Ik had nooit vijf maanden mogen blijven

Onderzoeker blikt terug op opname psychiatrisch ziekenhuis

Elke Plovie is docent en onderzoeker sociaal werk aan de UCLL in Leuven. Twee jaar geleden viel ze uit met een burn-out. Er volgde een opname van vijf maanden. Vanuit haar onderzoek rond burgerschap en participatie blikt ze terug: “Ik kijk erg kritisch naar mijn opname maar er zijn ook mooie dingen gebeurd.”

herstelgericht werken
Elke Plovie © ID / Julie Landrieu

Plots zat ik in de psychiatrie

Iedereen rondom mij zag het gebeuren. Alleen ik niet. De dynamiek van elke dag heeft voor mij veel aantrekkingskracht. Ik zie overal mogelijkheden. Ik zat in een flow.

“Ik zat in een flow.”

Tot ik tijdens een vorming rond groepsdynamica geen kennismakingsspel meer kende. Dat klopte niet. Ik kon ook geen mails meer lezen. Een aantal maanden thuis rusten bracht geen verandering.

Opname

Op een bepaald moment zag ik geen andere oplossing meer dan een opname. Ik dacht dat die me snel weer op de been zou krijgen. Mijn eerste opname was in het crisisinterventiecentrum. Vandaar ben ik naar een diagnose-afdeling gegaan.

“De eerste maanden gebeurde er niets.”

Het voorstel was om daar zes weken te verblijven. Daar kon ik mee leven. Die geplande zes weken werden er uiteindelijk achttien. Om te testen en een diagnose te krijgen.

Alleen gebeurde er de eerste maanden bijna niets. Samen met de andere patiënten ging ik knutselen, sporten of schilderen. Dat bracht rust, was met momenten heel fijn, hier en daar zelfs betekenisvol. Maar al te vaak voelde het aan als bezigheidstherapie in de wachtkamer van het testen. Het was een lange periode van wachten, zonder enig behandelplan. Het kost de samenleving veel geld om vijf maanden in een ziekenhuis te verblijven zonder dat er iets fundamenteels gebeurt. 

psychiatrie
Ik hield een dagboek bij. © ID / Julie Landrieu

Dagboek

Ik hield tijdens mijn ziek-zijn een dagboek bij. Ik moest dingen opschrijven. Schrijven helpt om mijn gedachten te ordenen. Ik ben iemand die veel nadenkt. In mijn hoofd gebeuren veel dingen tegelijk. Het dagboek was een houvast.

“Mijn dagboek was een houvast.”

Er staan veel observaties in het dagboek. Over wat ik voelde en over wat ik rondom mij zag gebeuren. Ik ben gewend om te observeren. Pas nu ben ik in staat om taal te geven aan deze observaties en ze te verbinden. 

Diagnose

Ik werk als onderzoeker rond kracht- en herstelgericht werken maar dat kwam niet aan bod. Integendeel, het medisch jargon heeft de bovenhand en er wordt vooral gekeken naar wat fout zit. Het is natuurlijk een diagnose-afdeling maar ik weet niet of ik het opnieuw zou doen. Ik vond het belastend om vijf maanden alleen maar te kijken naar wat ik niet meer kon.

“Het medisch jargon heeft de bovenhand.”

Uiteindelijk krijg je dan je diagnose. Het grote moment. Daarvoor was ik gekomen. Het zijn assistenten die de boodschap brengen. Toevallig was mijn vaste assistent die dag afwezig, dus was het iemand die ik nog nooit eerder zag. Die vrouw zei als opener: ‘We hebben je intelligentie getest. Ik kan je alvast zeggen dat daar niets mis mee is.’

Ik viel achterover. Ik maakte mij om veel zorgen, maar niet over mijn IQ. Toen had ik door dat ze geen idee had wie er tegenover haar zat. De rest van de diagnose heb ik amper nog gehoord. Later kreeg ik ze op papier mee. En kwam er nog een gesprek met de psycholoog. Hier had ik dus al die maanden op gewacht.

Zorgcontinuïteit

Je diagnose vernemen van iemand die je niet kent en niets over je weet, is niet meteen een pareltje van zorgcontinuïteit.

Die zorgcontinuïteit is een echt zorgenkind. Gedurende een opname heb je als patiënt onwaarschijnlijk veel gesprekken. Met de psychiater, met zijn assistenten, met de verpleegkundigen en allerhande therapeuten. Aan de afdeling is er ook een sociaal werker verbonden. Je doet nog een keer je verhaal. En bij de psycholoog nog een keer. Stap je over naar een andere afdeling of wordt er iemand vervangen, dan begint alles opnieuw.

“Zorgcontinuïteit is een echt zorgenkind.”

Uiteindelijk heb je je verhaal aan twintig mensen verteld, maar daar stopt het dan ook. Enkel de psychiatrisch verpleegkundige zorgt voor een rode draad, maar de beschikbare tijd is beperkt. De verdere opvolging of verbinding is te beperkt.

Doorheen het hele traject heb ik een vaste aanspreekfiguur gemist. Een verpleegkundige die het hele traject volgt. Die niet wegvalt als de opname voorbij is. Iemand die twee keer per week belt om te vragen hoe het gaat. Zo’n figuur had voor mij het verschil kunnen maken.

Geen traject, nog meer wachten

Na mijn diagnose werd ik niet verwezen naar een centrum voor geestelijke gezondheidszorg of een andere afdeling in het ziekenhuis. Dat laatste werd even overwogen, maar ik paste nergens in het juiste vakje. Omdat ook die diagnose niet in één vakje zat. Ik wilde houvast en duidelijkheid maar kreeg die niet. Ik was terug bij af.

“Er is geen sprake van een traject.”

Uiteindelijk schoven ze een lijst met privé-therapeuten naar voor. Die kosten veel geld, maandelijks tot 480 euro. Ik moest zelf bellen voor een afspraak, maar bij die therapeut kon ik pas terecht na drie maanden. Voor een kennismakingsgesprek. Bij een andere duurde het zelfs vier maanden. Opnieuw wachten.

Ondertussen ging ik wel aan het werk, zonder echte behandeling van een therapeut. Na meer dan een jaar in ziekteverlof, had ik nog altijd niet de juiste hulp. En terwijl ik wachtte op hulp, schreeuwde minister van Volksgezondheid Maggie De Block in de krant dat we allemaal zo snel als mogelijk terug aan de slag moeten. Tja.

psychiatrisch ziekenhuis
Ik kijk erg kritisch naar onze geestelijke gezondheidszorg. © ID / Julie Landrieu

Fenomenaal

Ik kijk erg kritisch naar onze geestelijke gezondheidszorg. Maar ik voeg er altijd aan toe dat er ook mooie dingen gebeurd zijn.

“Er zijn ook mooie dingen gebeurd.”

Dan gaat het over mensen die ik ontmoette, patiënten en professionals. Ik maakte er vrienden, allemaal mensen die aanwezig en nabij waren. Mensen waarmee het klikte. Zij hebben mijn herstel in de hand gewerkt. Zij zijn altijd blijven luisteren en mee nadenken. Op belangrijke momenten hebben die iets cruciaals gedaan.

Een verpleegster pakte soms mijn hand vast. Zeker als ik veel stress had. Ze keek me dan aan en zei: ‘Ik denk dat je in bad moet.’ En ze liet het bad vollopen. Zij voelde wat nodig was, doorbrak de afstand, zonder zich op te dringen. Dat is voor mij echte zorg.

Het zijn mensen die aan mijn kant stonden, die me aanvoelden en met me in overleg gingen. Eigenlijk deden ze de job zoals ze moet gedaan worden: van mens tot mens. En toch voelde dat fenomenaal aan. Misschien omdat het zo uitzonderlijk was?

Wij tegen zij

Waarom dat ‘gewone’ zo moeilijk is voor professionals? Ik vind het vreselijk om te zeggen maar sommige artsen en verpleegkundigen waren bang van ons. Ze durfden geen koffiedrinken als we met te veel rond de koffiemachine stonden. Alsof ze schrik hadden dat we iets zouden vragen.

Verpleegkundigen eten apart. Ze vergaderen met de deur toe. Ze zitten in de gang achter glas. Sommigen kunnen vanachter het glas toch verbinding maken. Maar anderen verschuilen zich erachter.

“Zorggevers zetten zich in een expertrol.”

Zorggevers eigenen zich soms een expertrol toe, zeker tegenover zorgvragers. Ik geef zorg, jij hebt zorg nodig. Het is bijna wij tegen zij.

Nochtans weten ze niet allemaal hoe het voelt. Ik had vaak het gevoel dat ik helemaal leeg was. Alle houvast is dan weg. Je weet niet meer wie je bent. En dan zegt zo’n verpleegkundige: ‘Ja Elke, je moet gewoon iets doen’. Maar gewoon iets doen, is niet gewoon. Dat lukt op dat moment niet. Zij begreep echt niet wat ik voelde. 

Regelneverij

Tijdens je opname mag je maar één avond in de week het avondeten skippen. Elke dag om zes uur ’s avonds aten we boterhammen. Je kan dus maar één keer per week met iemand afspreken om buiten het ziekenhuis te eten. Hoe onnozel is dat? Ik heb me daartegen verzet en nu is het veranderd. Dankzij de participatie van patiënten dus.

“Ik voelde me steeds verder vervreemden.”

Ik voelde hoe ik de verbinding met buiten verloor. De bezoekuren zijn totaal niet aangepast aan werkende volwassenen met kinderen. Familie en vrienden hebben het moeilijk om over de drempel van de psychiatrie te stappen. Er is ook weinig ruimte voor fijne activiteiten buiten het ziekenhuis.

Ik voelde me steeds verder vervreemden. Vervreemden van mijn drie kleine kinderen en mijn man, familie, vrienden en collega’s. Ik wist niet meer waar ze mee bezig waren. En als ze al kwamen, dan wilden ze vooral horen hoe het met mij ging. Terwijl ik snakte naar gewone verhalen over het gewone leven.

Vermaatschappelijking

Ook tijdens de schoolvakanties moest ik in het ziekenhuis blijven. Het was herfstvakantie, mijn kinderen waren in verlof en in het ziekenhuis gebeurde niets. Bijna alle therapeuten hadden vakantie. Ik zat daar dus te niksen maar mocht niet naar huis.

“Ik zat te niksen maar mocht niet naar huis.”

Op een ander moment mocht ik niet deelnemen aan een grote stratenloop omdat ik dan therapie zou missen. Toen die dag de therapie toch wegviel, ben ik maar alleen in het bos gaan lopen.

Het belang van vermaatschappelijking, van verbinding maken met ‘buiten’ moet je dus met een korrel zout nemen. Ik voelde dat hulpverleners op de rem gingen staan. Misschien primeerde de bezettingsgraad?

Nabijheid

Gelukkig zijn er ook sociale professionals die het systeem doorbreken. Zij hebben een andere basishouding, een andere manier van zijn.

“Er zijn sociale professionals die het systeem doorbreken.”

Zij maken het verschil. Dat heb ik op een positieve manier laten merken toen ik vertrok. Op mijn laatste dag schreef ik een brief voor de zorgverleners op mijn afdeling, over hoe mijn verblijf was geweest en hoe ze mij het meest ondersteund hebben op de momenten waarop ze zich gewoon als mens opstelden. Ik gaf aan een verpleegkundige een boekje over hoopverlening met de boodschap: ‘Jij doet dat echt, en laat het licht maar schijnen over de rest van de afdeling.’

Mijn psychiater heeft dat ook. Hij maakt verbinding en ruimte, is authentiek en weet wat het hersteldenken inhoudt. De eerste keer dat ik hem aan de telefoon had was er al een klik. Hij zal geen beslissing nemen in mijn plaats. Hij geeft zijn mening maar ik moet beslissen. En dat is moeilijk. Het zou gemakkelijker zijn als hij beslist. Maar zo werkt het niet. Hij zegt duidelijk: jouw beslissing is de juiste beslissing.

Netwerk

Ik begrijp dat het niet evident is om binnen zo’n afdeling netwerkgericht te werken. Door met het netwerk te werken, worden ook de onderlinge verschillen tussen patiënten groter. Wie heeft een netwerk? Wie niet? Wie krijgt veel bezoek? Hoe betrokken zijn je familie en vrienden? Dat ligt gevoelig.

herstelgericht werken
Sommige sociale professionals maken het verschil. © ID / Julie Landrieu

Toch moeten ziekenhuizen meer met het netwerk van een patiënt aan de slag. Tijdens en na een opname is dat netwerk uiterst belangrijk. Je moet daarop kunnen rekenen.

“Ze hebben mijn netwerk nooit in kaart gebracht.”

Tijdens mijn eerste opname, werd mijn man betrokken en zochten we samen naar oplossingen. In de maanden nadien had mijn echtgenoot enkel contact met de afdeling om te horen wat er mis was met mij.

Ze hebben mijn netwerk nooit in kaart gebracht of samen nagedacht wie iets kon betekenen voor mij. Die verantwoordelijkheid ligt volledig bij de patiënt. En ik doe beroep op mijn netwerk, maar het is telkens een gigantische stap die ik moet zetten. Het zou gemakkelijker zijn als men dat netwerk onder begeleiding zou activeren.

Minder mondig

Ze gaven kalmeermiddelen als snoepjes. Je wordt daar echt slecht van, maar sommige patiënten zegden daarover niets. We bleven vaak stil, over wat we voelden, hoe we het vonden op de afdeling, wat we nodig hadden. Maar zo verandert er ook niets.

“Ze gaven kalmeermiddelen als snoepjes.”

Mijn ervaringen met patiëntenparticipatie waren wisselend. In een teamoverleg beslissen de ‘experts’ wat er met jou gaat gebeuren. Je weet dat ze op zo’n moment met het hele team over jou aan het vergaderen zijn. En daar werd ik gewoon hypernerveus van. Omdat ik geen idee had wat ze over mij vertelden en wat ze voor mij zouden beslissen. Mijn stem als patiënt kreeg geen ruimte.

Ik werd in de rol van onwetende patiënt geplaatst terwijl de psycholoog en psychiater zich de rol van expert toebedeelden. Van een overlegmodel, waarbij beide partijen participeren, informatie uitwisselen en samen tot een beslissing komen, is nog lang geen sprake. Terwijl ik sterk geloof in het inbrengen van de ervaringkennis van patiënten, van bij het stellen van de diagnose tot het opstellen en uitvoeren van het behandelplan.

Op niveau van de afdeling en het ziekenhuisbeleid zag ik wel voorzichtige pogingen tot participatie. Maar je voelt dat niet iedereen overtuigd is van het belang daarvan. Het is zoeken om dit in de praktijk van elke dag waar te maken.

Cocon

Mijn verhaal is genuanceerd. De vijf maanden in opname vormden soms een warme, veilige cocon maar waren tegelijkertijd bron van frustratie en verdriet. Al die tijd zag ik een psychiatrie die worstelt: tussen afstand en nabijheid, tussen normaliseren en problematiseren, tussen vertrouwen geven en controle uitoefenen.

“Ik zag een psychiatrie die worstelt.”

Ik zag een psychiatrie die veel te traag in beweging komt als het gaat om het ruimte geven aan de stem van de patiënt, het herstelgericht werken en het betrekken van het netwerk. En een psychiatrie die psychische kwetsbaarheid louter als een individueel probleem benadert en niet kadert als een maatschappelijke kwestie.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen