Achtergrond

Opvoeders zijn geen managers

Stefan Ramaekers

Vandaag wordt er heel wat gesproken over opvoedingsondersteuning. De woorden die we daarbij gebruiken, drukken uit hoe we kijken naar ouders, kinderen en opvoeding. Kunnen we door de gehanteerde taal onder de loep te nemen ook opsporen of we met opvoedingsondersteuning op het goede spoor zitten?

Vader met kind op bank.

© Bas Bogers

Decretale verschuiving

Stilstaan bij woorden is belangrijk omdat we zo kunnen “bespreken wat telt als behorend tot onze wereld”.Eigen vertaling van citaat uit Winch, P. (1958), The idea of a social science and its relation to philosophy, London, Routledge.Vanuit die insteek werd al eerder de verschuiving van het Decreet Opvoedingsondersteuning naar het Decreet Preventieve Gezinsondersteuning kritisch geanalyseerd.Van Crombrugge, H. (2013), ‘Zijn ‘ouders’ (als burgers) welkom in het Huis van het Kind?’, in Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen (red.), Gezinsbeleid in 2012. De rol van het gezin, de buurt en de burger in de Huizen van het Kind, Brussel, Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen, 223-252.

‘Mondigheid lijkt de ontwikkeling van kinderen in de weg te staan.’

De nieuwe woordenschat van dat laatste decreet is niet onschuldig, maar impliceert allerlei keuzes, bijvoorbeeld over de relaties tussen overheid, deskundigen en organisaties enerzijds en ouders en hun kinderen anderzijds. Die decretale verschuiving zegt dus veel over hoe we kijken naar opvoeding, opvoedingsproblemen en het voorkomen ervan. Ik herneem dat hier niet, maar sta in de plaats daarvan kort stil bij de woorden van een aantal in het oog springende praktijken. Ik ga exemplarisch en dus noodzakelijk selectief te werk.

Op die manier vraag ik aandacht voor woorden die vandaag in onbruik geraakt zijn. Nochtans zijn het woorden die belangrijk zijn om zicht te krijgen op wat volgens mij een pedagogisch perspectief op opvoedingsondersteuning is. Ik hoop zo een taal in herinnering te brengen die uitnodigt tot dialoog en een ander gesprek over opvoeding. Het kan de weg vrij maken voor andere praktijken van opvoedingsondersteuning.

Vormingsprogramma

Wat leeft vandaag in opvoedingsondersteuning? Welke woorden worden gebruikt om uit te drukken wat er gebeurt op de werkvloer? Opvoedingswinkels of lokale overheden organiseren ontmoetingsavonden en trainingssessies. Ze nodigen ouders uit door in flyers of op websites kort maar krachtig het probleem te introduceren. Zo wordt een info-avond over “Omgaan met te mondige kinderen” als volgt aangekondigd: “Kinderen zijn de laatste jaren mondiger geworden. Dit zorgt voor nieuwe uitdagingen in het opvoedingsproces. Wat zijn de oorzaken van dit ‘nieuwe’ gedrag bij kinderen? Hoe kan je als ouder op een goede manier met deze mondigheid omgaan en kinderen begeleiden tot assertieve, maar ook respectvolle volwassenen?”. In deze vormingen en informatiemomenten onderzoeken experts niet alleen het probleem. Ze reiken ook tips aan om die overdreven mondigheid af te remmen en geven advies over een gepaste aanpak.

De taal die hier gehanteerd wordt is veelzeggend en exemplarisch voor de wijze van spreken in veel praktijken die vandaag voor opvoedingsondersteuning doorgaan.Voor een bespreking van vergelijkbare voorbeelden zie Ramaekers, S. en Suissa, J. (2013), Goed ouderschap. Een andere kijk op opvoeden, Antwerpen, Garant.Ik wil er een paar dingen over kwijt.

