Achtergrond

Samen dak- en thuisloosheid vermijden

Rebecca Thys, Klaar De Smaele, Birger Blancke

Wie in een residentiële voorziening verbleef en die verlaat, loopt een groot risico om thuisloos te worden. Dit voorkomen vraagt een intensieve intersectorale samenwerking. Het netwerk van betrokken actoren is groot. Dat biedt perspectief.

© Unsplash / Mihály Köles

De moeilijke oversteek

Het verlaten van een instelling is een breukmoment in het leven van veel kwetsbare mensen. De oversteek is moeilijk.De Decker, P. e.a. (2014), De moeilijke oversteek, wonen na een verblijf in de bijzondere jeugdzorg, gevangenis en psychiatrie, Antwerpen-Apeldoorn, Garant.

Het gaat niet alleen over een ‘individuele oversteek’ naar meer zelfstandigheid, maar ook over een ‘structurele oversteek’: van zorg in een residentiële setting naar zorg binnen het model van de-institutionalisering en vermaatschappelijking. Die structurele oversteek vraagt een meer toegankelijke woningmarkt en een betere samenwerking tussen sectoren.

Schurende scharnieren

De cijfers in Brussel zijn hard. La Strada telde in de laatste tien jaar een steeds groter aantal dak- en thuislozen. Tegelijk is de schaarste aan betaalbare huisvesting in Brussel groter dan ooit.

Nochtans staan er 40.000 gebouwen leeg. Waarom zijn er dan nog 4000 mensen dak- of thuisloos? En wat kunnen we met z’n allen daaraan doen? Een hele rist Brusselse organisaties werkt eraan in een netwerk.

‘4000 dak- en thuislozen en 40.000 lege gebouwen.’

De institutionele complexiteit en de aanwezigheid van twee taalgemeenschappen zorgt voor een veelheid van spelers. In Brussel zijn er ongeveer 4000 sociale organisaties en diensten voor huisvesting, geestelijke gezondheid, algemene gezondheid, thuislozenzorg, begeleiding van personen met een handicap, schuldbemiddeling of verslaving. Onderlinge samenwerking is nodig, maar niet altijd eenvoudig. Ze botst nog vaak op ‘schurende scharnieren’.

Brusselse sociale organisaties wachten vaak het initiatief van de overheid niet af. Ze ontwikkelen zelf oplossingen om beter samen te werken of om zelf alternatieve woningen te creëren. Eind vorig jaar organiseerde het Kenniscentrum Welzijn, Wonen, Zorg in samenwerking met de Bico-federatie, de AMA en het Centrum voor Maatschappelijke Documentatie en Coördinatie een netwerkmoment om het over die schurende scharnieren te hebben.

Hoe kunnen we over sectoren heen samenwerken om dak- en thuisloosheid bij het verlaten van een residentiële instelling te voorkomen? Brusselse terreinwerkers deelden hun ervaring.

De thuislozenzorg: een ‘negatieve’ sector

Voor Filip Keymeulen van DiogenesDiogenes organiseert straathoekwerk voor straatbewoners. De straathoekwerkers blijven in contact gedurende gans het parcours, met eerbied voor de integriteit en vragen van de persoon.is het ‘negatieve’ van de thuislozenzorg een eerste schurend scharniertje. In die sector beland je pas in laatste instantie, wanneer het eigen persoonlijk netwerk van familie en vrienden is afgebrokkeld. Maar ook wanneer de deuren van andere sectoren gesloten blijven of vastgeroest zijn.

Dak- en thuislozen hebben geen specifiek profiel. Het enige wat ze met elkaar gemeen hebben, is dat ze geen dak boven hun hoofd of thuis hebben en voor daklozen geldt als gemeenschappelijk element dat ze de publieke ruimte als privéruimte gebruiken. Daarachter schuilt een waaier aan problematieken: psychische kwetsbaarheid, verslaving, een fysieke of mentale handicap, illegaliteit, enzovoort. Het zijn mensen uit alle lagen van de bevolking, mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, alleenstaanden en gezinnen, al dan niet met opgroeiende kinderen.

‘Daklozen hebben geen specifiek profiel.’

Diogenes bereikt vooral daklozen met een verslavingsproblematiek. Dat zij op straat leven is vaak het gevolg van uitsluitingsmechanismen in andere delen van de hulpverlening. Dat is ook zo voor mensen zonder geldige verblijfsvergunning. Oudere dak- en thuislozen die verslaafd zijn of geen papieren hebben kunnen niet terecht in een woonzorgcentrum. Zij komen bij vrijwilligersinitiatieven zoals Poverello of bij de crisisopvang van Samusocial.

Gevangenissen schuren altijd

Nicolas De Groodt van het Werk voor Sociale Wederaanpassing (ORS-WSW)Het ORS-WSW is aanwezig in de gevangenissen met morele, sociale en psychologische hulp. Buiten de gevangenis biedt het specifieke begeleiding aan families en gevangenen tijdens onder meer hun penitentiair verlof.stelt vast dat gevangenissen ontworpen zijn om de scharnieren met andere sectoren zoveel mogelijk te doen schuren. Want ze zijn bedacht om het contact met de buitenwereld zoveel mogelijk te beperken.

Het is niet evident om dan een brug te slaan met sociale diensten buiten de gevangenis. Ook al kunnen zij aanspraak maken op bepaalde rechten. De gevangenis is een plaats van afzondering én van uitzondering. Je moet er onderhandelen over uitzonderingsmaatregelen om de continuïteit van de sociale grondrechten te kunnen verzekeren.

