Wat ik nou toch heb meegemaakt!

Verslag van een jaar dakloosheid

Wim Eickholt was een jaar dakloos. Hij hield een dagboek bij. “Dit boek is een terugblik op mijn jaar als dakloze. Een pretentieloos verslag van mijn leven in 2015. Hoe ik het ervaren heb in het putje. En hoe ik uit het dal ben gekropen.” Sociaal.Net publiceert een aantal fragmenten.

dakloos
©Nathan Rupert @flickr

Dakloos

Zwerven, leven op de straat, de ultieme vrijheid. Leven zonder bindingen. Leven zonder verantwoordelijkheid. Niet weten wat de dag zal brengen. Mooi bezongen in weemoedige liedjes. De blues van Harry Muskee, Ry Cooder en Tom Waits. Prachtig vormgegeven in ontroerende films als ‘Paris Texas’ en ‘Barfly’. Mooie shots van helden die aan het eind de zonsondergang tegemoet rijden. Ver weg van alles en iedereen.

“De werkelijkheid is rauw.”

Helaas kloppen deze romantische beelden niet. Bukowksi, de schrijver van de roman ‘Barfly’, vertelde dat de vrouw die model stond voor zijn hoofdpersoon Wanda, jong is doodgegaan. Ze overleed vrij snel na het verschijnen van zijn bestseller. Op, gewoon op.

Zo erg eindigt het niet vaak, maar de werkelijkheid van dakloosheid is rauw. Rauwer dan je denkt en kan bevatten als je er niet in geleefd hebt. Voor mij was het helaas ‘learnin’ the hard way’. Dit boek is een terugblik op mijn jaar als dakloze. Een pretentieloos verslag van mijn leven in 2015. Hoe ik het ervaren heb in het putje. En hoe ik uit het dal ben gekropen. Was het allemaal voorbij na 31 december 2015? Nee, de angsten en twijfels zijn er nog steeds. Elke dag. Maar ook kracht. Hernieuwde kracht.

Zondag 1 februari

“Snurk je of ben je een kreuner?”, vraagt de vrouw die de intake doet bij de Sleep Inn op het Jansveld. Huh? Wat er met die info gebeurt is een raadsel. “Je wordt geplaatst waar een bed is.”

Ik vraag of ik een bed vlakbij de deur naar de wc’s kan krijgen. “Ik heb soms moeite om mijn plas op te houden.” En graag een beneden-bed. “Het lukt me niet om op een hoog stapelbed te klimmen. Ik ben nogal instabiel.”

“Je kan vanavond komen”, zegt de vrouw. “Ik heb een beneden-bed voor je. Dichtbij de deur. Kamer A, bed 1 onder. Je spullen berg je op in vak 31.”

Ze zegt dat ik een garantstelling van de gemeente heb. Dat betekent dat ik een maand terecht kan in de Sleep Inn en dat de gemeente mijn bed betaalt. Anderen moeten per nacht afrekenen. Hoe, wat en door wie het is geregeld? Geen idee.

Kamer A

Bed 1 onderin

Vak 31.

Zaterdag 7 februari

Als je gaat slapen, moet je je schoenen met de veters vastknopen aan de beddenpoot. Kleren waar je niet in slaapt, gebruik je als hoofdkussen. Alles wat los ligt is een makkelijke prooi. Spullen onbeheerd achterlaten is altijd tricky. Voordat je gaat douchen in een van de gezamenlijke douches, moet je logistiek goed nadenken. De douchehokken zijn klein en er zijn geen haken. Waar laat je je kleren? Over de deur hangen kan niet. Voor je het weet zijn ze verdwenen.

“Ik sta naakt te glibberen en te klooien.”

Mijn instabiliteit zorgt voor problemen bij het uit- en aankleden na het douchen. Er is geen stoel om me aan vast te houden. Ik sta naakt te glibberen en te klooien om mijn onderbroek aan te krijgen. Als ik val ben ik dik de lul.

Alles is hier smoezelig. De wc’s worden wel schoongemaakt, maar echt hygiënisch zijn ze niet. Sommige gasten pissen zonder gêne in de wasbakken. Pas gebeurde het vlak naast me, toen ik mijn tanden stond te poetsen.

“Ik vind het smerig wat jij doet”, zei ik tegen die man.

“Ja, hallo, die pisbakken zijn goor.”

Waarom zou je wachten op een vrij urinoir als het ook in de wasbak kan?

Maandag 9 maart

Gemor en gescheld in de Sleep Inn. Iemand is zijn rugzak kwijtgeraakt. Een ander schreeuwt dat zijn schoenen gejat zijn.

“Er wordt gestolen door het personeel!”

Het gerucht verspreidt zich snel. Niet bevorderlijk voor de sfeer. Nog meer geruchten, nog meer verhalen. Iemand heeft twee nieuwe overhemden in het cellofaan afgegeven aan de balie. Eentje is zomaar verdwenen. Een tijdje geleden is door een firma uit de buurt een gift gedaan aan de bewoners: tien nieuwe, warme fleecevesten. “Die zijn nooit uitgedeeld”, zegt Joop. “Waar zijn die gebleven?”

Ook ik ben T-shirts en ondergoed kwijtgeraakt, die ik bij de balie in bewaring had gegeven. Het personeel stopt die spullen in je eigen vak achter de balie. Daar mogen geen bewoners komen. Zijn mijn spullen in een verkeerd vak terecht gekomen? Of hebben vaste krachten of vrijwilligers ze meegenomen? Waar of niet waar? Wat moet ik geloven? Al die geruchten werken in ieder geval niet mee aan mijn gevoel van veiligheid.

In Utrecht zijn veel hulporganisaties die zich met daklozen bezighouden. Welke organisatie doet wat en wanneer? Als draaideur-instellingsganger heb je daar misschien kijk op. Maar ik ben een ‘freshman’. Ik weet van niets. Het is één grote brei. Gelukkig heb ik Wendy.

“Welke organisatie doet wat en wanneer?”

Wendy is van team Outreach van de Tussenvoorziening. Dat team begeleidt daklozen bij het vinden van huisvesting, dagbesteding en zorg. Wendy gaat me helpen om stappen te ondernemen. Elke twee weken hebben we een gesprek.

“Heb jij Wendy?”, zegt Bob. “Dan heb je geluk. Een goeie, die doet wat ze zegt.”

dakloosIk heb een neus gekregen voor hulpverleners en vrijwilligers die faken, die niet echt zijn. Zo’n neus ontwikkelt iedereen die dakloos is. Onechtheid ruik je op afstand. Overal kom je ze tegen, bij de gemeente, in de Sleep Inn, bij het Smulhuis. Types waarvan je denkt: daar moet je mee uitkijken, daar kan je niks aan vertellen. Ze zijn semi-begaan.

‘Ik voel met je mee, ik voel het ook zo. Ik begrijp precies waar je mee zit.’

Helemaal niet, lul. Jij gaat zo meteen naar je huisje, naar je lekkere warme bed. Wendy is anders. Ze is hartelijk, ze is geïnteresseerd in Wim. Ze veroordeelt me niet. Ze geeft me het gevoel dat ik een mens ben. Geen hopeloos geval. Wendy is eerlijk. Ze geeft toe dat ze ook niet weet hoe het verder met mij zal gaan en waar ik hierna terecht kan. Ze gaat uitzoeken wat mogelijk is.

Allerlei organisaties passeren de revue. Lister, ’t Groene Sticht, het Leger des Heils, Emmaus, Victas. Het duizelt me. Wat, wanneer, hoe? Hoe kom ik erin?

Kleine stapjes. Wendy weet de weg. Dat ergens aan een toekomst wordt gewerkt, geeft me moed. Hoe vaag en onzeker die toekomst ook is.

Zaterdag 11 april

Nu pas merk ik wat twee maanden Sleep Inn en buiten lopen met mijn lijf en geest hebben gedaan. Mijn voeten zien er niet uit. Overal dikke eeltknobbels. Mijn teennagels zijn verkalkt. Ik ben blij met mijn slippers. Er komt een pedicure om de eeltbulten weg te snijden. Maar normale schoenen kan ik nog steeds niet aan. Verklote voeten en benen.

“Na tien seconden ben ik al ingedut. Leegte.”

Een hoofd vol watten. Enorme moeheid in mijn kop. Ik zak steeds weg. Ook als er lawaai om me heen is. Tijdens een groepsgesprek of als er bezoek is, val ik zomaar in slaap.

Afgelopen zondag kwam vriend Maarten langs om iets aan mijn laptop te repareren. Stilte. Na tien seconden ben ik al ingedut. Gewoon vertrokken. Leegte. Ik ben er wel, maar wie ben ik? Slapen. Langzaam wakker worden. Er is iets gebeurd, maar wat precies?

Waar ben ik? Ik zie grasvelden bomen, lucht.

Rust.

Slapen.

Donderdag 4 juni

Het is nog steeds onduidelijk wat het vervolg is na Juliana-Oord. Hierna kan ik naar de B-afdeling, maar voor hoe lang? Als ik er bij de begeleiders naar vraag, zeggen ze: “Dat weten we niet.” De onzekerheid vreet aan me. Waar kan ik naar toe als ik hier uitbehandeld ben? Wie wil me hebben?

Mijn grootste angstbeeld: weer terug naar het Putje. Terug naar de onbehouwenheid, naar de stank, de leegte. Dagen op straat rondhangen. Steeds slechter lopen. Weer een zombie worden. Weer die chaos in mijn kop.

“Mijn grootste angst: terug naar het Putje.”

Op de afdeling doet het verhaal de ronde dat je er uitgeknikkerd wordt na drie maanden. Geen nazorg. Zoek het maar uit. Hartstikke mooi, maatschappij, dat je drie maanden in mij investeert. Ik hou me aan mijn afspraken. En straks sta ik weer op straat. Dan zijn al die oefeningen die ik elke dag netjes doe, voor niets geweest. Ik weet zeker dat ik dan weer ga drinken.

Ik krijg al een maand geen muntjes meer gestort op mijn bankrekening. Wendy heeft uitgezocht hoe dat kan. Wat blijkt? De Utrechtse dienst Werk en Inkomen heeft verzonnen dat ik nu in Laren woon. Zij hoeven mijn uitkering dus niet meer te betalen. Ik moet in Laren een uitkering aanvragen. Wendy vindt het ook raar. Ze gaat ermee aan de slag.

Ik word er moedeloos van. Ik vraag om hulp en doe mijn best. En dan zijn er regeltjes die alles weer tegenwerken.

Ik ben een balletje in systemen die niet op elkaar passen. Radertje 1 geeft het balletje door aan radertje 2, die het weer doorgeeft aan radertje 3. Door de bezuinigingen draaien de radertjes steeds trager. Ben je als balletje net niet op tijd als radertje 1 radertje 2 passeert, dan moet je nog een rondje meedraaien. Dat betekent wachten tot radertje 2 opnieuw langskomt, zodat je kan overstappen. Maar het duurt steeds langer voordat de radertjes elkaar op het juiste punt treffen. Het gevaar is aanwezig dat je bij het wachten op een volgend radertje weer terugvalt naar de vorige. Die weg staat namelijk altijd open. Dit systeem heet wachtlijst. Als je een wachtlijster bent, moet je stevig in je schoenen staan. Voor je het weet, ben je terug bij af. Ga direct naar de gevangenis. Ga niet langs start. U ontvangt geen tweehonderd euro. Gaat dat mij ook gebeuren? Nog steeds geen bericht over onderdak na Juliana-Oord.

Woensdag 24 juni

Gisteren een intakegesprek gehad voor het Leger. Niels van het Leger des Heils was nogal koel. Uit de hoogte, totaal niet hartelijk. Weer een intake. Weer mijn hele verhaal vertellen. Voor de zoveelste keer mezelf verantwoorden. Ik ben het zat. Jullie weten toch allang wat er is gebeurd? Al die gegevens hebben jullie toch allang?

“Niels wil weten of ik echt clean ben.”

“Wat is je zingeving?”

“Wat is je doel?”

Hou toch op met dat gezeik, ik wil gewoon een kamer. En daarna een huis. Terug de maatschappij in.

Niels wil weten of ik echt clean ben. En of ik dat kan blijven in een omgeving waar de drank op elke straathoek te koop is. Verdomme. Moet ik me weer bewijzen? Hallo, ik heb mijn stinkende best gedaan. Drie maanden niet gedronken. Zie dan hoe gemotiveerd ik ben! Niels vind dat ik onverschillig overkom. Dat ik mijn problemen buiten mezelf leg. Ik kan toch komen.

Zondag 12 juli

Gesprek met Bart gehad. Hij is door het team aangewezen als mijn Pb’er (persoonlijk begeleider). Bart is ex-gebruiker, ervaringsdeskundige. Enthousiasteling, lacht veel. Plezierig persoon, er is direct een klik. Bart legt me de huisregels uit. Je eigen kamer schoonhouden en geen overlast bezorgen. “That’s it.” Geen punt. Dan mijn eigen traject. Het belangrijkste: nuchter blijven.

Bart gaat mij aanmelden bij Jouw Mondzorg. Jouw Mondzorg heeft als clientèle dak- en thuislozen, verslaafden en anderen die ook aan de onderkant zitten.

Toeleiding naar een eigen woonplek. Bart kan me aanmelden bij het Vierde Huis. Dat is een overkoepelende organisatie van woningbouwverenigingen. Ze helpen mensen die zelf moeilijk aan woonruimte kunnen komen. Voordat Bart me gaat aanmelden bij het Vierde Huis, moet hij eerst een beeld van mijn persoon hebben. Of ik me aan afspraken kan houden. Of het lukt om niet te drinken. Of ik zelfstandig kan wonen. Weer een test. Ik heb mezelf toch al bewezen?

Binnen dertig à veertig weken bieden ze me eenmalig een huis aan. Ik mag dat niet weigeren. Dat huis kan in Overvecht Noord liggen. Of op een prettige plek vlakbij het centrum. Ik hoop natuurlijk op het tweede. Ben bang dat het Overvecht of Kanaleneiland gaat worden.

Donderdag 5 november

Mocht mijn plannen op de begeleidersvergadering van het Leger presenteren. Een pepernotenactie. Samen pepernoten bakken en die uitdelen in de buurt. Een smoelenboek met foto’s van de begeleiders. Een wall of fame voor alle oud-bewoners. Filmavonden. Was halverwege mijn presentatie, toen Bart me onderbrak.

“Ik heb een huis voor je.”

“Ik heb een huis voor je.”

“Wat??? Een huis?”

“Ja, een huis, op de Fransestraat.”

Was er stil van.

Gelijk na het eten met Kees en Bart naar de Fransestraat gereden. Bart wist niet welk huisnummer het is. Ik vond het straatje direct fantastisch.

Maandag 16 november

Vanochtend mijn huis bezichtigd. Goed huis. Donkerbruine kozijnen ga ik overschilderen. Lichtblauwe muren ook.

Vanmiddag huurcontract getekend bij Mitros. Dolblij. Zie volop mogelijkheden.

Dinsdag 17 november

Sleutel gekregen van mijn huisje. Ik heb weer een plek. Een eigen plek. Met een wc, een woonkamer, een slaapkamer, keuken, douche. En vooral: een eigen voordeursleutel.

Donderdag 31 december, 23.55 uur

Ik sta op een werf aan de Oudegracht. In de kelder is het oudejaarsfeest van Jeroen. Jeroen is een van mijn oude vrienden met wie ik weer contact heb.

Het is vijf voor twaalf. Dit keer letterlijk.

“Ik breng een toast uit.”

Ik denk na over afgelopen jaar. Hoe anders stond ik er vorig jaar januari voor. Volgens de huisarts was het voor mij toen allang vijf voor twaalf geweest.

Ik heb het gered.

Ik kijk naar de feestvierende mensen. Bekende en ook onbekende hoofden.

Geen glas champagne in mijn hand. Iets fris.

Ik breng een toast uit.

Op een toekomst.

Op mezelf.

Ik ga ervoor.

Gelukkig Nieuwjaar.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen