Verhaal

Kaat Hermans: ‘Ik ben er niet om beleidsteksten te schrijven die in lades verdwijnen’

Marijn Sillis

Na vier jaar straathoekwerk stapte onze columniste Kaat Hermans (30) vorig jaar over naar een nieuwe rol, die van ‘signaalwerker’. Nu staat ze in Gent in een spreidstand: met het ene been in het veld, met het andere in het beleid: “Sociaal werk is per definitie politiserend.”

Kaat Hermans

© ID/ Brecht Van Maele

Straathoekwerk

Tijdens haar studies Criminologie aan de UGent wist Kaat Hermans al dat ze straathoekwerker wilde worden. Na haar diploma-uitreiking zette ze haar eerste stappen in het sociaal werk door mee te draaien in de nachtopvang en Project Leegstand in Gent. Nadien kwam ze in haar droomjob terecht. Tot vorig jaar, toen vervelde ze van straathoekwerker tot signaalwerker binnen de Gentse Dienst Outreachend Werken.

‘Ik ben een straathoekwerker die wat meer beleidswerk doet.’

“Het was tegelijkertijd een logische en niet-logische stap”, vertelt Hermans. “Als straathoekwerker werk je één op één, maar ik besefte altijd heel goed: dit moet op systeemniveau aangepakt worden. Waarom zou je telkens opnieuw dezelfde shit moeten oplossen voor iemand anders? Kan je die energie niet beter aanwenden voor structurele oplossingen?”

Maar toch was de stap ook niet logisch?

“Ik vroeg me af: moet er wel een signaalwerker zijn? Is signalen geven, politiserend werken, niet per definitie een taak van elke sociaal werker?”

En?

“Het blijft de taak van de sociaal werker, maar mijn job heeft een meerwaarde. Ik pak die signaalfunctie niet over, maar versterk ze wel. Ik werk op een ander niveau dan de straathoekwerker, maar ben er niet om beleidstekstjes te schrijven die in lades verdwijnen.”

“Een voorbeeld. Veel Gentenaars met Oost-Europese roots kunnen geen bankrekening openen. Nochtans hebben ze, zoals elke EU-onderdaan, het recht op een basisbankdienst. Banken zijn daar niet happig op, omdat ze er niks aan verdienen. Dus worden mensen wandelen gestuurd, met alle gevolgen van dien.”

“Terwijl ik uitzoek hoe het allemaal werkt, contact opneem met UNIA en de minister, gaan onze buurtstewards met die mensen naar de bank om alles te noteren en samen klacht in te dienen. We werken op verschillende niveaus aan hetzelfde probleem, terwijl de strijdvaardigheid rond het issue aangewakkerd wordt.”

Je stroomlijnt de inzichten van de straat naar het beleid. En tegelijkertijd krijg je een helikopterzicht over het veld?

“Onze dienst is de laatste jaren sterk gegroeid. Je voelt dat niet iedereen meer weet waar de ander mee bezig is. Als een jeugdstraathoekwerker me iets meldt, kan ik zeggen: de buurtsteward maakt hetzelfde mee, ga eens met hem of haar praten. Ook dat versterkt de positie van de sociaal werker.”

‘Zodra je op beleidsniveau werkt, zit je snel vast op een bureau. Maar gelukkig gruw ik daarvan.’

“Als de VDAB me zegt dat er niemand reageert op een uitnodiging voor de opleiding ICT, kan ik hen melden dat je zo’n uitnodiging niet per mail moet sturen. Maar omgekeerd kan ik de straathoekwerker en z’n gasten uitleggen dat de beslissing van De Lijn om geen gratis abonnementen meer naar het thuisadres op te sturen geen besparingsmaatregel is. Dat zijn dingen die ik vroeger moeilijker kon vastgrijpen.”

Mis je het veldwerk dan niet?

“Oh, maar daar ben ik nooit mee gestopt! Ik begeleid nog steeds enkele gasten en ik coördineer nog de Straatkrant. Voor mij is het simpel: je doet geen straathoekwerk, je bént straathoekwerker.”

