschuiving binnen de zorg waarbij ernaar gestreefd wordt om mensen met beperkingen, chronisch zieken, kwetsbare ouderen, jongeren met gedrags- en emotionele problemen, mensen in armoede,… een eigen plek in de samenleving te laten innemen, hen daarbij, waar nodig, te ondersteunen en de zorg zo veel mogelijk geïntegreerd in de samenleving te laten verlopen.”

Die definitie is fundamenteel. Ze drukt de overtuiging uit dat goede zorg en hulpverlening – zeker als het gaat om personen met langdurige zorgvragen – mensen in staat moet stellen te participeren aan het samenleven. Het moet bijdragen tot kwaliteit van leven en dat veronderstelt verbondenheid met anderen.

Niet naïef

Ik zie vermaatschappelijking absoluut niet als een soort naïef idealistisch verhaal dat uitgaat van rationele, assertieve personen die over een sterk sociaal netwerk beschikken.

Het gaat ook over mensen met dementie. Over de persoon met een beperking. De patiënt met een chronische aandoening. De man of vrouw met een verslaving. De persoon met een psychische kwetsbaarheid. De mens die eenzaam is of leeft in armoede.

Vermaatschappelijking is een werkwoord. Het is een niet aflatend pleidooi om in deze hectische samenleving een plaats te geven aan kwetsbare medeburgers. Vermaatschappelijking betekent bouwen aan betrokkenheid en het vormen van een gemeenschap met kwetsbare mensen. Daar moeten we tijd voor maken.

Investeren

Vermaatschappelijking is in Vlaanderen geen alibi om niet te investeren in zorg en hulp.

Ik besef goed dat we er nog niet in slagen om op alle zorgvragen een goed antwoord te bieden. Maar niemand kan ontkennen dat we deze legislatuur met een enorm budget hebben geïnvesteerd in de uitbreiding van allerlei vormen van ondersteuning. Geen terugtredende overheid dus.

Wanneer we spreken over langdurige zorg en ondersteuning vertrekken we vanuit het perspectief van de zorgvrager. Ik benadruk dat het dan inderdaad niet om een soort fictieve, weerbare en zelfredzame burger gaat. Het is het respect voor de unieke persoon dat ons voor ogen staat.

Vraaggestuurde financiering

We beschikken in Vlaanderen over ontzettend kwaliteitsvolle diensten en voorzieningen waarin geëngageerde medewerkers elke dag het beste van zichzelf geven, soms in zeer moeilijke omstandigheden.

‘Vraaggestuurde financiering is niet zaligmakend.’

Dat belet niet dat we ons moeten realiseren dat het voortdurend institutionaliseren van vragen naar meer ondersteuningsmogelijkheden niet noodzakelijk die inclusieve samenleving korterbij brengt.

Ik verhef de vraaggestuurde financiering niet tot de alles zaligmakende ideologie. Vraagsturing is evenmin een garantie dat de zorg kwaliteitsvol is of wachtlijsten automatisch doet verdwijnen. Uiteraard niet.

Vraaggestuurde financieringssystemen vragen duidelijke randvoorwaarden. Iets wat sommige believers, die in vraagsturing een soort afrekening zien met ‘de zuilen’ of die voorzieningen haast diaboliseren, niet graag benoemen.

Ook uit ervaringen van andere landen weten we: vraaggestuurde financieringssystemen vragen een overheid die inzet op toezicht op kwaliteit, die perverse effecten vermijdt, die proactief oneigenlijk of manifest verkeerd gebruik bestrijdt. Wat dat betreft zullen voor de vraagsturing in de handicapspecifieke ondersteuning na een grondige evaluatie wellicht nog bijsturingen nodig zijn.

Zorg moet beschikbaar zijn

Evengoed deel ik de overtuiging dat het beleid er niet mag van uitgaan dat iedereen zomaar weet waar men zorg kan bekomen.

‘We zetten in op sterk eerstelijnswerk.’

Hoe complexer het systeem (als het gaat over budgetten van 50.000 euro per jaar gedurende vele levensjaren kan die inschaling maar best ernstig gebeuren), hoe meer het risico bestaat dat ‘gewone’ mensen de weg niet kennen. Ook dat is een terechte bekommernis. Een persoonsvolgend budget mag geen opportuniteit zijn voor een bepaald deel van de Vlamingen dat er mee aan de slag kan en het onderste uit de kan haalt.

Dat is meteen de reden waarom we inzetten op sterk eerstelijnswerk. Op aanklampendheid. Op aandacht voor instellingsverlaters. Geen vermaatschappelijking zonder een sterk sociaal werk: dat was mijn conclusie in de slottoespraak op de eerste sociaalwerkconferentie die we dit jaar in Vlaanderen organiseerden.

Dat alles neemt niet weg dat niet de logica van de voorziening of het toevallig beschikbare aanbod de fundamentele aansturing moet zijn, maar wel de positie van de zorgvrager die op zoek is naar zorg en ondersteuning.

Geloof me: we gaan pas binnen enkele jaren zien hoezeer de switch van de financieringstechniek de mogelijkheden van een grotere participatieve samenleving heeft bevorderd. Alleen is dat geen verhaal tegen voorzieningen: het zal maar lukken dankzij sociaal ondernemerschap. Want dat heb je nodig om de juiste, kwaliteitsvolle antwoorden te geven.

‘We zullen maar tot meer inclusie komen als we erin slagen om heel de samenleving aan te spreken op hun aandacht voor mensen in kwetsbaarheid.’

Dat doet geen afbreuk aan solidariteit: we zullen maar tot meer inclusiviteit komen als we erin slagen – en dat versta ik dus onder vermaatschappelijking – om heel de samenleving, alle bestuursniveaus en beleidsdomeinen aan te spreken op hun aandacht voor mensen in kwetsbaarheid. Daar horen we vroeg of laat overigens allemaal bij.

Zorg van de toekomst

Dus: nee, het woonzorgcentrum van de toekomst (waar we vandaag aan werken) is geen verpleegtehuis waar alleen verzorging centraal staat in de financiering en personeelsnormen.

Het woonzorgcentrum is een zorg- en leefgemeenschap. Waar samen geleefd wordt, ook als we als bewoner voor onze menswaardigheid bijna volledig afhankelijk zijn van diegenen die ons met zorg omringen. Woonzorgcentra krijgen de tools om een kern van zorg en ontmoeting te zijn in de buurt.

Een vergunde zorgaanbieder voor personen met een handicap kan overeenkomen dat wie er een geborgen thuis en zorgcontinuïteit zoekt, ook bijdraagt aan het samenleven en aan de solidariteit tussen bewoners. Waarbij dus niet op elke euro wordt gekeken of eindeloos over kosten wordt gediscussieerd.

Dat vereist vertrouwen, transparantie en een goed bestuursmodel waarin voor alle stakeholders een plaats is.

Bescheiden

Ik heb geleerd als minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin bescheiden te zijn. We zijn er niet, nog lang niet. Maar het zou jammer zijn moest de idee van vermaatschappelijking een verkeerde invulling krijgen.

Om eerlijk te zijn: voor mij is vermaatschappelijking een verzet tegen de idee dat er zoiets bestaat als een wereld van de hardwerkende Vlaming die ver staat van een wereld (achter de muren van instituten) van fragiele mensen.

Ik zal die opdeling nooit aanvaarden.

Reacties [4]

  • herman de mönnink

    Wat goed dat een minister participeert in een discours over vermaatschappelijking; ik ben voorstander van de koppeling tussen welzijn en gezondheid omdat chronische psychosociale stress veel ziekte en korter leven produceert (zie artikel in Sociaal.net van Christien Raemdonck en og); een geluid uit NL over vermaatschappelijking: door het overdragen in NL van de zorg van het Rijk naar de Gemeenten met een bezuinigingsopdracht komen Sociaal Werkers in een spagaat. Keukentafelgesprekken (dichtbij) worden gevoerd om het verhaal te horen maar vanuit een indicatiedoel (afstand): deze zorg kan wel en helaas die andere zorg kan niet. In het Nederlandse project City Deal Inclusieve stad blijkt nu ook dat de sociaal werkers grote werkdruk ervaren omdat ze meer te doen krijgen met minder geld… en tegen burocratische kokers aanlopen; het goede is dat SW’ers meer mandaat krijgen voor creatieve oplossingen, maar zijn de competenties van SW’ers wel op orde om deze ruimte ook in te nemen?

  • ignace leus

    Een randopmerking, inderdaad de inschaling die het visum is voor belngrijke budgetten is essentieel. Twee opmerkingen, hier komt de nadruk van vermaatschappelijking toch verkeerd en te sterk naar voren, indien inspanningen van netwerk en mantelzorger de argumentatie worden om minder in te zetten vanuit de Maatschappij Vlaanderen.
    En als inschaling zo belangrijk is, waarom gaat er zo weing budget naartoe ?Waarom zo verwchillende inschalingsschalen in de gehandicaptenzorg en andere sectoren? Waarom bij de zorgtoeslag gehandicapte kinderen alleen een arts?

  • Patrick Vandelanotte

    Ik zou het bijzonder op prijs stellen mocht minister Vandeurzen eens echt in dialoog gaan met wat hij hier de believers noemt. Hij zou dan misschien ontdekken dat er wel veel nuancering is. En bijvoorbeeld wel oog voor randvoorwaarden. Nu is hij juist diegene die diaboliseert.

  • Dany Dewulf

    Jo Vandeurzen : “We zullen maar tot meer inclusiviteit komen als we erin slagen – en dat versta ik onder vermaatschappelijking – om heel de samenleving, alle bestuursniveaus en beleidsdomeinen aan te spreken op hun aandacht voor mensen in kwetsbaarheid.” Dat is precies wat ook ik versta onder vermaatschappelijking. Ik zeg dat vanuit meer dan 50 jaar ervaring met mensen in kwetsbaarheid. Vermaatschappelijking is een proces, met een sociale component (mogen mensen met een kwetsbaarheid er ook bij horen ?) en een structurele component (binnen welzijn, zorg, wonen, onderwijs, werk, vrije tijd, mobiliteit, …) En daar is inderdaad nog werk aan. Vermaatschappelijking is anno 2018 zeker nog een werkwoord.

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.