Boek

Moeten basisscholen kinderarmoede oplossen?

Marie Seghers, Celine Mertens, Katrien De Maegd

Kinderarmoede toont zich op de basisschool. Maar is die school ook vragende partij om armoedebestrijding toe te voegen aan haar lange lijst van opdrachten? Onderzoekers van HOGENT spraken daarover met directies, leerkrachten en sociale professionals.

basisschool

© Unsplash / Christopher Ryan

Kroongetuigen van ongelijkheid

Hoe kinderen op school functioneren, hangt ook af van hun thuissituatie. Kinderen die in armoede leven, hebben het moeilijker om zich op school goed te ontwikkelen. Financiële zorgen werpen hun schaduw op schoolprestaties.

Niet iedereen heeft dezelfde mogelijkheden om te voldoen aan schoolse verwachtingen. De coronapandemie en het noodgedwongen afstandsonderwijs toonde nogmaals het verschil tussen kinderen die een studeerruimte, laptop en internetverbinding hebben en zij die hier niet over beschikken.

‘Financiële zorgen werpen hun schaduw op schoolprestaties.’

Scholen zijn kroongetuigen van die ongelijkheid: ze botsen op lege brooddozen of onbetaalde schoolfacturen. Kinderarmoede stopt niet aan de schoolpoort, maar stapt mee de klas binnen.

Aan de schoolpoort

Daarom is de schoolpoort uniek: hier passeren alle gezinnen. Voor sommige ouders en kinderen zijn scholen zelfs het enige aanspreekpunt.

Hier komen verhalen samen die elders moeilijk hun weg vinden: getuigenissen over dure leermiddelen, ontoegankelijke vrijetijdsactiviteiten, geweigerde asielaanvragen of dreigende uithuiszettingen. Voor gezinnen in kwetsbare situaties is de school een laagdrempelig aanspreekpunt, een belangrijke toeleider en mede-ondersteuner.

Ook welzijnsdiensten zoals OCMW’s, Centra voor Algemeen Welzijnswerk of Huizen van het Kind beseffen dat scholen een belangrijke bondgenoot zijn in de strijd tegen kinderarmoede.

Een opdracht voor de school?

Vanuit welzijnsperspectief wordt stevig aan de mouw van de school getrokken. Maar ze weet niet altijd hoe te reageren. Die vaststelling raakt een cruciale vraag: horen die welzijnstaken tot de opdracht van de school? We vroegen aan directies en leerkrachten van basisscholen hoe ze dat zelf zien.

De meeste scholen ervaren het oppikken en aanpakken van welzijnsproblemen van gezinnen als een noodzakelijke opdracht, ook al hoort ze niet tot hun kerntaken. Deze scholen investeren in een breed partnerschap met gezinnen, niet alleen om leerprocessen vlot te laten verlopen maar ook om een aanspreekpunt te zijn voor ouders en kinderen.

Bereikbaarheid en toegankelijkheid zijn dan belangrijk, zo stelt deze directeur van een basisschool: “Ik noem de school vaak het huis van vertrouwen. Door onze lage drempel kloppen mensen hier vaak met allerlei vragen aan. Ze vinden hier makkelijk iemand waarbij ze terechtkunnen.”

Noden zien en opvolgen

Dat enthousiasme klinkt aanstekelijk. Toch heeft niet elke basisschool voeling met de leefwereld van kwetsbare gezinnen. Heel wat schoolteams hebben het moeilijk om met ouders in gesprek te gaan over gevoelige thema’s zoals basishygiëne of verwaarlozing. Ondersteuningsnoden blijven onder de radar en de school installeert zelf ook onbewust uitsluitingsmechanismen.

Slaagt de school erin om die signalen op te pikken, dan is de vraag hoe ze die moet opvolgen. Hoe ver dat kan gaan, blijft onduidelijk. Minimaal informeren scholen ouders over het welzijnsaanbod en verwijzen ze hen door.

‘Leerkrachten zijn geen hulpverleners.’

Sommige scholen gaan veel verder: vanuit een betrokkenheid gaan ze samen met gezinnen op zoek naar gepaste hulp en ondersteuning buiten de schoolmuren. Deze geëngageerde schoolteams botsen onvermijdelijk op grenzen. Dat is logisch: leerkrachten zijn geen hulpverleners. Weten waar je eigen professionele expertise ophoudt en anderen aan zet zijn, is belangrijk.

Een OCMW-medewerker bevestigt dat: “Strikt genomen heeft de school geen opdracht rond het werken aan armoede. Maar omdat dit probleem zich ook binnen de schoolpoorten manifesteert, kan de school niet wegkijken. Dat is enkel werkbaar als de school de verschillende sociale organisaties en welzijnsdiensten in haar buurt beschouwt als partners.”

Een uitdagende samenwerking

Samenwerken is de boodschap. Onderwijs en welzijn zijn twee verschillende werelden die elkaar kunnen versterken. Maar dan moeten eerst enkele hindernissen weggewerkt worden.

Welzijnsdiensten en sociaalwerkorganisaties worden aan de schoolpoort niet altijd met open armen ontvangen. Ze willen graag hun expertise op vlak van armoede en uitsluiting binnenloodsen, maar botsen op de kwetsbare plekken van scholen. Denk bijvoorbeeld aan een basisschool die nog niet veel kaas gegeten heeft van een diversiteitsbeleid. Niet elke school is bereid die lacune openlijk te delen met externen of de noodzaak ervan te erkennen.

‘Onderwijs en welzijn zijn twee verschillende werelden die elkaar kunnen versterken.’

Sociale professionals passeren vaak langs de schoolpoorten voor eenmalige vormings- en infomomenten. Maar om impact te hebben op het hele schoolteam, is een meer duurzame en structurele aanwezigheid belangrijk. Helaas verkiezen scholen vaak acties die op korte termijn vruchten afwerpen.

Door in te zetten op onderwijs als sociaal grondrecht begeven welzijnsorganisaties zich soms op het terrein van de school. Preventief zetten sommige sociale professionals in op een betere communicatie tussen ouders en scholen. Als het stroef loopt, gaan ze curatief aan de slag door te verhelderen, te bemiddelen. Nu en dan wordt de aanpak of het een advies van de school in vraag gesteld. Dat kan gevoelig liggen en tot  grensconflicten leiden.

Ontgoochelde scholen

Ook scholen hebben wisselende ervaringen met sociale professionals.

Buiten de schoolmuren op zoek gaan naar gepaste hulp en ondersteuning voor kwetsbare gezinnen is niet evident. Het landschap van hulp- en dienstverlening is complex, weinig scholen kennen de sociale kaart.

‘Scholen kijken ook kritisch naar de traagheid van sommige begeleidingstrajecten.’

Als scholen een leerling of zijn gezin toeleiden naar hulp- en dienstverlening, dan vernemen ze graag of daar verder ook iets mee gebeurde. Vaak zijn scholen ontgoocheld over de gebrekkige terugkoppeling. Zonder het beroepsgeheim en het recht op privacy van de gezinnen te schenden, is minimale hoffelijkheid belangrijk bij succesvolle samenwerking. Er is een groot verschil tussen radiostilte en het beknopte maar geruststellende bericht “We zijn er mee bezig”.

Scholen kijken ook kritisch naar de traagheid en vrijblijvendheid van sommige begeleidingstrajecten. “Het mag wat meer vooruitgaan”, is een vaak gehoorde verzuchting van schoolteams. Nu en dan terecht, maar vaak ook ingegeven door onrealistische verwachtingen en een gebrek aan inzicht in elkaars professionele kaders.

Brugfiguren als antwoord

Goed dus dat er verschillende diensten ontstaan die de samenwerking tussen onderwijs en welzijn faciliteren. Die worden vandaag gebundeld onder de brede noemer van ‘brugfiguren’. Deze initiatieven verbinden gezinnen, scholen en sociale professionals met elkaar. Ze maken daarbij vaak gebruik van de school als laagdrempelige vindplaats van kwetsbare gezinnen.

‘Brugfiguren leveren winst op.’

Vanuit opbouwwerk bijvoorbeeld zoeken brugfiguren contact met ouders die hun kinderen naar school brengen. Met een spontane babbel gaan deze ‘schoolpoortwachters’ op zoek naar zorgen en noden. Ze stimuleren en begeleiden het gesprek daarover tussen gezin en leerkracht. Waar nodig verwijzen ze door naar hulp- en dienstverlening buiten de school.

Die brugfiguren leveren winst op: gezinnen voelen zich gehoord, het schoolteam wordt beter ondersteund en sociale professionals kunnen gericht tussenkomen waar nodig. Die positieve dynamiek kan letterlijk grenzen doorbreken. Een sterke illustratie daarvan zijn de welzijnswerkers die op school zitdagen organiseren.

Grenzen aan brugfiguren

Brugfiguren brengen gezinnen, het schoolteam en sociale professionals dichter bij elkaar. Ze zijn van onschatbare waarde voor gezinnen die een duwtje in de rug kunnen gebruiken en orde te brengen in het aantal vragen die ze hebben. Toch moeten we ons hoeden voor een ondoordachte inzet van brugfiguren.

Want waar begint en eindigt de opdracht van zo’n brugfiguur? Brugfiguren kunnen wederzijdse leerprocessen faciliteren, maar moeten die niet overnemen. Het eigenaarschap van gedeelde zorg voor kwetsbare gezinnen ligt bij schoolteams en sociale professionals, niet bij faciliterende brugfiguren.

Moeten brugfiguren de opdracht rond armoedebestrijding overnemen van scholen? Of moeten ze veeleer schoolteams prikkelen en uitdagen om anders naar gezinnen te kijken? Moet een brugfiguur enkel aanklampend werken naar ouders toe of mogen ze ook moeilijk bereikbare sociale professionals een spiegel voorhouden?

Die vragen moeten op tafel komen. Afspraken over opdrachten en verantwoordelijkheden van alle betrokken actoren moeten vanaf de start helder zijn. Duidelijkheid over wat wel of niet tot de opdracht van een brugfiguur behoort is ook een houvast voor de brugfiguur zelf, die voortdurend een evenwicht moet zoeken tussen ouders, scholen en welzijnsdiensten.

Wat met het CLB?

Hebben Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) geen sleutelrol op deze brug tussen onderwijs en welzijn? Voor scholen zelf is dat niet zo evident. Sommige problematieken zoals gezinsarmoede verbinden ze niet meteen aan het CLB. Ze verwachten niet dat het CLB hen hier snel en aanklampend zal ondersteunen.

CLB’s zelf tonen bereidheid om hierin een rol spelen. Of ze dit ook kunnen, hangt af van hoe ze lokaal georganiseerd zijn of er ruimte is voor ‘presentie’ en van de kennis en betrokkenheid van individuele medewerkers.In een vervolgonderzoek gaan we dieper in op de draaischijffunctie van het CLB.

Geen nieuwe koker

Willen we sociale grondrechten garanderen voor kwetsbare gezinnen, dan is samenwerking tussen onderwijs en welzijn noodzakelijk. Toch mag die brug tussen onderwijs en welzijn geen nieuwe koker worden.

Samenwerking moet professionals uit beide werelden uitdagen om vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid breder naar gezinnen te kijken. Elke interactie tussen professionals van onderwijs en welzijn is een kans om van elkaar te leren en perspectieven en verwachtingen bij te stellen.

We noemen dit de interprofessionele reflex, een zelfkritische en betrokken reflectie op wat je voor elkaar en voor de gezinnen kan beteken. Op die manier kan sneller geschakeld worden, kunnen perspectieven en verwachtingen bijgesteld worden en kunnen gezinnen beter ondersteund worden. Want daar is het uiteindelijk om te doen.

Reacties [1]

  • Bérénice Storms

    Proficiat met dit waardevolle onderzoek en mooie artikel. Een interprofessionele reflex is inderdaad bijzonder belangrijk. Kunnen we deze competentie terugvinden op de ECTS fiches van de professionele bachelor opleidingen sociaal werk, toegepaste psychologie, lerarenopleiding, …?

We zijn benieuwd naar je mening!
Blijf hoffelijk, constructief en respectvol

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.