“Ik moet er over waken dat ik naar buiten blijf gaan. Zodra je op beleidsniveau werkt, zit je snel vast op een bureau. Maar gelukkig gruw ik daarvan. Ik ben géén beleidsmedewerker, ik ben een straathoekwerker die wat meer beleidswerk doet (lacht).”

Kaat Hermans

“Mijn columns zijn een manier om dingen van me af te schrijven. Anderzijds wil ik mensen vertellen: kijk, dit gebeurt, onder jullie ogen. En ja, ze zijn vaak heftig. Maar dat is straathoekwerk ook.”

© ID/ Brecht Van Maele

Dat je een straathoekwerker bent, voel je heel erg in je columns op Sociaal.Net. Al vraag ik me ook vaak af: houdt ze het wel vol, als het zó heftig is?

“Enerzijds zijn die columns een manier om dingen van me af te schrijven. Anderzijds wil ik mensen vertellen: kijk, dit gebeurt, onder jullie ogen. En ja, ze zijn vaak heftig. Maar dat is straathoekwerk ook.”

‘Ik wil mensen vertellen: kijk, dit gebeurt, onder jullie ogen.’

“Ik heb met de tranen in m’n ogen op straat gestaan. Gasten hebben me zien wenen. Je kan dat alleen volhouden als je het kan afzetten. Maar dat moet je leren, door het mee te maken. Zoals ik ooit zelf schreef: zolang ik weet waarvoor ik ween, weet ik waarvoor ik vecht. Als ik die emotionaliteit niet meer heb, is het foutu.”

Nu je op die andere stoel zit, moet je die emoties wellicht vaker intomen?

“Ik ben niet minder rechtuit, sla nog even vaak op tafel. Maar ik heb ook leren luisteren. Misschien is het niet slecht om je eerst grondig te informeren. Misschien kan je meer bereiken als je de taal van het beleid spreekt. Kies je gevechten, maar ook je wapens.”

“Vroeger vertrok ik altijd uit m’n onrechtvaardigheidsgevoel. Vanuit individueel niveau was het simpel: ik moet nú een oplossing vinden voor deze gast. Als het niet kan via de geijkte paden, dan regel ik het zelf wel. Nu ben ik wat rustiger geworden en denk ik: hoe kan ik het meeste betekenen voor de meeste mensen?”

Iets in mij zegt dat de vijf jaar jongere Kaat zou gruwen van deze uitleg, zichzelf misschien verloochend zou voelen?

“Existentiële vragen! (Lacht) Wellicht zou de jongere Kaat zich afvragen: ‘Wadisda met u?!’ Maar dat is niet per se slecht, denk ik. Ook voor mij is het een leerproces. Ik heb véél empathie, maar mis soms een zekere fijngevoeligheid. De bulldozer moet leren remmen. Dus misschien moeten we het geen zelfverloochening maar evolutie noemen?”

‘Ik heb véél empathie, maar mis soms een zekere fijngevoeligheid.’

“Ik voel wel dat ik veel heb aan dat netwerk. Aan het contact met beleidsmakers, aan weten bij wie ik terechtkan. Ik besef ook dat het geen zin heeft om bruggen op te blazen als je een volgende keer niets meer kan betekenen.”

De eeuwige weegschaal van het sociaal werk?

“Absoluut. Ik word nog altijd triest als ik de vraag krijg om cijfers te bezorgen voor een jaarverslag. Cijfers, cijfers, cijfers. Terwijl er zoveel verhalen zijn! Maar het beleid werkt nu eenmaal met getallen en statistieken. Dus als ze die willen, zal ik ze bezorgen. Mét nog tien menselijke verhalen erbij, die desnoods het tegenovergestelde vertellen. Doe ermee wat je wil, denk ik dan. Die houding is waardevoller dan energie verliezen aan een verloren strijd.”

Vind je een luisterend oor op beleidsniveau?

“Ja. Zij het niet altijd op de manier die je wil, of niet met hetzelfde resultaat. Het frustrerende is dat het vaak werk van lange adem is. Waar ik vroeger steekvlam-gewijs dingen probeerde te veranderen, moet ik nu vooral proberen het vuur smeulend te houden.”

