Fata morgana, fantoom of fout excuus?

Superdiversiteit en witte privileges in Vlaanderen

Docente sociaal werk Bea Van Robaeys begeleidde op de sociaalwerkconferentie de workshop over superdiversiteit. Een aantal reacties op de workshop blijven hangen: “Ik denk dat we op dat podium niet straf genoeg waren.”

superdiversiteit
© Paul Keller / Flickr

Vinger op de wonde

Het blijft klinken in mijn achterhoofd: dat applaus uit de zaal toen een jonge vrouw tijdens de workshop superdiversiteit zich afvroeg waarom we op het podium bijna uitsluitend spraken over etnisch-culturele verschillen. “Er zijn in de samenleving toch meer dimensies die er toe doen, leven met een beperking bijvoorbeeld?”

“We dreigen de vis te verdrinken.”

Het duurde even voor ik de vinger op de wonde kon leggen. Want ja, de vrouw had een punt. Het hele concept van superdiversiteit vraagt net om de klassieke categorisering die mensen onrecht aandoet, te verlaten. Dat was precies waar ik mijn inleiding mee was gestart: het fata morgana van superdiversiteit.

Fata Morgana

Een fata morgana kennen we allemaal van stripverhalen. Een uitgedroogde held ziet in de woestijn plots fonteintjes, zwembaden en palmbomen verschijnen. Een fata morgana is een illusie en finaal is superdiversiteit dat ook: er zijn alleen mensen in hun boeiend veelzijdigheid, gelijkend en ook anders.

De opmerking van de vrouw houdt een risico in. Door bijvoorbeeld mensen met een beperking mee in bad te trekken, trek je de grenzen van het begrip superdiversiteit zo ver op, dat het begrip betekenisloos wordt. Superdiversiteit gaat dan over alle vormen van uitsluiting. We stoppen zo veel in de container dat hij weer leeg wordt. We dreigen de vis te verdrinken.

Vandaar dat ik in wat volgt een pleidooi voer voor scherpte want de etnisch-culturele dimensie achter superdiversiteit is bepalend. Ook in een meer complex begrip van de werkelijkheid gaat het in belangrijke mate over dominante patronen en machtsverschillen.

Kijken naar superdiversiteit vraagt een grote mate van zelfbewustzijn. Als we niet opletten, leiden we onszelf om de tuin. De aandacht verruimen naar andere verschillen, mag geen vrijgeleide zijn om niet langer stil te staan bij dat machtsverschil dat ons zo ongemakkelijk maakt.

Superdiversiteit

Superdiversiteit is een term om de snelle veranderingen en de diversiteit in onze omgeving te vatten. Waar we vroeger beroep deden op éénduidige categorieën zoals Belgen, Marokkanen of Turken, vertelt superdiversiteit dat we nog veel meer kunnen en moeten zien: de diversiteit in de diversiteit.

“Er is een voortdurende stroom van verandering.”

Het gaat immers niet alleen over etniciteit. Ook gender, migratiegeschiedenis, generaties, leefwijzen, socio-economische achtergrond en levensbeschouwing spelen een rol.

Hoe we onszelf en de andere begrijpen, wordt dus complexer. Er is geen landkaart waar we al deze gecombineerde verschillen op aanduiden. Er is alleen een voortdurende stroom van verandering: van mensen, van veranderingen in mensen, in groepen, in belevingen, in identiteiten, in ruimtelijke en sociale structuren, in machtsverhoudingen.

Superdiversiteit als fata morgana: wanneer je mensen die van je verschillen echt benadert, kom je een unieke mens tegen.

Fantoom

Superdiversiteit is ook een fantoom, nog zo’n begrip in de familie van illusies. Maar fantoom betekent nog iets heel anders. Het verwijst naar een model van een lichaamsdeel waarmee studenten geneeskunde kunnen oefenen voor ze met patiënten aan de slag gaan.

“Superdiversiteit is ook een fantoom.”

Ik denk dat superdiversiteit zo’n fantoom is. In een omgeving die divers is, zijn we debutanten. We moeten oefenen om verschillen echt te leren zien, om echt in dialoog te gaan met andere mensen. We moeten flexibel leren zoeken naar een oplossing die werkt voor de unieke mens die je als sociale professional voor je hebt.

We zijn allemaal leerlingen. We leven letterlijk in een heel andere wereld dan 30 jaar terug. Het is begrijpelijk dat we trillen door de snelheid van verandering. Over sommige aanpassingen hebben we miljoenen jaren gedaan: het leren hanteren van werktuigen bijvoorbeeld.

Frontlinie

In de frontlinie van het sociaal werk is die verandering zeer voelbaar. Sociaal werkers voelen zich overweldigd door alle nieuwe input en de veranderende context. Door de complexiteit om op maat hulp te verlenen aan zeer diverse cliënten.

“In de frontlinie is de verandering zeer voelbaar.”

Handelingsvrees lijkt de grootste drempel. Professionals vertrouwen niet meer op hun expertise. Ze hebben schrik om verkeerde vragen te stellen. Ze geraken in de knoop met hun eigen ideologische kijk op het migratievraagstuk. Ze zijn onvoldoende voorbereid en krijgen te weinig ondersteuning om het leerproces veilig door te maken.

Ze ondergaan zoals alle burgers het bombardement aan polariserende beelden waar politiek en media vandaag in uitblinken. Er is bovendien weinig tijd om dit kritisch te analyseren, verzuchtingen te ventileren, gehoord te worden of te luisteren naar al die nieuwe burgers en hun organisaties waarmee het sociaal werk in gesprek moet gaan.

Dominantie

Superdiversiteit is een fantoom en met fantomen moet je oefenen. Fantomen laten ons zien hoe dingen werken en welke mechanismes bijvoorbeeld een spierkramp veroorzaken. Maar er is één mechanisme dat het beweeglijk omgaan met diversiteit belemmert: dominantie.

“Wat is normaal in Vlaanderen?”

Dominantie verwijst naar het beeld van wat normaal is in Vlaanderen: de Vlaming is mentaal en fysiek gezond, hoogopgeleid en een werkende tweeverdiener. Hij is huiseigenaar, blank en seculier. Hij is een vooruitgangsdenker, getrouwd en heeft twee kinderen.

Niet normaal

De norm is niet zo normaal. Maar wie tot de dominante groep behoort, ervaart de norm als natuurlijk en vanzelfsprekend. De dominante groep is niet per se de meerderheidsgroep maar de groep die als normaal wordt beschouwd.

De groep op wie de samenleving het meest is afgestemd, de groep die het sterkst vertegenwoordigd is in leidinggevende posities, de groep die de meeste macht en impact heeft op de samenleving.

“De dominante groep wordt als normaal beschouwd.”

Het sociaal werk is nog steeds afgestemd op deze dominante groep. De norm in een samenleving ontstaat deels bewust maar ook in grote mate onbewust. Net daarom moeten we er zo aandachtig en beducht voor zijn, tenminste als we de missie van het sociaal werk echt serieus nemen.

Nieuw normaal

Superdiversiteit daagt de normaliteit en dominantie uit. De opdracht is om voortdurend ‘een nieuw normaal’ te creëren, een proces dat nooit af is maar voortdurend onderhandeld moet worden vanuit een diep geloof in de gelijkwaardigheid van alle burgers en cliënten, in al hun diversiteit en hun recht op zorg en welzijn.

“Superdiversiteit daagt de normaliteit uit.”

Superdiversiteit vraagt dus om zowel het unieke als het structurele te zien. We moeten deze twee manieren van kijken tegelijk hanteren.

Zoals Hans van Ewijk (2018) het zo mooi zegt: de samenleving en haar gemeenschappen zijn met elkaar verweven in voortdurende constructie. Maar dat verbeelden van de samenleving gebeurt niet volledig ‘vrij’: de bestaande sociale constructies en dominante patronen beïnvloeden altijd retroactief de individuen, hun denkbeelden en de invloed die ze kunnen uitoefenen. Deze bepalen zo ‘what we become as human beings’.van Ewijk, H. (2018), Complexity and Social Work, Oxon/New York, Routledge.

Te braaf

Terugkijkend op de sociaalwerkconferentie denk ik dat we op dat podium niet straf genoeg waren.

We hebben de impact van de dominantie en de onrechtvaardigheid daarvan onvoldoende aangeklaagd, toch op die ene dimensie van etnisch-culturele achtergrond. Ik denk dat wie andere dominanties in de samenleving bestrijdt, de ongelijke kansen voor mensen met een beperking bijvoorbeeld, te weinig erkent dat vele groepen dezelfde strijd voeren, zij het op een andere dimensie.

“De zekerheid dat de dingen zijn zoals ze zijn, moet je achterlaten.”

Superdiversiteit vraagt aandacht voor de verwevenheid van al deze patronen en voor het unieke, maar ook voor de ware aard van dominantie. Bij sommige dimensies is de machtskloof en de doorwerking daarvan op het publieke discours veel groter dan op andere.

Wie met deze complexiteit wil omgaan, zal willens nillens moeten leven met de fantoompijn die verandering met zich meebrengt. De zekerheid dat de dingen zijn zoals ze zijn, moet je achterlaten. Het betekent ook dat je op de juiste wijze met de eigen pijn moet leren omgaan. Pas dan kan je ten volle de pijn van anderen erkennen.

Witte privileges

Ik verwijs hier graag naar de speech van een Zuid-Afrikaanse directeur van een middelbare school in Johannesburg. Bij het afstuderen van de zesdejaars verwees hij naar de spraakverwarring die heerst wanneer het over witte privileges gaat.

“Verwijzen naar witte privileges roept weerstand op.”

Verwijzen naar witte privileges roept snel weerstand, ook in Vlaanderen. Dat komt omdat we het woord linken aan gemak, voortrekkerij en rijkdom. Dat klopt niet met de ervaring van veel ‘autochtone’ Belgen die hard moeten werken om te hebben wat ze hebben en te zijn wie ze zijn.

Zij voelen zich in het defensief gedreven omdat het lijkt alsof het harde werk en de gekende moeilijkheden die we allemaal hebben, niet worden erkend. Velen hebben zich opgewerkt. Dat is zeker waar. En misschien hebben we als samenleving niet genoeg oor en oog voor de geleden pijn en de gebrachte offers.

Een voordeel

Maar dominantie en privileges verwijzen niet naar rijk, gemakkelijk en vanzelf. Ze verwijzen naar een recht, een voordeel waarvan alleen de leden van een bepaalde groep gebruik maken.

Vlamingen mogen zich ‘opwerken’ door zich uit de naad te werken. Mogen anderen dat ook? Vlamingen mogen lessen Chinees of Spaans organiseren om de kansen op de arbeidsmarkt van hun kinderen te vergroten. Mogen mensen met Turkse en Arabische roots dat ook?

“Mogen mensen met Turkse en Arabische roots zich opwerken?”

De Zuid-Afrikaanse schooldirecteur verwijst naar de geschiedenis van zijn blanke familie die zich uit armoede opwerkte: “Ze hebben zich uit de armoede gewerkt. Maar de enige reden dat ze dat konden, was omdat ze blank waren. Hun huidskleur maakte dat hun harde werk tot iets leidde.”

De grote bewondering en liefde voor zijn moeder en de erkenning van al haar offers, verhindert de directeur niet om te overwegen dat wat zijn moeder professioneel bereikte, mee het gevolg was dat ze niet met 10.000 andere sollicitanten in competitie hoefde te gaan, maar slechts met twintig andere ‘witte’ concurrenten.

Scheef verdeeld

Het leven van autochtone Belgen is niet gemakkelijk, noch het leven van mannen, hooggeschoolden of werkenden. We kennen allemaal de menselijke conditie, we verliezen dingen en mensen die ons nauw aan het hart liggen.

“Sommige groepen krijgen meer waardering.”

En toch is er een verschil tussen groepen: de voordelen zijn scheef verdeeld. Voor wie zich aan de juiste kant bevindt, is het moeilijk de wereld van onderuit te zien. Het is wat je altijd gekend hebt. Het is alsof je een vis zou vragen om het water waarin hij zwemt, op te merken.

Maar mensen zijn geen vissen. Wij hebben de capaciteiten om het water wel te zien, als we er ten minste aandacht voor hebben.

Voor sommige groepen wordt er meer gezorgd, is er meer waardering. Sommige groepen hebben het privilege om te kiezen tussen opties, anderen niet. Sommigen zijn onschuldig tot geleverd bewijs, voor anderen geldt dit helemaal niet. Die staat van zijn is het gevolg van processen van uitsluiting en verdrukking.

Strijden

Gevoelsmatig is dit moeilijk want het levert je over aan een staat van machteloosheid. Het roept gevoelens van schuld en schaamte op, die je wil vermijden. Deze gevoelens duw je vervolgens van je weg, door boos te worden, door de eigen inspanningen te benadrukken, de eigen pijn naar voor te schuiven.

“We moeten strijden tegen onrechtvaardigheid.”

Hoe menselijk ook, dit helpt ons als samenleving niet vooruit. We moeten stoppen met het ontkennen van de privileges die we ongevraagd maar ook onverdiend bezitten.

De dominante groepen, en dus ook een meerderheid van de sociaal werkers, moeten eerst en vooral deze privileges erkennen. Laat ons er dankbaar voor zijn. Om vervolgens dit unfaire voordeel in te zetten, er iets mee te doen. Laten we er kracht uit putten om samen met minderheidsgroepen de strijd tegen onrechtvaardigheid krachtiger te voeren dan we nu doen.

De studenten van de A-Raad van de Karel de Grote Hogeschool, dat is een raad van studenten met Antwerpse en andere roots, hebben als leuze: ‘Verbinden is het nieuwe verzet’. Ik vind dat prima. Mijn wens voor het sociaal werk van de toekomst is dat de leuze mag evolueren naar ‘Verbinden is het nieuwe normaal’. Dat we zo gewoon zijn om met, in en tussen verschillen en gelijkenissen te werken, dat we superdiversiteit herinneren als een fata morgana uit het verleden.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen