Column

Bezorgd om Peter

Kaat Hermans

Kaat Hermans

Kaat Hermans vervelde van straathoekwerker tot signaalwerker binnen de Gentse Dienst Outreachend Werken.

Kaat Hermans

© ID / Lieven Van Assche

Peter

Ik krijg een mailtje van het MOBiLteam. Ze maken zich zorgen om Peter.

‘Dakloze mensen zijn als spoken, ze dolen door de stad en gaan dan plots in rook op.’

Peter ken ik nog van de nachtopvang waar ik lang geleden werkte. Hij is een trotse man. Zo één die je in de stad ziet lopen zonder ooit te vermoeden dat hij dakloos is. Die in de opvang om zes uur ’s ochtends opstaat om een douche te nemen en op zijn gemak te ontbijten. Of om je te helpen met het ontbijt klaar te zetten voor de rest.

“Het is niet omdat je dakloos bent, dat je nutteloos bent,” zei hij dan kordaat, terwijl hij de koffie in de thermossen goot.

We zijn bezorgd

Het MOBiLteam ondersteunde Peter. Ze hielpen hem met de stemmen in zijn hoofd, met zijn donkere gedachten. Ze gingen de straat op en zijn woonkamer in. Tot hij plots van de radar verdween. Dakloze mensen zijn als spoken, ze dolen door de stad en gaan dan plots in rook op.

Of ik mee kan uitkijken, is de vraag.

En als ik Peter zie dat ik hem kan laten weten dat ze bezorgd zijn. Dat ze bezig waren met zijn leven op de rails te krijgen. Een referentieadres, een leefloon, een abonnement voor De Lijn. Dat hadden ze allemaal al geregeld.

Nu nog gewoon een dak boven zijn hoofd en wat rust in zijn kop. Juist ja.

Ijskoud en mistroostig

Het is ijskoud buiten, de straten zijn mistroostig en verlaten. De weinige mensen die je tegenkomt, haasten zich de warmte in, blik naar beneden en sjaal rond het gezicht. Ik ben net nog een gast gaan afzetten aan de nachtopvang die in het park lag te slapen. Of toch een poging deed tot.

‘Op de achterste bank zit iemand ineengedoken, met een fort van zakken om zich heen.’

Terwijl ik mijn neus probeer te ontdooien, stap ik bus 39 op. Richting de Blaarmeersen. Dankbaar voor de warmte. Een vrolijke ’biep’ en ik ben bijna thuis. Ik blaas in mijn handen en kijk rond.

Op de achterste bank zit iemand ineengedoken, met een fort van zakken om zich heen.

“Peter?” Hij kijkt verward naar me op. Zijn broek is gescheurd en vuil, net als zijn zakken. Zijn voeten zijn half in sandalen gestoken. Sandalen.

Overleven is een kunst

“Kaat, meiske”, zucht Peter.

Ik wijs naar zijn voeten: “Hebde gij geen kou?”

“Hier niet. En subiet begint de nachtbus te rijden. Gratis chauffage. Allez gratis…” Hij haalt zijn abonnement boven. Het maagdelijk witte plastic staat in schril contrast met de rest van zijn verschijning.

Ik lach: “Het is alleszins goedkoper dan mazout.”

“Haha juist! En warmer dan de dekens van de nachtopvang.”

Hij laat me zien welke busroutes hij uitstippelt om zolang mogelijk gebruik te kunnen maken van die gratis verwarming. Overleven is een kunst. En een voltijdse bezigheid.

Grauwe vingers

Met grauwe vingers strijkt hij over de plooien van zijn busplan en vouwt het terug samen.

‘Ik kom hem regelmatig tegen op de bus. Hij en zijn zakken. Op weg naar huis.’

“Ha, dit is de bus die ik neem op weg naar huis. Dus ik ga u nog regelmatig tegenkomen dan?”, vraag ik opgewekt.

“Zeker. Tgoh, ik wou dat ik dat kon zeggen: op weg naar huis.”

Ik slik.

We zijn ondertussen een jaar later. De straten hebben zich hetzelfde triestige gezicht aangemeten. Peter heeft een sociale woning aan de Blaarmeersen.

Ik kom hem regelmatig tegen op de bus. Hij en zijn zakken. Op weg naar huis.

Reacties

We zijn benieuwd naar je mening!
Blijf hoffelijk, constructief en respectvol

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.