Wooncrisis heeft perverse effecten op mensen in armoede

Beleid moet toelaten erop vooruit te gaan

Veel mensen in armoede hebben geen toegang tot degelijke en betaalbare woningen. Ze kunnen niet kiezen hoe, met wie of waar ze wonen. Het verslag ‘Burgerschap en Armoede’ van het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting legt pijnpunten bloot en formuleert oplossingen.

Wooncrisis
© Flickr/Diarmuid

Veilige plek

Een degelijke en betaalbare woning is een noodzakelijke voorwaarde om een volwaardige burger te kunnen zijn. Het hebben van een adres opent de deur naar verschillende rechten. Daarnaast is een (t)huis een veilige plek van waaruit mensen zich als burgers in de maatschappij kunnen begeven, hun rechten kunnen realiseren en verantwoordelijkheden kunnen opnemen. Voor mensen in armoede is deze voorwaarde niet vervuld.

“Een adres hebben, opent deur naar rechten.”

Mensen in armoede zijn niet alleen de eerste slachtoffers van de wooncrisis, maar ondervinden ook de perverse effecten ervan. Bovendien kunnen maatregelen zich soms tegen hen keren. Ze worden ook gestraft voor de oplossingen die ze zelf zoeken om terug greep te krijgen op hun woonsituatie. Wanneer ze bijvoorbeeld gaan samenwonen om betaalbaar te kunnen huren, kan dat grote gevolgen hebben voor hun uitkering.

Ernstige wooncrisis

De moeilijkheden van mensen in armoede om een goede woning te vinden, zijn gekend. Enkele recente cijfers tonen de ernst van de wooncrisis scherp aan. In Vlaanderen heeft 71% van de huishoudens een eigen woning, maar de ongelijkheid is groot. Bij de 20% van de bevolking met het laagste inkomen is slechts 55% huiseigenaar. Bij de 20% rijksten heeft maar liefst 84% een eigen woning.Heylen, K. (2015), Grote woononderzoek 2013. Deel 2: Deelmarkten, woonkosten en betaalbaarheid, Leuven, Steunpunt Wonen, p. 9.

De lagere inkomensgroepen zijn dus vooral aangewezen op een huurwoning. Maar er is een enorm tekort aan sociale woningen. Daardoor zijn er lange wachtlijsten. Het aantal sociale woningen in verhouding tot de totale woningmarkt bedraagt in Vlaanderen 5,6%. In 2016 werden 142.981 sociale woningen verhuurd. Bijna evenveel huishoudens, 137.177, stonden dat jaar op de wachtlijst.Cijfers van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen.

“Er is een enorm tekort aan sociale woningen.”

Noodgedwongen zoeken mensen met een laag inkomen dus een woning op de private huurmarkt, waar ze op te hoge huurprijzen botsen. In 2013 bedroeg de gemiddelde private huurprijs 562 euro. Bovendien is de prijsstijging in Vlaanderen tussen 2005 en 2013 het hoogst voor de onderste lagen van de private huurmarkt en de kleinere wooneenheden. Ze raakt vooral de huishoudens uit de laagste inkomensgroep. Heylen, K. (2015), Grote woononderzoek 2013. Deel 2: Deelmarkten, woonkosten en betaalbaarheid, Leuven, Steunpunt Wonen, p. 15-18

Erbarmelijke woonomstandigheden

Bijna een derde van de mensen met een armoederisico moet zich tevreden stellen met een woning van slechte kwaliteit. Dit heeft niet alleen gevolgen voor hun gezondheid, maar raakt ook aan hun gezinsleven.

Vanwege erbarmelijke woonomstandigheden kunnen ouders bijvoorbeeld aangesproken worden op hun bekwaamheid om hun gezin te onderhouden en hun kinderen op te voeden. Wat betekent het als diensten van ouders eisen dat ze een correcte huisvesting vinden als voorwaarde om hun geplaatste kinderen terug te krijgen, terwijl de ouders al jaren op een wachtlijst staan voor een sociale woning?