“Als je achter de schermen mag kijken, zie je ook dat er dingen bougeren. Héél traag, maar toch. Ik heb me het voorbije jaar beziggehouden met de lockdown, de basisbankdienst, publieke toiletten, drinkbaar water, jongeren en politie.”

‘Waar ik vroeger steekvlam-gewijs dingen probeerde te veranderen, moet ik nu vooral proberen het vuur smeulend te houden.’

“De Oost-Europese Gentenaars hebben nog steeds miserie met de bank, en de jonge gasten met de flikken. De stad heeft nu iemand extern aangetrokken om het publiek sanitair in beeld te brengen. Langs de ene kant is het goed dat er oog voor is, langs de andere kant doorlopen we voor de zoveelste keer het proces van in kaart brengen, betrokkenen bevragen… Terwijl die signalen en opmerkingen naar mijn gevoel al gegeven zijn.”

“Maar goed, ik besef dat er ondertussen wel al oog is voor al die issues. Dat gegeven op zich moet je als een overwinning kunnen zien. Hoe klein ook.”

Welke overwinningen heb je behaald het voorbije jaar?

“(Denkt na) Weinig meetbare, denk ik. Maar misschien het belangrijkste, als straathoekwerker en signaalwerker: de beeldvorming. We hebben een tentoonstelling georganiseerd over Gentse buitenslaaplocaties, we hebben met een brief aandacht gevestigd op dakloze mensen die niet in hun kot konden blijven tijdens de lockdown.”

“We hebben ook meegewerkt aan de daklozentelling van de Koning Boudewijnstichting en KUL Leuven. Alstublieft stad, hier zijn uw cijfers (lacht). En we hebben met Treck Hostel gezorgd voor ‘uitgestelde bedden.’”

“Noem het een optelsom van enkele kleine, concrete en een paar grotere, abstracte overwinningen. Er wordt niet plots een miljoen euro uitgetrokken, maar er beweegt wel iets. Dankzij dingen die waar ik als straathoekwerker wellicht minder tijd voor had gehad.”

Straathoekwerk

“Mijn hart ligt nog steeds bij de dak- en thuisloze mensen, de sofaslapers. De vele jongeren die in steeds grotere getale op straat belanden.”

© ID/ Brecht Van Maele

Wat blijven voor jou de belangrijkste signalen?

“Mijn hart ligt nog steeds bij de dak- en thuisloze mensen, de sofaslapers. De vele jongeren die in steeds grotere getale op straat belanden.”

“Als er één ding is waar ik me niet kan en wil bij neerleggen, dan wel bij het feit dat onze wieg zo bepalend is voor onze toekomst. Dat we  generatie-armoede – niet alleen in geld, maar ook in kansen – niet kunnen doorbreken. Het is de grootste schande binnen ons systeem.”

En wat zijn de oplossingen?

“Hela, ik ben signaalwerker, geen signaaloplosser (lacht luid). Natuurlijk staan we voor een aantal principes, en we worden graag betrokken bij overleg met netwerkpartners en stadsbestuur. Maar het is vooral onze taak om de signalen op de juiste plaats te krijgen. Omdat een schepen niet elke nacht in de opvang kan zijn en de burgemeester ook burgemeester is van mensen mét een woning.”

‘Dat we generatie-armoede niet kunnen doorbreken,  is de grootste schande binnen ons systeem.’

“Maar eens het signaal er ligt, is het niet aan mij om ook nog eens de oplossing te formuleren. Er is een wooncrisis, we hebben daar genoeg over gepalaverd met de taskforce wonen. Het is rampzalig, we weten het. Regel het.”

We hebben het nu over politiek gehad, maar lukt het je ook om te signaleren naar andere sociaal werkers?

“Naar de mensen van onze dienst: ja. Maar de andere organisaties… Soms denk ik: jammer dat we allemaal naast elkaar bezig zijn. Waarom zouden we niet meer informatie uitwisselen – niet over cliënten individueel, maar op hoger niveau? Soms worden we zodanig opgeslorpt door convenanten en subsidies dat we onze doelgroep vergeten.”

Sociaal werkers moeten ook kritisch voor zichzelf zijn?

“Zeer zeker. Vandaag lijkt het soms dat iedereen voor zichzelf outreachend aan de slag is. Maar waar is de backoffice dan, naar wie leiden we dan nog toe? We moeten daar een evenwicht in vinden, niet alleen met onze eigen organisatie bezig zijn.”

Signaleren naar de bredere samenleving, naar burger in de straat, de media: is dat er ook bij?

“We moeten die rol zeker opnemen. Bij politiserend, structureel werken, is beeldvorming een ontzettend machtig wapen. Pas als een probleem gekend is, kan je er iets aan veranderen. Daarom ook organiseren we Straatpraat, bijvoorbeeld.”

‘Je kan samenleving, politiek en sociaal werk niet los zien van elkaar.’

“Ik vind dat we niet te klagen hebben over die aandacht, ook niet vanuit de journalistiek. Maar als journalisten een bepaald issue voor de zoveelste keer aanpakken vanuit het overlast- of klachtenframe, durf ik mijn gsm vastpakken.”

“Net zoals de politiek moet je de bredere samenleving mee hebben in je verhaal. Of het althans vertellen. Ik ben opgegroeid met het idee ‘Wij zijn de overheid’. Als de overheid iets niet ziet of doet, zien of doen wij het niet. Je kan samenleving, politiek, sociaal werk niet los zien van elkaar.”

Eén van m’n vragen was of sociaal werk politiserend moet zijn. Maar die vraag heb je al lang en breed beantwoord: sociaal werk is voor jou per definitie politiserend.

“Absoluut. Maar ik probeer me nu ook even te verplaatsen in andere sociaal werkers, in mensen die een minder overtuigde mening of assertieve houding hebben. (Denkt lang na) Er zijn wellicht mensen in het sociaal werk die niet expliciet politiserend werken en toch iets kunnen betekenen voor mensen. Maar zelf kan ik die twee niet los zien van elkaar.”

Men zou jou kunnen verwijten meer activist dan sociaal werker te zijn.

“(Lacht) Dat mag, maar ik kan het gewoon niet los zien. Het is ook heel makkelijk om iemand af te schilderen als activist, want zo zet je hem of haar aan de kant. (Denkt opnieuw na) Maar ik blijf toch in dubio hoe ik me voel ten opzichte van sociaal werkers die niet zo activistisch zijn.”

‘Ik mis een soort ‘vakbond’, een vereniging van sociaal werkers.’

“Soms zie ik collega’s die volgens een totaal andere hiërarchie of administratief parcours werken. Die procedures als excuus gebruiken om niet menselijk te handelen. Zulke mensen werken niet politiserend en ik weet niet of ik hen sociaal werkers vind. Maar ook niet of ik me daarover mag of moet uitspreken?”

Hoe zinvol is het Vlaams Platform Sterk Sociaal Werk voor jou?

“Zinvol, in de zin dat we samenkomen en kennis delen. Maar ik mis een soort ‘vakbond’, een vereniging van sociaal werkers. Zo’n platform is een goede aanzet, maar er zit meer potentieel in.”

Straathoekwerk

“Er komt pas iets naar boven als je neus aan neus staat. Het is niet gezond om altijd in je gelijk bevestigd te worden.”

© ID/ Brecht Van Maele

Ik hoor: meer actie, minder gepalaver.

“Misschien wel, ja. Je kunt veel artikels en opiniestukken schrijven, ik draag er zelf toe bij. Maar wat dan?”

“Het voelt vaak als preken voor eigen kerk. Want wie zit er in zo’n netwerk? Mensen die erin geïnteresseerd zijn, erin geloven, er zelf aan meewerken. Maar het zou toch krachtiger zijn als het ook bij anderen terechtkomt? Bij mensen die vinden dat sociaal werkers allesbehalve politiserend moeten werken. Die van oordeel zijn dat wij braaf de uitkeringen en dossiers in orde moeten brengen voor het OCMW.”

“Ik hoor vaak dat ik fantastisch werk doe. Nooit zegt iemand me: ‘Hoe nutteloos, mensen hun handje vasthouden. Heb je daar gemeenschapsgeld voor nodig?’ Heel veel dingen in de sociale sector worden gelezen, besproken en bediscussieerd door sociaal werkers die zichzelf misschien niet genoeg in vraag stellen. Dat voel je heel goed bij debatten, vind ik.”

Ik noteer: de Sociaalwerkconferentie van 2022 mag kletteren.

“Ja! Op het verjaardagsfeest van Sociaal.Net hoorde ik twee jaar geleden Fanny Matheusen spreken over Deep Democracy. Ze vertelde hoe je met conflict aan de slag kan. Dat vond ik een verademing. Want er komt pas iets naar boven als je neus aan neus staat. Het is niet gezond om altijd in je gelijk bevestigd te worden.”

Anderzijds mag dat conflict toch ook niet fatalistisch worden? Ik bots ook wel eens op sociaal werkers die steen en been klagen, maar vervolgens de schouders ophalen: ‘Er verandert toch niets.’

“Ik heb het geluk dat ik nog over jeugdig enthousiasme beschik. Maar veel mensen waarschuwen me dat ik erg teleurgesteld kan worden.”

“Ik besef dat constant in conflict gaan enorm vermoeiend is. Je moet opletten dat je niet meer energie steekt in ruzies dan in oplossingen. Maar je moet altijd weer blijven recht springen. De dag dat je zegt: ‘er gebeurt toch niks’, zal er ook niks gebeuren.”

“Dat vind ik nu ook m’n rol als signaalwerker: de signalen ter harte nemen én dat terugkoppelen naar mijn collega’s. Zodat wanneer de individuele apathie de bovenhand neemt, er toch iemand voor een frisse adem zorgt. Zodat telkens iemand anders op dezelfde nagel klopt: no pasarán.”

Reacties [4]

  • Heleen Kramp

    Wat een kundige vrouw, met haar hart op de juiste plaats!

  • Johan Roels

    Mooi verhaal dat aantoont dat Kaat haar wat ik ‘gecreëerde zelf’ noem continu evolueert naar haar wat ik haar ‘originele zelf’ noem. Ze toont aan dat ze dat doet via een wat ik ‘creatieve wisselwerking’ noem met de informatie die ze krijgt via diepgaand luisteren, door informatie vervolgens waarderend begrijpt en de ‘delta’ tussen wat is en wat ze wenst te zijn gebruikt om zichzelf te transformeren naar een nieuwe Kast met een nieuwe mindset.

    Creatively,
    Johan

  • Siel Van Herreweghe

    Blij dat ik dit artikel gelezen heb, want zo herkenbaar! Politiserend werken, en dat kan op vele manieren, zou inherent moeten deel uitmaken van gelijk welke job je als sociaal werker doet. Dat verloochenen is voor mij spotten met je beroepseer. Ik geloof in idealisme, kleine maar belangrijke verschillen, verhalen naar buiten brengen, meer samenwerking en vereniging. Toch is het ook frusterend en eenzaam voor deze generatie jonge sociaal werkers om zo veel potentieel, kansen, noden,… zo traag vervuld en in verandering te zien worden. Terwijl de mensen voor wie je het doet elke keer opnieuw zo precair aan je mouw trekken. Daar heb ik het als 25 jarige met mijn jeugdige enthousiasme vaak heel lastig mee. Het lijkt alsof er soms weinig middenweg te vinden valt tussen apatisch worden en je leerleggen bij bepaalde structuren of belanden in een burn-out. Ik hoop voor de toekomst dat er nog meer mensen op de barricade gaan staan en dat we elkaar daarin kunnen versterken.

    • Marleen

      Hoi Siel. Ik vrees dat dat niet enkel voor ‘deze generatie’ of ‘jonge’ sociaal werkers is… ik ben bijna 40 en ervaar dezelfde frustratie die jij omschrijft. Nu, en 20 jaar geleden ook al… ik deel je hoop uit de laatste zin van je reactie!

We zijn benieuwd naar je mening!
Blijf hoffelijk, constructief en respectvol

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.