Column

Afscheid van Mo: ‘Je doet alsof je het gesprek niet hoort’

Kaat Hermans

Kaat Hermans

Kaat Hermans vervelde van straathoekwerker tot signaalwerker binnen de Gentse Dienst Outreachend Werken.

Afscheid van Mo

© OpStap Stad Gent

Mo

Je laat me schrikken wanneer je me vraagt je te bezoeken op de palliatieve. Ik zoek het woord op, voor de zekerheid.

‘Jouw trots laat nu eenmaal geen medelijden toe.’

Mo, hoeveel liever had ik de sms gekregen: “Afspreken aan de Graslei?”, hoewel ik weet dat je daar door de pijn niet meer geraakt.

Met een klein hartje wandel ik het ziekenhuis binnen, naar die mooie en laatste afdeling. Tegelijkertijd, zo jij. Jouw trots laat nu eenmaal geen medelijden toe.

Je ziet er niet helemaal hetzelfde uit. Je wangen ingevallen, je gezicht sterk vermagerd. Een band rond je buik, opgehoopt vocht in een gekke zwelling rond je heupen. Maar wel de Mo die ik ken. Glinsterende ogen, alsof je net iets hebt uitgespookt. Jouw krullen rollen in grijze wijsheid over je hoofd. En je ziet er stijlvol gekleed uit in je joggingpak. Ik ken niemand anders die dat kan.

Jouw petten, die normaal even stijlvol gecombineerd worden, staan niet meer op je hoofd. Ze hangen aan een haakje boven je ziekenhuisbed. Je draagt die petten niet, de fut en de goesting ontbreken. Ze hangen er enkel nog om naar te kijken. Een laatste vertoning.

Lachen om het leven

Terwijl je een sigaret rolt, vertel je me dat je via spoed bent binnengekomen. Dat je daar de boodschap kreeg: “Dat is voor de overkant.”

De palliatieve, met zijn immense kamers en bloemen overal, met zijn boeken en vrijwilligers, met een eigen terras en een frigo vol gratis drank.

‘We lachen om het leven en de absurditeit ervan.’

Je wijst ernaar terwijl we op het terras roken. “Nu ik gestopt ben met drinken, zit ik op een plek waar ik altijd aan bier kan geraken.” We lachen, zoals we lachten in de cinema om een film waar we beide niets van begrepen. We lachen om het leven en de absurditeit ervan.

Schaakmat

“Ik wil leren schaken. Ik ga mee naar de Ardennen en daar wil ik leren schaken”, zeg je plots. We zitten op het terras , jij rokend , ik luisterend. Een beetje verderop zitten twee meisjes te praten met de verpleegster die bij hun papa was toen hij stierf. De verpleegster vertelt dat hun papa alles nog had kunnen doen wat hij wilde.

Mo, jij heerlijk trotse joggingdragende, niet langer Jupiler drinkende man. Je doet alsof je het gesprek niet hoort, de woorden niet in de lucht blijven hangen. Alsof je deze man niet hebt weten sterven, de kamer naast de jouwe niet opeens leeg werd gemaakt. Alsof jij je geen vragen stelt, bang voor het antwoord.

Alsof je de dood nog kan ontzien, terwijl hij jou niet langer ontziet.

Ardennen

“Ik ga mee naar de Ardennen en daar ga ik jou leren schaken en muntthee drinken.” Zeg ik, terwijl ik van jouw woorden een geheugenspelletje maak.

‘Een week later ben je dood.’

Je gniffelt, je hoofd lichtjes ingetrokken, je ogen toegeknepen. In gedachten hang je al boven de kookpotten met verse muntblaadjes en kilo’s suiker. Je tekent lachend een schaakbord op de bestofte terrastafel.

Enkele dagen later vertrek ik met OpStap naar de Ardennen. Jij kan niet mee, wegens te moeilijk, te vermoeiend, te gevaarlijk.

Een week later ben je dood.

Mo, maatje, de munt is ondertussen uitgebloeid. Maar het schaakbord staat nog altijd klaar.

Reacties [1]

  • Najat

    Geen woorden..
    Zo menselijk geschreven 💜
    Oprechte dank!

We zijn benieuwd naar je mening!
Blijf hoffelijk, constructief en respectvol

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.