“Worden de beschikbare middelen wel goed ingezet?”

Tegelijk stellen we vast dat 2% van de woonsubsidies naar de private huurmarkt gaat, 14% naar de sociale huurmarkt en 84% naar eigenaars-bewoners.Heylen, K. (2016), Woonsubsidies in Vlaanderen. Verdelingsanalyse voor 2013, Leuven, Steunpunt Wonen, p. 66Alle cijfers wijzen in dezelfde richting: de beschikbare middelen worden niet optimaal ingezet in functie van het grondwettelijk recht op behoorlijke huisvesting.

Investeren en bouwen

Dit structureel probleem vraagt om een structurele oplossing. Er moet prioritair en versneld werk gemaakt worden van een groter aanbod van betaalbare en kwaliteitsvolle woningen, zowel op de sociale als de private huurmarkt. De overheid moet versneld investeren in de bouw en renovatie van sociale woningen.

“Dit structureel probleem vraagt om een structurele oplossing.”

Tegelijk moeten huishoudens op de wachtlijst een beroep kunnen doen op een huurpremie. En er moet in de private huur huurprijsomkadering komen op basis van de woonkwaliteit en samen met instrumenten voor huurgarantie. 

Uitsluitingsmechanismen

Dat zal niet alles oplossen. Want er is nog meer aan de hand op die woonmarkt. De wooncrisis heeft enkele perverse effecten die mensen in armoede als eerste treffen. Door het tekort aan sociale woningen, werden de laatste jaren de toegangsvoorwaarden verstrengd. Zo werden gedragsvoorwaarden ingevoerd en aangescherpt. Denk bijvoorbeeld aan de invoering van de vereiste om Nederlands te kennen.

Ook de eigendomsvoorwaarde voor sociale huurders werd verstrengd. Vroeger mocht een sociale huurder geen woning volledig in volle eigendom of vruchtgebruik hebben. Nu is ook gedeeltelijke volle eigendom of vruchtgebruik niet langer toegelaten.

“Op de private markt leidt woningtekort tot discriminatie.”

Op de private huurmarkt zorgt het woningtekort voor selectie en zelfs discriminatie. Omdat ook hier de vraag groter is dan het aanbod, dienen zich vaak veel kandidaat-huurders aan waartussen de verhuurder kan kiezen.

Huurwaarborgfonds

Voor eigenaars is betaalzekerheid een doorslaggevend criterium is. Dat is begrijpelijk. Maar soms is sprake van discriminatie op basis van vermogen en herkomst van het inkomen.Interfederaal Gelijkekansencentrum (2014), Diversiteitsbarometer Huisvesting, Brussel, Interfederaal Gelijkekansencentrum, p. 187

Er zijn eigenaars die een bewijs vragen van een arbeidscontract van onbepaalde duur en een bepaald inkomen per maand. Of die geen huurwaarborg aanvaarden die betaald wordt door het OCMW. De huurwaarborgregeling heeft nochtans net de bedoeling om de toegang tot de huurmarkt te vergemakkelijken. Door mechanismen als stigmatisering en verschillende toepassing mist het echter haar doel.

“De huurwaarborgregeling mist haar doel.”

Een centraal huurwaarborgfonds kan hier een oplossing bieden. Het verhoogt de toegang tot huren zonder te stigmatiseren. Tegelijkertijd moet de strijd tegen discriminatie aangebonden worden. Bijvoorbeeld door bestaande maatregelen, zoals het afficheren van huurprijzen, toe te passen.

Uithuiszetting door onbewoonbaarheid

Er zijn ook regels die zich tegen huurders kunnen keren. Zo kunnen maatregelen, bedoeld om een minimale woonkwaliteit te garanderen, leiden tot een uithuiszetting wegens onbewoonbaarheid. De gewesten hadden in toegankelijke en duurzame huisvesting moeten investeren voor ze van start gingen met grootschalige projecten om de strijd tegen ongezonde woningen aan te binden.

Actoren uit het werkveld kaarten aan dat ze een strijd voeren tegen verkrotting met een burger in armoede zonder hem een degelijke, betaalbare en stabiele herhuisvesting te kunnen aanbieden. De eigenaar wordt aangesproken, de woning wordt normaal gezien in orde gebracht. Maar de burger valt vaak elders terug op hetzelfde type krot aangezien zijn inkomsten hem niet toelaten om beter te betalen. Het is een strijd met twee snelheden en waarvan de huurder niet de begunstigde is.

“Uithuiszetting tast rechten als huurder aan.”

Zo’n uithuiszetting wegens onbewoonbaarheid is niet alleen traumatiserend voor de bewoners. Het tast bovenal hun rechten als huurder aan. Ze hebben immers zelden zelf een fout begaan, aangezien de onbewoonbaarheid meestal te wijten is aan de woning zelf en de nalatigheid van de eigenaar. Bovendien kan de huurder geen beroep of verzet aantekenen en geniet hij minder bescherming dan bij uithuiszettingen opgelegd door de vrederechter.

Daarom is een uithuiszetting na een onbewoonbaarheidsverklaring enkel aanvaardbaar indien de huurder een betere woning krijgt toegewezen. Indien een uithuiszetting zich opdringt omwille van dringende veiligheids- of gezondheidsredenen, moet systematisch en tijdig het OCMW verwittigd worden en moeten er transitwoningen ter beschikking gesteld worden.

Huursubsidie terugbetalen

Wanneer huurders willen verhuizen uit een ongeschikte woning, kunnen ze beroep doen op de huursubsidie. Maar ook die maatregel kan ongewenste gevolgen hebben. Deze subsidie wordt namelijk slechts toegekend wanneer de nieuwe woning aan de kwaliteitsnormen voldoet.

“Mensen vrezen de huursubsidie te moeten terugbetalen.”

Vele mensen vragen daarom de huursubsidie niet aan. Ze zijn onzeker over de woonkwaliteit van de nieuwe woonst. Ze willen het risico vermijden dat ze na een controle de premie zullen moeten terugbetalen of ook de nieuwe woning zullen verliezen.Van Hootegem, H. en De Boe, F. (2017), ), ‘Waarom mensen in armoede hun rechten niet kunnen realiseren’, Samenleving en politiek, nr. 10, december 2017, p. 55-62Deze non-take-up van de huursubsidie moet vermeden worden.

Niet-erkende woonvormen 

Door die problemen op de huisvestingsmarkt zoeken mensen in armoede zelf oplossingen voor hun woonsituatie. Sommigen zoeken een woonvorm buiten de begane paden, zoals wonen op campings, in gemeubelde kamers of kraakpanden. Ook al is het dikwijls noodgedwongen en onvrijwillig, toch kan het een manier zijn voor mensen in armoede om terug greep te krijgen op hun leven.

Veel van deze woonvormen zorgen voor problemen. Ze worden niet erkend, voldoen niet aan de woonnormen of zijn niet graag gezien door lokale overheden.

“Sommigen zoeken een woonvorm buiten de begane paden.”

Ook hier zit een vorm van sociale onrechtvaardigheid ingebakken in het woonbeleid. Het klopt niet dat mensen in armoede die zich bij gebrek aan een kwaliteitsvolle woning richten tot niet-erkende woonvormen, hiervoor gestraft worden. Woonbeleid moet mensen toelaten erop vooruit te gaan.

Samenwonen is geen piste 

Hoewel vormen van co-housing de laatste jaren erg populair zijn, worden mensen in armoede die leven van een uitkering er niet beter van. Als uitkeringsgerechtigden kunnen ze immers niet samenwonen met wie ze willen zonder inkomensverlies te lijden.

