Verhaal

‘Virusuitbraak in woonzorgcentrum is niet noodzakelijk een doodvonnis’

Peter Goris

Naast ervaren huisarts, is Yves Wouters ook coördinerend en adviserend arts van een woonzorgcentrum. Hij werd er al snel geconfronteerd met een corona-uitbraak. Toch snoerden doortastende tussenkomsten en een stevige factor geluk dit coronavirus voorlopig de mond.

CRA-2

Yves Wouters in volledig beschermingspak

Elk woonzorgcentrum heeft een eigen coördinerend en adviserend arts (CRA). Hij ondersteunt het algemeen medisch beleid van het woonzorgcentrum. De CRA komt niet tussen in de individuele zorg. Die gebeurt door de eigen huisarts van elke bewoner. Meestal wordt er in de lokale huisartsenkring bekeken welke collega de taak van CRA wil opnemen.

‘Plots werd basishygiëne een big issue.’

Yves Wouters is al twintig jaar CRA van woonzorgcentrum ‘Bremdael’ in Herentals. Daar wonen 64 mensen, ondersteund door 55 medewerkers. Op het gelijkvloers leven de bewoners met dementie, op de eerste verdieping de anderen.

In pre-coronatijd reserveerde hij enkele uren per week voor overleg met directie en afdelingsverantwoordelijken. Samen stippelen ze het beleid uit rond medicatiegebruik, zorgplanning en levenseinde. Door het coronavirus werd ook basishygiëne plots een big issue.

Flits je eens terug naar begin maart, de startperiode van de coronacrisis.

Yves Wouters: “Er ontstond onrust, vooral door de dramatische berichten uit Italië. We wisten dat er iets op ons afkwam, maar konden de impact niet inschatten.”

“Wel zag je op korte tijd enorme veranderingen. Zo werden er van de ene dag op de andere in de schaduw van de ziekenhuizen triageposten opgestart. Huisartsen moesten daar coronaverdachte patiënten onderzoeken en beslissen of een ziekenhuisopname noodzakelijk was. Een soort voorposten dus om de ziekenhuizen niet meteen te laten ontploffen en individuele artsenpraktijken te ondersteunen.”

“Er werd beslist dat CRA’s geen dragende krachten konden zijn van deze triageposten. Men ging ervan uit dat zij hun handen al meer dan vol zouden hebben in de woonzorgcentra. En dat bleek achteraf de juiste inschatting.”

Je job zag er plots heel anders uit?

“In mijn huisartsenpraktijk moest ik de niet-dringende medische zorg stopzetten. Een patiënt die zich ziek voelde, moest mij eerst telefonisch contacteren. Was er een vermoeden van coronabesmetting, dan besliste ik of de patiënt thuis kon uitzieken dan wel naar de triagepost moest voor verder onderzoek.’

‘Als arts mocht ik niet langer zieke mensen zien: een paradigmashift om ‘u’ tegen te zeggen.’

“Zowel voor mij als de patiënt was dat een vreemde situatie. Als arts mocht ik niet langer zieke mensen zien: een paradigmashift om ‘u’ tegen te zeggen. Huisbezoeken en raadplegingen werden vervangen door telefonisch consult. Vooral in het begin was dat heftig: tijdens één gesprek had ik vaak drie gemiste oproepen. Mensen waren in die eerste weken bang. Bij een lichte hoest of keelpijn vreesden ze meteen corona.”

Wat deed je intussen in het woonzorgcentrum?

“Plots vertoefde ik elke dag in het woonzorgcentrum. Om risicovolle contacten te vermijden, waren mijn collega-huisartsen vanaf half maart niet langer welkom in de woonzorgcentra. Als CRA moest ik daarom de individuele zorg van alle bewoners opvolgen en indien nodig telefonisch bespreken met de betrokken collega-huisarts.”

“In het woonzorgcentrum hebben we snel ingezet op ‘veilig werken’. Op YouTube gingen we zoeken naar video’s over hoe je een schort of mondmasker moet aandoen. Die filmpjes werden dan verspreid onder de personeelsploeg. Maar alles ging razendsnel: enkele dagen later werden we overspoeld door instructies, informatie en berichten.”

‘Plots vertoefde ik elke dag in het woonzorgcentrum.’

“Nog voor de overheid de eerste coronamaatregelen aankondigde, was de deur van ons woonzorgcentrum al op slot. Dat was een straffe toer, zo’n drastische ingreep terwijl pas tien dagen later de eerste bewoner ziek zou worden.”

Dat was waarschijnlijk ook niet de laatste drastische beslissing?

“We bogen ons in deze prille fase al over de optie om alle bewoners te isoleren op hun kamer. Ik vond dat geen goed idee omdat neveneffecten zoals vereenzaming zwaar zouden wegen. Wel namen we ons voor om bewoners met COVID-19 te isoleren op de eigen kamer.”

Voel je bij het nemen van zo’n beslissingen de verantwoordelijkheid die je dan draagt?

“Ik voelde me in deze periode nog meer verantwoordelijk dan anders. Belangrijk is om die verantwoordelijkheid te delen. Je neemt dus beslissingen in overleg en weegt verschillende perspectieven af.”

‘Eigen aan een crisis is dat je vaart moet maken. Afwachten kan letterlijk dodelijk zijn.’

“Eigen aan een crisis is dat je vaart moet maken. Afwachten kan letterlijk dodelijk zijn. Vooral in de beginperiode moet je beslissingen nemen zonder veel informatie of richtlijnen. Gelukkig volgden die snel, niet in het minst vanuit Sciensano. Voor mij was dat een cruciale bron waarin ik elke avond onderdook. Kennisdeling is in de strijd tegen dit virus cruciaal.”

Nog een prioriteit in de strijd: beschermend materiaal voor personeel.

“Dat was een groot probleem. Ook al zou je bewoners maximaal isoleren, dan nog blijven de medewerkers, zonder dat zelf te willen, de zwakke flank. Voor hen moest de deur van het woonzorgcentrum natuurlijk wel openblijven.” 

“We hadden zelf een voorraad van 250 mondmaskers. Met 55 zorgkundigen zit je na een paar dagen door die voorraad heen. In het begin waren we dus spaarzaam. We wisten dat het ergste nog moest komen en schatten toen al in dat er schaarste zou ontstaan.”

“Hadden we van in dit prille begin in alle woonzorgcentra het personeel verplicht om te werken met mondmaskers, dan waren er wellicht minder besmettingen geweest. Maar achteraf is dat gemakkelijk gezegd: de vijand was toen nog niet zichtbaar en mondmaskers te weinig beschikbaar.”

Wanneer dook het coronavirus op?

“Een week nadat de deur van het woonzorgcentrum op slot ging, hadden we nog steeds geen zieken. We dachten dat onze snelle ingreep om bezoek te schrappen voldoende was om het virus buiten te houden.”

“Dat veranderde helemaal toen ik ’s morgens gebeld werd vanuit het woonzorgcentrum met de boodschap dat een bewoonster met ademhalingsproblemen en haar gezonde kamergenote best getest zouden worden. Beiden bleken positief en werden na enkele dagen zo ziek dat ze gehospitaliseerd moesten worden.  Helaas overleed één van hen in het ziekenhuis. De andere bewoonster kon na een week terugkeren naar het woonzorgcentrum.”

Op dat moment neemt het verhaal een andere wending.

“Al snel werden ook vijf andere bewoners ziek. Ze werden getest, drie waren positief. Ze gingen alledrie in kamerisolatie. Ze werden verzorgd door een apart en hoog beschermd team van verpleegkundigen en verzorgenden. Ze droegen allemaal een gezichtsmasker, een FFP2-mondmasker, een netje over het haar, een apart verpleegschort en handschoenen.”

‘Ik wilde alle bewoners testen.’

“Vanaf dat moment kwam ik in een ‘testmodus’. We wisten dat het coronavirus binnengeraakt was, maar niet precies waar. Ik wilde alle bewoners testen. Ook al besefte ik dat dit slechts een momentopname zou zijn en ook tests geen absolute zekerheid geven. Het alternatief was: lijdzaam toezien en afwachten. Dat zag ik niet zitten.”

“Alle bewoners testen was niet evident. In die periode was de richtlijn dat elk woonzorgcentrum vanaf vijf positieve tests moest stoppen met testen en beschouwd werd als besmet. Die richtlijn was er vooral door de relatieve schaarste van testmateriaal. Toch wist iedereen toen al: meten is weten.”

Wat deed je dan?

“Ik zag dat in andere woonzorgcentra het virus ook hard toesloeg. Ik voelde me verantwoordelijk om mijn plan verder uit te werken. Door meer te testen, kon ik gerichter ingrijpen.”

“Na overleg met het plaatselijk laboratorium en de directie van het woonzorgcentrum, kon ik alle bewoners testen. Om dat af te dwingen, maken jarenlange samenwerking, wederzijds vertrouwen en goodwill in crisistijden het verschil.”

’Ongeveer 20 procent van alle bewoners testten positief: dat was schrikken.’

“Zeven zieke bewoners hadden we eerder al getest. Nu kwamen de 57 bewoners zonder ziektesymptomen aan de beurt. Van hen waren er twaalf positief. Ongeveer 20 procent van alle bewoners die positief testten: dat was schrikken. We waren het slachtoffer van een corona-uitbraak middenin een gemeenschap van kwetsbare mensen.”

“Bovendien had ik slechts zicht op de helft van die woon- en leefgemeenschap. Want over het personeel wist ik niets. De volgende dag werden ook zij allemaal getest. Van de 55 testten er 3 positief.”

“Achteraf bekeken, was ook dat een straffe toer: een week voor de eerste woonzorgcentra hun testmateriaal kregen, hadden wij al een brede testing achter de rug.”

Hoe probeerden jullie die uitbraak onder controle te krijgen?

“Een directielid had contacten met een experte op vlak van ziekenhuishygiëne. De volgende dag bezocht zij het woonzorgcentrum. Ze adviseerde om van kamerisolatie over te stappen op cohortering. Voortaan zouden besmette bewoners en personeel wonen en werken op een aparte covidafdeling.”

Dat ging allemaal ontzettend snel.

“Op enkele dagen tijd hadden we alle bewoners en medewerkers getest en opgedeeld in nieuwe afdelingen. Ook die cohortering zou pas tien dagen later een algemene richtlijn worden. Omdat ik wist dat testen maar een momentopname is, toetste ik mijn aanpak af bij ziekenhuisspecialisten en het Agentschap Zorg en Gezondheid. Ze volgden onze werkwijze.”

Enkel een sterke organisatie kan zo’n vaart maken, niet?

“De betrokkenheid en inzet van directie en alle personeelsleden was ongezien. Ik ben fier op wat deze ploeg samen realiseert.”

‘De betrokkenheid van directie en alle personeelsleden was ongezien.’

“Feit is ook dat we zo’n vaart konden maken door niet te wachten op de overheid. Testmateriaal, mondmaskers of externe expertise mobiliseerden we via andere kanalen.”

Knap en doortastend werk maar door de cohortering moesten sommige bewoners wel verhuizen.

“Hoogbejaarde mensen wegrukken van hun vertrouwde kamer doe je niet graag. We moesten inderdaad enkele bewoners en hun kamermeubilair verhuizen. Dat bleef beperkt omdat het geluk in onze kaart speelde: op de gelijkvloerse afdeling waar de mensen met dementie wonen, was er geen enkele besmetting. Die konden allemaal blijven waar ze waren.”

“Op de eerste verdieping creëerden we vooraan een non-covidafdeling, afgesloten van de covidafdeling achteraan de gang. Het schaars beschikbaar beschermingsmateriaal zetten we gericht in op deze afdeling.”

Hoe reageerden bewoners op die cohortering?

“Door van kamerisolatie over te schakelen op cohortering, zetten we verschillende stappen vooruit: virologisch, psychologisch en sociaal. Want zet je besmette bewoners op eenzelfde afdeling, dan vormen ze niet langer een risico voor elkaar. Je kan maar één keer besmet geraken. Niemand moest in afzondering op de kamer. Mensen konden vrij samenleven.”

“Al bij al liep het dus goed in het woonzorgcentrum. We onderschatten de veerkracht van oudere zorgbehoevende mensen. Ze kunnen tegen een stoot en begrijpen best waarom we tijdelijke maatregelen nemen die hen afsnijden van de wereld. En het moet gezegd: voor verschillende bewoners is dat niet zo nieuw. Ook voordien zagen sommigen amper familie en vrienden. Zij zien nu meer zwaaiende kleinkinderen dan ooit tevoren.”

Was jullie aanpak uiteindelijk succesvol?

“Helaas was er voor het cohorteren een corona-geïnfecteerde bewoner overleden in het ziekenhuis, een andere in het woonzorgcentrum. Maar na cohorteren bleven alle bewoners van de covidafdeling gezond. Ook op de non-covidafdeling werd niemand ziek.”

Werd de cohortering inmiddels stopgezet?

“We zijn nu drie weken verder. Vanuit medische oogpunt zou zo’n stopzetting verantwoord zijn: wie besmet was en gedurende die lange tijd geen ziekteverschijnselen vertoont, kan het virus niet meer overdragen. Maar om praktische redenen, besliste de directie om die afbouw nog even uit te stellen.”

“Nu moeten we vooral de bewoners die nog niet besmet zijn goed in het oog houden. De coronawereld zit vreemd in elkaar.”

Je positieve ervaring wordt sterk gekleurd door het beperkt aantal overlijdens.

“Dat heeft ook mij verrast. Met zo’n vroege uitbraak vrees je een slechtere afloop. Dit traject toont dat een virusuitbraak niet noodzakelijk een doodvonnis is.”

‘Een woonzorgcentrum is een makkelijke prooi.’

“Het moeilijke aan deze coronacrisis is dat je het effect van je aanpak niet kan inschatten. Er zijn ook woonzorgcentra die ondanks een gelijkaardige aanpak minder gespaard bleven.”

Die woonzorgcentra gaan nu door een diep dal.

“Zelf voel ik me meer dan ooit emotioneel betrokken bij het leven in het woonzorgcentrum. Afscheid moeten nemen van veel bewoners moet verschrikkelijk zijn. Plots staan kamers leeg. Er is veel verdriet, maar je kan het niet delen of afscheid nemen. Voor medebewoners, medewerkers, familie en vrienden is dit een zware periode die zeker nog naweeën zal hebben.”

De publieke opinie kijkt verontwaardigd naar de overheid. Zij liet de woonzorgcentra te lang aan hun lot over.

“De stelling dat de ziekenhuizen veel aandacht en middelen naar zich toetrokken, is juist. Maar in volle crisis kan de brandweer niet overal zijn. Sommige woonzorgcentra betaalden daar een zware prijs voor. Ik begrijp best dat zij zich in de steek gelaten voelen.”

“Toch is er meer aan de hand. Een woonzorgcentrum is een makkelijke prooi voor een virus. Het is een leefgemeenschap van kwetsbare mensen die zich graag omringt met inbreng van buitenaf: familie, vrijwilligers, schoolkinderen, toevallige passanten. Iedereen moet vlot binnen en buiten kunnen. Enkele weken geleden zagen we dat als een troef, vandaag als een bedreiging.”

Moeten woonzorgcentra een bijhuis worden van de ziekenhuizen?

“Deze crisis toont aan dat je in zo’n gemeenschap voldoende medische expertise aan boord moet hebben. Sterke bruggen bouwen naar de ziekenhuizen is een must. Snel zullen er ook draaiboeken en uitbraakplannen klaarliggen.”

‘Al kunnen we uit deze periode veel leren, we mogen van woonzorgcentra geen ‘steriele’ huizen maken.’

“Maar die investeringen mogen niet ten koste gaan van animatoren en vrijwilligerswerkingen. Want bewoners voelen zich vooral gezond, veilig en geborgen als ze huiselijke warmte ervaren. En de groep van zorgkundigen die in deze periode echt het verschil maakten, moet veel sterker gewaardeerd worden, ook financieel.”

“Ik vind dat veel woonzorgcentra de laatste jaren goed bezig waren. Mocht ik later zelf zorgbehoevend worden, ik zou met veel vertrouwen aanbellen bij een woonzorgcentrum. Al kunnen we uit deze periode veel leren, we mogen van woonzorgcentra geen ‘steriele’ huizen maken.”

Reacties [1]

  • Fons Wuyts

    Indrukwekkend ,pakkend realistisch getuigenis . Om stil bij te worden .
    Minstens een welgemeend applaus en een boost van en voor vele mensen !

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.