Lang geleden

Het begrip mondigheid kent een lange historische traditie: mondigheid staat aan de wieg van ons modern westers denken. Sinds het essay “Wat is Verlichting?” van Immanuel Kant maakt dit begrip deel uit van onze culturele geschiedenis. Het wordt geponeerd als een ideaal dat mens en mensheid moeten nastreven. Als het vermogen om zelf te denken, om ons “van ons verstand zonder leiding door een ander te bedienen”Kant, I. (1988), Beantwoording van de vraag: Wat is verlichting?, Kampen, Kok Agora.is mondigheid dan ook iets om in eer te houden. Mondigheid staat voor maturiteit, rijpheid, kortom: volwassenheid.

De term werd niet toevallig gekozen: ‘mond’-igheid slaat op het vermogen om op een verantwoordelijke wijze te spreken, om verstandig gebruik te maken van z’n vermogen tot spreken. Mondigheid of maturiteit kenmerkt zich door het engagement van de persoon om zich in een open en vrij debat te wagen, om zich bloot te stellen aan kritiek van medeburgers, om een relatie met anderen aan te gaan waarin het presenteren, bediscussiëren, verwerpen en accepteren van redelijke argumenten centraal staan.

Historisch begrip gekortwiekt

Gegeven de tijd (1784) en de context (ontvoogdingsstrijd) waarin Kant zijn essay schreef, mag duidelijk zijn dat zijn oproep om “uit te treden uit de onmondigheid die we aan onszelf te wijten hebben” en om “de moed te hebben ons van ons eigen verstand te bedienen” van groot historisch en cultureel belang was. Mondigheid is als verworvenheid van de moderne mens deel gaan uitmaken van opvoeden. Dat kinderen volwassen worden, betekent dat ze hun infantia of onvermogen te spreken beetje bij beetje te boven komen. Zoiets gebeurt in relatie met anderen, met zij die het vermogen tot spreken reeds verworven hebben.

In de aangeboden vorming wordt mondigheid gereduceerd tot te problematiseren gedrag. Mondigheid lijkt de ontwikkeling van kinderen in de weg te staan. Wat wellicht mede ten grondslag ligt aan de wijze waarop het woord mondigheid hier gebruikt wordt, is dat ons hele mens- en wereldbeeld momenteel gebukt gaat onder een bepaald wetenschapsideaal. Onder een bepaald idee van hoe wetenschappelijke expertise de praktijk moet informeren. Goed onderzoek is onderzoek dat oorzaken van gevolgen weet te onderscheiden, dat evidentie aanlevert voor welke oorzaken met welke gevolgen verbonden zijn en dat op grond daarvan bruikbare handvaten aanlevert voor de praktijk. Zo wordt menselijk handelen gereduceerd tot relatief eenvoudig af te lijnen gedragingen.

Gedragsregulering

Voor het domein van opvoeden zijn de gevolgen van die reductie aanzienlijk, zoals het voorbeeld van de vorming illustreert. Opvoeden verschijnt er als het reguleren van gedrag van kinderen. Opvoeden kan netjes verdeeld worden in categorieën van gedragingen (“te mondig”), waarbij er voor elk van die categorieën corresponderend gedrag van ouders past (“een goede manier om met deze mondigheid om te gaan”). Opvoeden wordt niet begrepen als iets dat betekenis heeft voor ons als mensen, maar wordt verengd tot wat kan geplaatst worden in de directe interactie tussen ouder en kind.

Tegelijk wordt de indruk versterkt dat opvoeden vooral betekent dat omgegaan moet worden met problemen van kinderen. Bij voorkeur wordt daar nog een snuifje preventie aan toegevoegd: die opvoedingsproblemen worden best voorkomen. Opvoeden is ‘iets doen’, en dat ‘iets’ staat in functie van een bepaalde doelstelling. Opvoeden is een taak en ouders zijn lerende subjecten. Ze kunnen leren met dat gedrag om te gaan en hun kinderen goed te begeleiden.

Een koe is een koe

De aangeboden vorming is dan ook exemplarisch voor de instrumentalisering van ouders. Ouders worden aangemoedigd om zichzelf te begrijpen als een schakel in een keten van oorzaak en gevolg. Ze moeten op zoek naar de relatie tussen het gedrag dat ze stellen en het gedrag van hun kinderen. Ze hebben de sleutel in handen om daarop in te grijpen en resultaten te boeken. Nadenken over het doel van opvoeden is daarmee geheel verdwenen. Men veronderstelt dat we vandaag allemaal weten wat het doel van opvoeding is, en dat we het allemaal eens zijn over wat dat dan inhoudt. Maar draait het daar precies niet om in het opvoeden: het zich voortdurend afvragen waar we naartoe willen, samen met onze kinderen?

‘Nadenken over het doel van opvoeden is geheel verdwenen.’

Daarmee wil ik niet ontkennen dat ouders of andere opvoeders zich soms zorgen maken over wat kinderen doen en zeggen. Maar waarom dat dan niet benoemen zoals het zich aan ons voordoet? Gaat het hier niet eenvoudigweg om kinderen die onbeleefd zijn en te weinig respect tonen? Waarom dat “te mondig” noemen? Wat is de meerwaarde van een herformulering van iets dat zo bekend is? Vanwaar de terughoudendheid om te zeggen waar het op staat? Alsof er een angst uitspreekt om onze kinderen te schaden wanneer we dat doen.

Opnieuw vertrouwen tanken

Het probleem waar de vorming over gaat is overigens simpel. Het probleem ligt niet in het mondige gedrag van onze kinderen, maar ligt bij ons, ouders, de oudere generatie. Onze houding ten opzichte van kinderen is de afgelopen decennia grondig veranderd. Dat heeft er toe geleid dat we blijkbaar niet altijd meer weten hoe we ons moeten verhouden tegen die nieuwe generatie. Meer concreet, waar precies trekken we grenzen? Het vertrouwen van ouders om hun kinderen in te leiden in de wereld en om daarbij goed en kwaad min of meer duidelijk van elkaar te onderscheiden, wankelt al een tijdje. De expert-cultuur is daar niet vreemd aan. Het zijn experts van allerlei slag die het vertrouwen van ouders ondermijnd hebben om hun kinderen op te voeden. Om in dat opvoeden te handelen als een wijze generatie die met enige ervaring en gezond verstand kan spreken.Furedi, F. (2002), Bange ouders. Opvoeden zonder zorgen, Leuven, Van Halewyck.

‘Opvoeders moeten vooral vertrouwen bijtanken.’

Wat we nodig hebben, is niet de vertaling van wat onze kinderen doen in een “nieuw gedrag” waarvoor aanpak en oplossing bestaan die door een expert worden aangeleverd. Want dat is een reductie tot oorzaak-gevolg-denken. Wat we nodig hebben, is een oude generatie die er terug als oude generatie gaat staan om met vertrouwen op te voeden. Dat vraagt geen nieuw aan te leren aanpak, maar in eerste instantie gezond verstand. Opvoeders moeten vooral vertrouwen bijtanken.

Met andere woorden

Er staan ons ook andere woorden ter beschikking om opvoeden en de ondersteuning ervan ter sprake te brengen. Ik laat me inspireren door de beschrijving die psycholoog Rudy Vandenborre geeft van de ontmoetingsruimten ‘Speelbrug’ en ‘speelOdroom’.Vandenborre, R. (2014), Van aanraakbaarheid rijk. Ontmoetingsruimten voor kleine kinderen en ouders, Kessel-Lo, Literarte.De woorden die Vandenborre gebruikt om die pedagogische praktijken te beschrijven, sluiten niet aan bij het dominante discours. Het zijn woorden die een pedagogisch perspectief op opvoeden en opvoedingsondersteuning bieden, eerder dan een ontwikkelings- , neuro- of gedragspsychologisch perspectief. En hoewel het boek gaat over ontmoetingsruimten voor kleine kinderen en ouders zijn deze woorden vruchtbaar om over opvoeden te spreken.

Cover boek 'Van Aanraakbaarheid rijk'

Vandenborre brengt opvoeden en opvoedingsondersteuning in verband met menswording, samen-leven, wereld, generaties, vrij-maken, gemeenschapsvorming en onvoorspelbaarheid. Gaat het vandaag over opvoedingsondersteuning, dan zijn die woorden minder courant. Zo schrijft Vandenborre: “De opvoeding van kleine kinderen ondersteunen door de menswording bij te staan in het alledaagse van het samen te leven.” Verder heeft opvoeden voor hem te maken met “een uitnodiging om deel uit te maken en deel te nemen aan de wereld” en is het een intergenerationeel verhouden waarbij “volwassenen fungeren als levende limieten”.

‘Opvoeden is een ‘treffen’ tussen mensen.’

Zoiets doet een heel andere werkelijkheid oplichten. Opvoeden is hier geen aanpakken van problemen of het managen van gedrag, maar een kwestie van mensen die elkaar ontmoeten en met elkaar willens nillens samenleven. Ouders verschijnen hier niet als uitvoerders van bepaalde gedragingen in functie van bepaalde uitkomsten, maar als mens in relatie tot een ander mens. Dat betekent dat ze hier verschijnen als een voorbeeld van mens-zijn en van een bepaalde manier van leven. Opvoeden is een “treffen” tussen mensen. In dat “treffen” staat de oude generatie tegenover de nieuwkomers als “plaatsvervangers van de wereld”.Arendt, H. (1961/1994), Tussen verleden en toekomst. Vier oefeningen in politiek denken, Leuven, Garant.Zo’n treffen is dan ook altijd doortrokken van betekenis, verwachtingen, hoop, frustraties, vreugde, verdriet, kortom: van alles wat de menselijke natuur eigen is.

Ouders als managers

Er is geen andere mogelijkheid dan dat we ons als ouders daar tegenover verhouden. Het willen controleren is één mogelijkheid, bijvoorbeeld door het in hokjes op te delen en aan elk hokje een aanpak te koppelen. De wijze waarop we vandaag in onze samenleving opvoedingsondersteuning organiseren, biedt veel gelegenheid om ons via dat hokjesdenken te verhouden tegenover opvoeden. Het overgrote deel van de hedendaagse opvoedingscultuur is gebaseerd op de idee dat ouders de controle moeten houden over het opvoeden. Goed ouderschap is de situatie kunnen overzien, de verschillende aspecten van die situatie weten te plaatsen, kortom de zaakjes kunnen ‘runnen’.

‘De idee van controle over opvoeding, werk of onze relatie is een illusie.’

Maar zo’n opvatting over goed ouderschap is meer een uitdrukking van een bepaald maatschappelijk idee van wat het vandaag betekent om mens te zijn dan een juiste weergave van wat opvoeden eigenlijk is. Net zoals we verwacht worden om elk ander aspect van ons leven te managen, en om elk van die onderdelen mooi te overzien en een plaats te geven in ons leven, worden we als ouders verwacht om het opvoeden van onze kinderen te managen. Opvoedingsondersteuning helpt ouders om dat managen zo goed mogelijk te doen. Maar de idee van controle over opvoeding, werk of onze relatie is een illusie. De rijkdom van een menselijk leven ligt in de confrontatie met iets onverwachts en de worsteling met de moeilijkheden ervan gevolgd door hoop. Die boeiende en moeilijke complexiteit geldt ook voor opvoeden. De existentiële afwezigheid van ware betekenis en van een zeker antwoord is wat opvoeden tot opvoeden maakt.

Alledaagse samenleven

Opvoedingsondersteuning moet vooral plaats en betekenis geven aan dat existentiële gegeven. “Opvoedingsonzekerheid onthalen en bestrijden door de niet-zekerheid te omhelzen en te ondersteunen” noemt Vandenborre dat. Ik trap een open deur in als ik zeg dat er vandaag nogal wat plekken zijn waar ouders voor advies over het opvoeden terecht kunnen. Deze plekken zijn echter maar al te vaak en te gemakkelijk “belast of ondermijnd met objectiverende uitspraken, expertuitspraken of verwijzingen naar wetenschappelijk onderzoek”. Het oogpunt is ouders ondersteunen in het managen van het opvoeden. Maar dat doet de “noodzakelijke vrijheid en onvoorspelbaarheid” die eigen is aan ontmoeting, en dus ook aan opvoeden, teniet.

Met een verwijzing naar Blanchot stelt Vandenborre dat een ontmoetingsruimte een “ontplaatste plaats” of een “ontruimde ruimte” is. Dat lijkt me een mooie omschrijving van elke plek die een pedagogische plek wil zijn. Vandenborre stipt terecht aan dat we vandaag maar al te vaak onze wereld, niet alleen voor kinderen maar ook voor ouders, “ontmogelijken met onze determinaties, onze vaste overtuigingen en plannen, en last but not least, onze goede bedoelingen”. Veel van de plekken voor kinderen en ouders die we kennen, zijn misschien wel plekken om te leren of om de ontwikkeling te stimuleren, maar zijn daarom nog geen pedagogische plekken in de aangegeven zin. Precies omdat er zoveel vastligt – wat het probleem is, wat er moet gebeuren, wat een kind is, wat een goede ouder is, welke de juiste stijl is – is de plek ontmogelijkt of van z’n mogelijkheden ontdaan. Zo’n plek is dodend voor opvoeden. Het ontneemt kansen om het kind bij te staan in zijn alledaagse menswording. Er is geen ruimte meer voor ouders en kinderen om zelf aan de slag te gaan.

Aanouderen

Dat “zelf aan de slag gaan”, is overigens veel minder vaag dan doorgaans gedacht. Hier is de term oefenen op z’n plaats. Maar wat er geoefend wordt, is niet het managen van het opvoeden, maar het samenleven, het vormen van gemeenschap. Opnieuw gebruikt Vandenborre hiervoor woorden die een pedagogische werkelijkheid oplichten. “Het gros van de ouders echter, oudert maar wat aan. Waarmee bedoeld wordt dat ze elke keer opnieuw, in spreken en handelen, zoekend vinden ouder te zijn voor hun kind.” Opvoeden is uiteindelijk een voortdurend vorm geven aan het samenleven: ouders met hun kinderen, oude en nieuwe generatie, “de kinderen als mensenburgers, de volwassenen als ouders en opvoeders.” Daarin staat ook het eigen mens-zijn van de volwassene mee op het spel. Want tastend en zoekend in relatie te staan met je kind, zet een ouder ongetwijfeld wel eens in z’n blootje.

Hier verschijnen ouders en kinderen als gelijken: zowel het nog-moeten-ingroeien-in-het-samenleven van het kind en het voortdurend-moeten-voorleven-van-het-samenleven van de ouder zijn vormen van niet-weten. Dat kan ook positief uitgedrukt worden. Door de woorden die Vandenborre gebruikt om opvoeden te beschrijven als een ontmoeting, verschijnen ouders en kinderen met een gelijk vermogen, met name het vermogen om zelf betekenis te kunnen geven aan de wereld, zelf vorm te kunnen geven aan het samenleven.

Sobere ruimte

Dat ontslaat de overheid niet van haar taak om iets voor ouders en kinderen te doen. Het vraagt veeleer om een heroriëntering. Wanneer ouders het niet meer zien zitten, moet er natuurlijk hulp ingeschakeld worden. Het punt is dat de alomtegenwoordigheid van hulp bij problemen ons er niet toe mag verleiden om opvoeden als zodanig te problematiseren en opvoedingsondersteuning daarnaar te modelleren. Er is ook iets anders dat we voor ouders en kinderen kunnen doen. Ruimtes en plekken voorzien waar bovenstaande ervaringen mogelijk zijn.

‘Wanneer ouders het niet meer zien zitten, moet er natuurlijk hulp ingeschakeld worden.’

Daar is een bepaalde materiële vormgeving voor nodig. Hoe dat er precies uitziet, valt niet in een blauwdruk te gieten. Het is best mogelijk dat de ruimte in gemeente X er anders uitziet dan die in wijk Y van stad Z. Het komt er op aan de ruimte in te richten op een manier waardoor deze niet reeds bezet is. Ook hier geeft Vandenborre een inspirerende voorzet wanneer hij zegt dat er in de ontmoetingsruimtes die hij bespreekt “voor gekozen is om de inkomhal zo sober en banaal mogelijk aan te kleden. Geen felle primaire kleuren, geen kinderboektekeningen die in onze cultuur de kindvriendelijkheid uitschreeuwen.”

Kind is klantkoning

Het klinkt tegendraads maar de hedendaagse kindvriendelijkheid is geen zegen voor ouders. Integendeel, het wijst reeds op een bezetting. Met alles wat vandaag wordt aangeboden over ‘hoe met kinderen omgaan’ en ‘wat kinderen nodig hebben’ wordt het ouders onmogelijk gemaakt om met hun eigen kind bezig te zijn. Nogmaals Vandenborre: “Een grote groep ouders zien we lijden aan een combinatie van kindvriendelijkheid en prestatiedruk. Niet weinig onder hen leren van de diverse sociale ervaringen in de ontmoetingsplaats om hun kind ‘gewoon’ als een kind te zien en minder als een klantkoning.”

‘De hedendaagse kindvriendelijkheid is geen zegen voor ouders.’

Precies daarom is het belangrijk de ruimtes vrij te houden van bezetting. Ik borduur verder op de voorzet van Vandenborre en probeer het concreet te maken: geen balie bij binnenkomst (daar zijn in onze samenleving andere instanties voor), geen rekken met opvoedingsboeken en adviesfolders (omdat deze ouders alleen maar aanspreken als gebruikers en als subjecten met een tekort), wel gewone dingen zoals speelgoed of dagelijkse voorwerpen die ouders en kinderen, haast letterlijk, verbinden omdat ze van hand tot hand kunnen gaan. Vandenborre zelf spreekt ook over “verschillende zitplaatsen, soms in een open kring. […] Dat bevordert de beweging en verplaatsing van de volwassenen. […] Een ‘beweeglijke’ inrichting kan helpen om beweging tussen mensen te stimuleren.”

Zonder uitzicht

Naast concrete inrichting vraagt het ook om een bepaalde houding van de daar aanwezige medewerkers. Die stellen zich niet op als opvoedingsdeskundige, maar bekommeren zich om het vrij houden van de ruimte, zowel fysiek als mentaal. Medewerkers vullen de ruimte niet op met oordelen, adviezen of theorieën. Dat staat in schril contrast met supernanny’s en aanverwanten die doorgaans niet anders doen dan definiëren en kaderen (‘Dit is het probleem’) en onmiddellijk in een dwingende help-modus schieten (‘Zo pak je dat aan’).

Ontmoeten is telkens opnieuw kunnen beginnen, zoals opvoeden heel vaak een opnieuw beginnen is. Enigszins scherp uitgedrukt. Opvoeden gaat noodzakelijk gepaard met een zekere uitzichtloosheid. Dat bedoel ik in een erg positieve, letterlijke betekenis: ‘zonder uitzicht’. Open, niet op voorhand al bepaald en dit zowel voor de ouders als voor de kinderen. De openheid en onvoorspelbaarheid van het niet weten waar naartoe hoort bij opvoeden. Die eigenschap moeten we koesteren.

Reacties [1]

  • Els Van den Buys

    Als ouder, gewezen ouder-begeleider en momenteel lector orthopedagogie ben ik zeer blij om te lezen dat Stefan Ramaekers opnieuw een plaats geeft aan een “ouderwets” stukje: opvoeden als samenleven. Veel goed bedoelde opvoedingsondersteuningsinitiatieven versterken het zelfbeeld van ouders niet, maar geven ouders in tegendeel de boodschap dat ouders niet goed bezig zijn. Veel ouders hebben net nood aan zelfvertrouwen en een minimum aan ‘goede ouder’-ervaringen. De visie op opvoeden als “ontmoeten met een open einde” of “een beetje aanouderen zonder uitzicht” steekt ouders een hart onder de riem.

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.