Samenwonen is dus geen piste om, ondanks de wooncrisis, betaalbaar en degelijk te wonen. De regelgeving rond samenwonen brengt voor uitkeringsgerechtigden niet alleen rechtsonzekerheid en financiële problemen met zich mee. Het confronteert hen bovendien met verregaande controles die een inbreuk betekenen op hun privéleven.

“De regelgeving verhindert gewone relatievorming.”

Mensen in armoede getuigen bovendien dat de regelgeving rond samenwonen hen verhindert in hun gewone relatie- en gezinsvorming. Bij een prille relatie kunnen ze er niet voor kiezen om, bij wijze van test, samen te gaan wonen zonder een deel van hun inkomen te verliezen.

Wanneer twee uitkeringsgerechtigden ervoor kiezen samen te wonen, verandert niet alleen hun financiële situatie, maar ook hun onderlinge afhankelijkheidsrelatie. Twee alleenstaande ouders die een nieuw samengesteld gezin willen vormen en moeten rondkomen met een leefloon, riskeren de helft van hun gezamenlijk inkomen te verliezen. Dat heeft ook grote gevolgen voor de kinderen in het gezin.

Afhankelijk van inkomen kind

Ouders wiens jongste kind meerderjarig wordt, zien hun inkomen dalen en worden afhankelijk van het inkomen van hun kind om de kosten voor wonen en huishouden te betalen.

Jongvolwassenen die thuis blijven wonen, krijgen een leefloon of uitkering als samenwonende. Die uitkering laat hen niet toe een toekomstperspectief op te bouwen. Voor ouders en jongvolwassenen zit er vaak niets anders op dan dat de jongere een eigen woonst zoekt. Of die er nu klaar voor is of niet. Of die dit kan betalen of niet.

“Ouders wiens jongste kind meerderjarig wordt, zien hun inkomen dalen.”

De regelgeving rond samenwonen zorgt niet alleen voor inbreuken op het recht om een gezin te stichten en op het recht op bescherming van het gezinsleven, het brengt ook ongelijkheden met zich mee. Bijvoorbeeld ongelijkheden tussen mensen met een inkomen uit arbeid en mensen die leven van een uitkering. Of tussen uitkeringsgerechtigden onderling, naargelang ze samenleven met een partner en naargelang de aard en hoogte van diens inkomen of tussen mannen en vrouwen.

Noodoplossingen

Uitkeringsgerechtigden vragen zich terecht af waarom mensen in armoede er niet voor kunnen kiezen om er financieel of sociaal op vooruit te gaan door met familie, vrienden of kennissen samen te wonen, terwijl mensen die werken dat wel kunnen.

“Ze lopen het risico als fraudeur te worden gestraft.”

Om toch enigszins terug greep te krijgen op hun leven, zoeken ze naar noodoplossingen, zoals een postbus huren. Maar er zijn ook vaders die fictief hun gezin verlaten opdat hun vrouw en kinderen het als ‘alleenstaande’ minder slecht zouden hebben.

Maar deze beslissingen verbeteren zelden hun situatie. Bovendien lopen ze het risico als fraudeur te worden gestraft.

Complexe regelgeving

De regelgeving rond samenwonen is complex. Ze heeft betrekking op verschillende beleidsdomeinen zoals de sociale zekerheid, sociale bijstand, huisvesting en fiscaliteit. Die hanteren niet noodzakelijk dezelfde definities over samenwonen.

Ook de bepaling van de inkomens die worden meegeteld bij de toekenning en berekening van de uitkering kan verschillen. Bovendien is de interpretatie en toepassing van de regelgeving binnen elk beleidsdomeinen niet uniform.Steenssens, K. et al. (2016), Aanpassing van de leeflooncategorieën aan de hedendaagse samenlevings- en woonvormen. Een ‘mixed methodverbeteronderzoek’, Leuven, KULeuven, HIVA.

“Niet iedereen hanteert dezelfde definities over samenwonen.”

Deze regelgeving is niet afgestemd op de moeilijke situatie en leefwereld van mensen in armoede, noch op de hedendaagse samenleef- en woonvormen. De rechtspraak kan enkele houvasten bieden. Zo oordeelde het Hof van Cassatie vorig jaar dat er enkel sprake kan zijn van samenwoonst in de context van de werkloosheidsreglementering indien de betrokkenen meer dan enkel een economisch voordeel halen uit het samenwonen. Mensen die dus op hetzelfde adres zijn ingeschreven en daardoor eventueel genieten van een lagere huur, mogen niet aanzien worden als samenwonend, tenzij de RVA bewijst dat ze echt hun leven samen organiseren.Cass., 9 oktober 2017, S.16.0084.N/1.

Solidariteit

Het begrip samenwonen wordt gebruikt voor een veelheid aan gezins-, woon- en leefvormen. De betrokkenen kunnen zich in verschillende socio-economische situaties bevinden. Ook de aard van hun relatie kan verschillend zijn. De regelgeving roept vragen op over de solidariteit die mensen willen, mogen en moeten tonen.

“Voor mensen in armoede is de prioriteit duidelijk.”

Voor mensen in armoede is de prioriteit duidelijk. Elke burger moet, los van met wie hij samenwoont, een menswaardig inkomen hebben dat hem toelaat eigen levenskeuzes te maken. Daarnaast is het belangrijk om, wanneer de huidige regelgeving wordt aangepast, te garanderen dat niemand erop achteruit gaat.

Afschaffen 

Is het niet aangewezen het statuut van samenwonenden kortweg af te schaffen? Het zou goed zijn de kosten en baten daarvan af te wegen. Dit zowel voor de individuele burger als voor de maatschappij.

Het is ook nodig om een debat te voeren over de afschaffing van het statuut binnen de sociale zekerheid. De sociale zekerheid is gebaseerd op een solidaire verzekeringslogica. Wie zijn persoonlijke bijdrage betaalt, krijgt bijvoorbeeld een uitkering wanneer hij zijn werk verliest. Het is onrechtvaardig dat iemand die op dezelfde manier bijgedragen heeft een lagere uitkering krijgt omdat hij samenwoont. Een behoeftelogica hoort niet thuis in een solidair verzekeringssysteem.

Binnen de sociale bijstand, die mensen die geen inkomen hebben een leefloon geeft, gaat men na of iemand behoeftig is. Daar valt een eventueel verschil in behoeften van alleenstaanden en samenwonenden wel te verdedigen. Al zouden de bedragen voor de verschillende categorieën in de sociale bijstand moeten herzien worden. Nu is er geen realistische inschatting van het veronderstelde schaalvoordeel van samenwonen.

Erop vooruit gaan 

Hoewel het recht op degelijke huisvesting in de Grondwet staat, hebben veel mensen in armoede geen toegang tot een degelijke en betaalbare woning. Door allerlei mechanismen op de huisvestingsmarkt en door de regelgeving over samenwonen kunnen ze niet kiezen waar, hoe of met wie ze ergens wonen.

“Laat mensen toe erop vooruit te gaan.”

Mensen in armoede kiezen noodgedwongen voor de minst slechte oplossing. Een beetje beter wonen is vaak een laatste reddingsboei om niet op straat terecht te komen. Om toch nog enigszins als burger te functioneren in de maatschappij.

Het huisvestingsbeleid moet mensen toelaten erop vooruit te gaan. Zolang er geen globaal antwoord op het huisvestingsprobleem gevonden is, moeten de oplossingen die mensen bij gebrek aan beter zelf zoeken, getolereerd en begeleid worden. En dit zonder deze precaire oplossingen op lange termijn te aanvaarden als een alternatief voor fatsoenlijke en betaalbare woningen.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen