Boek

De kracht van opvoeden

Pedagogisch werkzame factoren in jeugdzorg en onderwijs

Jannes Baert

Dit boek ‘De kracht van opvoeden. Pedagogisch werkzame factoren in jeugdzorg en onderwijs’ is het verslagboek van een congres. Hierdoor lijkt het soms opgewarmde kost.

Eigen kracht

De auteur neemt stelling tegen het feit dat ouders langs alle kanten bestookt worden met opvoedkundige adviezen. Het lijkt wel of ze niet op eigen kracht kinderen kunnen opvoeden.

‘Ouders worden bestookt met adviezen.’

Het alternatief is een pedagogiek die mensen niet onnodig afhankelijk maakt. Een pedagogiek die hen bewust maakt van hun eigen kracht als opvoeder. En dat is een nobel streven.

Het boek zoomt in op belangrijke ontwikkelingsdomeinen van kinderen en geeft aan hoe ouders pedagogische krachten kunnen aanwenden om problemen te voorkomen en te verhelpen.

Ongenuanceerd

In zijn inleiding brengt van der Doef een aantal thema’s aan die binnen de verschillende bijdragen van de andere auteurs aan bod komen. Deze worden echter nogal ongenuanceerd voorgesteld.

Twee voorbeelden. Er kan kritiek gegeven worden op het motto ‘meten is weten’, maar dit gebeurt heel zwart-wit. Alsof alle meten slecht is. En wanneer ouders twijfelen aan zichzelf als opvoeder en de opvoeding willen overlaten aan professionals, is dit volgens de auteur te wijten aan de neiging van professionals om diagnoses te stellen en cijfers te verzamelen. Hierbij gaat hij voorbij aan de maatschappelijke evoluties die dit mee bepalen.

De ongenuanceerdheid waarmee hij tendensen formuleert, doet hun waarde verloren gaan. Spijtig, want enige relativiteit wekt interesse in plaats van af te stoten.

Veralgemeningen

Verder in het boek gaat van der Doef in tegen de wetenschap waar het meten centraler staat dan het weten. Terecht, maar wanneer hij stelt dat hulpverleners te vaak meteen beginnen te meten, in plaats van met ouders in gesprek te gaan over de eigen ervaring, gaat hij uit de bocht.

‘Dit boek biedt weinig diepgang.’

De lezer met wat gezond verstand die meten louter als een hulpmiddel ziet, vindt in dit boek vooral veralgemenende uitspraken die weinig diepgang bieden.

Tegenstelling

Jo Hermanns wijst in zijn bijdrage op een tegenstelling. Enerzijds doet Nederland het in diverse statistieken zeer goed op vlak van onderwijs, voorkomen van agressie, gedragsproblemen, einddiploma’s… Anderzijds is er een extreem hoog zorggebruik bij de jeugd zodat voorzieningen een jaarlijkse groei van 5% tot 10% kennen.

Dit overgebruik van zorg wordt sterk in de verf gezet via een aantal dooddoeners en zonder degelijke argumentatie. Gelukkig schrijft hij letterlijk dat voor sommige kinderen gespecialiseerde zorg nodig blijft. Hij geeft echter geen aanwijzing over welke kinderen het dan wel zou gaan.

 ‘Als lezer blijf je op je honger.’

In het ‘wraparound care-model’ dat hij beschrijft als alternatief voor het diagnose-behandelmodel wordt specialistische hulp alleen ingeroepen “als het echt nodig is”. Maar ook hier krijgen we geen verdere uitleg.

Hermanns pleit voor “het herstel van het gewone leven”, maar ook hier blijven we als lezer op onze honger wat hij hiermee bedoelt. Het komt bij mij over alsof hij uitgebreid kritiek geeft op gespecialiseerde hulp zonder een alternatief uit te werken.

Weinig argumenten

In het deel over “Hulp bij ontwikkelingsachterstanden” verwijst Martine Delfos naar onderzoek rond factoren die het effect van therapie beïnvloeden. Hieruit blijkt dat relationele factoren voor 30% het effect mee bepalen. Op basis van deze gegevens besluit ze zonder verdere uitleg dat “de opvoeding de grote kracht moet zijn in de hulp aan een kind”.

Dit soort snelle en ongenuanceerde conclusies komt voor de lezer toch niet als serieus over. Ook haar andere stellingen worden weinig geargumenteerd en lijken tendentieus.

Kind en badwater

Er volgen nog enkele teksten van andere sprekers, die onder meer ingaan op onderwijs. Afsluiter Pijnenburg brengt wel meer nuancering aan. De verandering die nodig is op het vlak van het erkennen van werkzame factoren in de jeugdzorg is volgens hem al ingezet en moet verder ondersteund worden.

‘Pijnenburg brengt meer nuancering aan.’

Hij pleit voor een integratief model van werkzame factoren. Elke vorm van ‘monisme’ is uit den boze. Het gaat niet alleen over de basishouding van de professional (micro-niveau), maar ook over netwerken tussen instellingen (meso), het beeld van de jeugdzorg in de media, in opleidingen en op maatschappelijk vlak (macro).

Als lezer heb ik het gevoel dat dit congresboek vooral bedoeld is als ondersteuning van een ander boek van de auteur. En dat is niet productief. Zeker omdat standpunten zo ongenuanceerd en beperkt beargumenteerd worden. Op die manier is dit boek geen verrijking voor de lezer. Ik heb de indruk dat men daardoor al te vaak het spreekwoordelijke kind met het badwater weggooit.

Reacties

We zijn benieuwd naar je mening!
Blijf hoffelijk, constructief en respectvol

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

De kracht van opvoeden

Pedagogisch werkzame factoren in jeugdzorg en onderwijs

Peter van der Doef (red.)

Amsterdam | SWP (verdeeld door epo) | 2012 | 128 p