Column

Dansen op de rand

Eveline Meylemans

Eveline Meylemans

Eveline Meylemans studeert sociaal werk en sociale pedagogiek aan de Universiteit Gent. Ze is jongerenadviseur bij de Vlaamse Jeugdraad. Voor haar columns put ze ook uit haar ervaringen met de jeugdhulp.

jeugdhulpverlater

© Unsplash / Kevin Schmid

2011

Ik sta aan de Gentse Watersportbaan doelloos naar het water te staren. De wind waait hard om me heen. De golven wiegen me niet tot rust. Ineens staat ze naast me. Tuurt mee in de verte.

‘We woonden in een gezinsvervangende voorziening.’

We schrijven 2011. Nora en ik wonen in hetzelfde huis. Een ‘gezinsvervangende voorziening’, wist de welkomstfolder in de gang. We woonden er met een kleine twintig meisjes. Allemaal hadden we nood aan gezinsvervanging. Vaak deden we ons uiterste best het tegendeel te bewijzen.

Nora

Nora en ik spraken niet zo vaak met elkaar. Snauwen tegen elkaar, dat wel. We leken wit en zwart, hard en zacht, de beauty en de nerd – daar bedachten we eens een themafeestje rond voor de leefgroep. Soms klikte het tussen ons. Vaker botste het.

Toch waren er weinig mensen op wie ik zo kon rekenen als op haar. Om de schuifdeur van de gemeenschappelijke ruimte open te maken voor stiekeme uitjes. Om in de winkel razendsnel kleurshampoo te halen wanneer een experiment in blauwe lokken was uitgeslagen. Om ’s nachts bij elkaar in bed te kruipen wanneer verdriet te groot was om alleen te dragen.

Toekomst

“Je gaat toch niet springen?”, zegt ze. “Nee, zot. Misschien. Ik zie het niet meer zitten.”

Nora komt naast me staan en steekt een sigaret op. “I feel you.” Ze blaast de rook recht in mijn gezicht. “Je moet vooruitkijken. Naar de toekomst.”

“Het is de toekomst die ik niet zie”, antwoord ik. “Dat komt nog wel. Er kan nog zoveel komen. Zeker voor u, nerd.”

Nora lacht graag met mijn boekenverslaving. Ik verdwaal graag in verhalen. Ze voeren me ver weg. Nora draait zich om en wijst naar het grote rode universiteitsgebouw achter ons. De Faculteit Psychologie en Pedagogische wetenschappen.

Unief

“Ga naar ’t unief, word slim en rijk. Alles wat ge nu niet zijt maar kunt worden.” Ik fronste – terwijl ik dit schrijf besef ik dat het Nora is die me heeft leren fronsen.

‘Ga naar ’t unief, word slim en rijk.’

“Dromen kan geen kwaad hé Eefie.” Ze port in mijn zij. “Tenzij je een instellingskind bent natuurlijk.” We lachen, maar de realiteit voelt bitter. Ook Nora wordt stil.

“Kom. We dansen het eruit.” Ik trek haar mee naar een bankje waar we onze muziek kunnen laten spelen, zo luid mogelijk. “Baby don’t worry. You are my only. Even if the sky is falling down.” Dansen op de rand van een stadsbankje. Aan de rand van de Watersportbaan. Aan de rand van de samenleving.

Kind

Een paar maanden later zijn Nora en ik gestraft. Onze vrije woensdagmiddag is afgenomen. Onterecht, vinden we. We houden een zitstaking op de trappen van ‘ons huis’. Een grote beker schepsnoep uit het Kruidvat gaat rond.

De muziek staat niet schreeuwerig hard, maar wel luid genoeg opdat de begeleiding ons hoort. Hoe drukken we anders ons ongenoegen uit? Ik blader door Nora’s schetsboek.

“Jonas en ik willen een kindje.” Nora klonk zelden zo serieus.

“Komaan Nora, doe normaal. Je bent vijftien. Dat gaat toch niet?”

‘Gij kunt echt een bitch zijn.’

“Wat is normaal? Moest alles normaal zijn, zaten we hier niet. Ik ga mijn baby graag zien.”

“Je kunt hem al op de wachtlijst zetten, zodat hij hier binnen tien jaar ook binnen kan”, hoorde ik me zeggen. Nora keilde haar bundel met tekeningen recht tegen mijn hoofd. De bladeren dwarrelden van de trap: “Gij kunt echt een bitch zijn.”

Iemand om voor te zorgen

Onze zitstaking eindigde vroegtijdig met slaande deuren. ’s Avonds werd er zacht geklopt op de deur van mijn kamer.

“Meen je wat je zei?”

“Nee. Ja. Ik weet wel dat je je kind graag zal zien en er alles voor zou doen. Maar waarom nu?”

“Ik weet het niet. Ik wil dat. Ik wil iemand om voor te zorgen.”

“Dat bedoel ik. Dat je een mens moet maken om graag te zien… Dat doet pijn.”

“Je kon dat de eerste keer ook zo gezegd hebben.”

Nora wreef over mijn hoofd en kroop naast me in bed. Ze legde haar hoofd tegen me aan en snikte mijn lakens nat. Ik hield haar stevig vast, zelfs zittend leek ze voortdurend te vallen. Het duurde lang voor ze rustiger was. Toen ging ze rechtop zitten.

“Wat heeft het leven voor mij?”

“Wat heb jij voor het leven?” Nora onderdrukte een glimlach. “Een baby?” Ik mepte met een kussen zo hard mogelijk op haar hoofd.

2016

We schrijven 2016. Het is de dag voor een examen. Ik studeer in het rode universiteitsgebouw aan de Watersportbaan. Pedagogische wetenschappen, optie sociaal werk.

‘Ik ben trots. We doen wat lang niet mogelijk leek.’

Nora besloot dat vandaag de perfecte dag was om mij op te zoeken, met verse koekjes, die zelf-uit-de-Delhaize-gehaald-en-in-een-eigen-doos gestoken-soort. Ze zit bij mij en bladert door een syllabus. Ze draagt een zwart truitje vol witte vlekken. Het is teruggegeven babymelk.

Nora werkt in een crèche. Ze straalt. Als ik ooit een kindje krijg, hoop ik dat zij ervoor kan zorgen. Ik zeg dat maar niet want het klinkt melig. En wij doen niet aan melig.

“Babyspuw staat u eigenlijk wel.”

Nora grijnst en pakt een syllabus: “Pas op want dit zijn echt dikke boeken en ge hebt u hoofd morgen nodig.” Ik lach en schenk haar koffie in. Ik ben trots op ons. We doen wat lang niet mogelijk leek. Allerminst vanuit ons eigen standpunt.

Wat later wandelen we naar een park. We zitten op een bankje. De muziek niet te luid. Gasboetes hebben een magnetische aantrekkingskracht op ons.

“Het lijkt wel een wetmatigheid, dat die dingen ons proportioneel meer overkomen dan andere jongeren”, vind ik. Nora kan haar lach niet bedwingen: “Als dure woorden u helpen de wereld te begrijpen.” Ik krijg een liefdevolle tik tegen mijn hoofd.

2017

Het is 2017. Ter voorbereiding van de les lees ik ‘De pedagogiek der onderdrukten’ van Paulo Freire. Een boek vol dure woorden die me helpen de wereld beter te begrijpen.

Plots krijg ik een bericht van Nora. Het staat er zwart op wit. Haar baby werd veel te vroeg geboren. Hij zal nooit de kans hebben om groot te worden, om lief te hebben, om boos te zijn, om een politieberisping te krijgen voor te luide muziek en dansjes in het park.

‘In mijn hoofd dansen gedachten. Wat moet ik met zo’n masterdiploma?’

Ik weet niet wat ik kan doen, of ik iets kan doen. Ik weet nog minder goed dan vroeger hoe ik erop moet reageren. Ik heb een bachelor in het sociaal werk op zak, maar vraag me af wat voor nut dat heeft. Alles lijkt zo vast te liggen. Zo voorbestemd te zijn.

Mijn sms’jes komen niet aan. De telefoon blijft overgaan. Nora is gewend om de dingen alleen te doen. Ik kan alleen maar hopen dat er iemand is die ze (professioneel) dichtbij laat.

2019

Februari 2019. Ik sta aan de Watersportbaan voor me uit te staren met een afgedrukte masterproef in mijn hand. Straks moet ik hem gaan indienen in dat rode universiteitsgebouw. Dan volgt een diploma. De onzekerheid giert door mijn lijf, even sterk als toen.

Nora is spoorloos. Ze kan in Gent zijn of in het buitenland. Aan het werk of thuis met een baby. Verder dan die opties wil ik niet denken.

In mijn hoofd dansen gedachten. Wat moet ik doen met zo’n masterdiploma? Kan ik er verloren Nora’s mee terughalen? In de eerste plaats moet er alles aan gedaan worden om ze, om ons, dichtbij te houden. In de samenleving. Niet aan de rand.

Ik zet ons liedje op. Luid. De aantrekkingskracht van GAS-boetes tot een masterstudent is kleiner dan die tot een jongere uit de jeugdhulp. En zo nu en dan eens melig doen, is best oké. “Even if the Sky is falling down.” Ik hoop dat Nora ergens staat te dansen. Ver weg van de rand.

Reacties [3]

  • Marcel De Beukeleer

    Ik begrijp uiteraard de teneur van dit prachtig artikel. Toch even ernstig op de gestelde vraag antwoorden: trek naar Nederland, verdiep je in de ouderschapskennis en ouderbegeleiding en importeer die kennis dan naar Vlaanderen. Jeugdhulp voorkomen is nog altijd beter dan vechten tegen de resultaten ervan.

  • heidi degerickx

    Eveline,

    De rand is vaak geen leuke plek, zelfs ronduit risicovol, en ja vaak sta je er eenzaam of slechts met twee … dat is hard zeker als je jong bent. Maar niets zo interessant om de wereld te bekijken, te begrijpen, vorm te geven van aan die rand – het is een unieke positie waar je soms veel beter zicht hebt op die wereld en kan zien wat echt belangrijk is in het leven. Het blijft een uitdagende evenwichtsoefening om op de boordje te lopen zonder er af te vallen. Het is kwestie van slechts 1 compagnon de route te vinden, hand in hand op die rand lopen maakt het veiliger en eens zo interessant. Je hebt dat al gedaan met Nora en ik denk dat er nog mensen zullen passeren in je leven die daar graag met jou zullen vertoeven.
    Ik zou zeggen veel plezier in de wereld én dus ook op die rand, zonder sarcasme. Ik heb er alvast mijn speeltuin van gemaakt, ook dat is mogelijk.

  • Marleen Auman

    Ontroerend verwoord en jammerlijk genoeg zo’n realiteit. De Nora’s willen net als jij en ik bestaansrecht, geliefd worden, betekenis hebben voor anderen. Het is vaak zo’n harde realiteit. Wie leert hun van zichzelf te houden …te vaak personeelswissels …mogen ze, kunnen ze vertrouwen, verbinding maken…Tal van mensen die het verschil willen maken, maar mag/kan dit beleidsmatig?…de meest kwetsbaren laten zien hoe het met de maatschappij gesteld is..
    Marleen

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.