Buiten de lijntjes

Filip Keymeulen ondervindt dat de individuele sociaal werkers het verschil maken. Zij vinden oplossingen door buiten de lijntjes kleuren en diensten ervan te overtuigen om toch hun deuren te openen en de rechten van hun cliënten te doen gelden. Sommige maatschappelijk werkers van het OCMW blokkeren een dossier, terwijl anderen er juist in slagen om een probleem op te lossen.

Muriel Allard van Geestelijke Gezondheid & Sociale Uitsluiting – België (SMES-B) SMES-B is een organisatie in de geestelijke gezondheidszorg die de toegankelijkheid van diensten wil vergroten voor personen met grote kwetsbaarheid en psychisch lijdenbevestigt hoe belangrijk het is dat eerstelijnswerkers hun verantwoordelijkheid nemen om de rechten van kwetsbare Brusselaars te doen gelden.

In de jeugdhulp ziet Grégory Ringoet van Cachet Cachet is een organisatie voor en door jongeren met een ervaring in de jeugdhulp.goede voorbeelden van hulpverleners die het anders willen doen. Zij verschuilen zich niet achter de protocollen, procedures of afspraken. Jongeren weten vaak niet waar te beginnen. Ze krijgen te horen: “Je moet dit, je moet dat”, maar het is veel beter om als hulpverlener samen met de jongere stappen te zetten.

‘Het is beter om samen stappen te zetten.’

Valentine Lebacq van Begeleid Wonen BrusselDeze vzw begeleidt mensen met een beperking zoals autisme, een niet-aangeboren hersenletsel of een verstandelijke beperking.is het daarmee eens. Veel mensen vinden de juiste zorg niet omdat de drempels te hoog zijn of omdat ze niet in een hokje passen. Ze zijn niet welkom in het CAW “want je hebt een handicap en daarvoor moet je naar een andere sector”. De begeleiders van Begeleid Wonen gaan mee op stap. Ze onderzoeken op welke drempels ze stoten en ze gaan na of er wachtlijsten zijn. Dat maakt een groot verschil.

Te schraal aanbod

Filip Keymeulen vindt dat directies en coördinatoren hun sociaal werkers de nodige vrijheid en steun moeten geven. Te veel nadruk op registratie en controle is nefast voor de creativiteit.

Maar hij ziet toch grenzen aan de creativiteit en het engagement van de individuele sociaal werker. Het zorgaanbod is voor sommige groepen heel schraal. Er is bijna geen aanbod voor minderjarige jongeren met drugsproblemen of met een acuut psychisch probleem. En voor ouderen zonder papieren zijn er geen rusthuizen.

Voor hen vindt zelfs de meest creatieve sociaal werker geen oplossing. Door deze hiaten komen mensen op straat terecht.

Recht op wonen moeilijk realiseerbaar

Muriel Allart ziet dat eerstelijnswerkers vaak op structurele grenzen botsen. Het recht op wonen vrijwaren voor de meest kwetsbaren is een heel moeilijke zaak geworden.Dewilde, C., Pannecoucke, I. (2018), ‘De ‘nieuwe sociale kwestie 2.0.’: hoe wonen armer maakt’, in Coene, J. e.a (2018), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2018, Leuven, Acco.De markt van betaalbare woningen is schaars en voor de toegang tot wonen zijn er steeds meer voorwaarden.

‘Als ex-gevangene een woning huren lukt niet.’

Nicolas De Groodt illustreert dit met de situatie van ex-gevangenen. Voor ze vrijkomen kunnen ze geen referentieadres openen. Daardoor kunnen ze ook niet meteen een leefloon krijgen. Een woning huren lukt niet en het risico op dak- of thuisloosheid verhoogt. Het is bijna onmogelijk om je vanuit de gevangenis al in te schrijven op een wachtlijst voor een sociale woning of een sociaal verhuurkantoor.

Een belangrijke belemmering is dat ze een kopie van hun identiteitskaart enkel via toestemming van de griffie kunnen opvragen. Transithuizen zouden een tijdelijke oplossing kunnen bieden. Ze zijn geen doel op zich, maar geven de mogelijkheid om naar duurzamer oplossingen te zoeken.

Veel problemen tegelijk

Meer en meer mensen kampen met meerdere problemen tegelijk. Omdat de toegang tot sociale grondrechten zo complex is, stapelen de problemen zich verder op. Rechteloos op straat komen triggert heel vaak een reeks van psychische problemen.

Veel sociaal werkers voelen zich niet bekwaam of bevoegd om te handelen bij psychische aandoeningen of drugsverslaving. Daardoor worden mensen soms van het kastje naar de muur gestuurd en krijgen ze niet de zorg die ze nodig hebben.

‘Op straat leven triggert psychische problemen.’

Zo wordt iemand met een drugverslaving en een psychische aandoening vaak doorgestuurd naar een psychiater, die de persoon omwille van de verslaving dan weer doorstuurt naar een dokter gespecialiseerd in verslavingsproblematieken. Hulpverleners moeten beter opgeleid zijn om te kunnen omgaan met die opeenstapeling en complexiteit van problemen.

De deur altijd op een kier

Succesverhalen gaan vaak over goede samenwerking tussen sectoren, soms over de regio’s heen. Wat telt is dat de cliënten niet worden losgelaten. Grégory Ringoet van Cachet geeft het voorbeeld van een jongere met een hulpverleningsverleden in Leuven. Hij woont nu in het Brusselse en studeert aan de VUB. Het OCMW van Wemmel liet hem niet los zolang hij naar school gaat, ook al woont hij nu in het Brusselse. Ook de voorziening in Leuven waar hij voordien verbleef, blijft actief betrokken.

Wanneer jongeren toch dakloos worden, gebeurt dat vaak in een periode waarin ze alles alleen willen doen. Deze drang naar zelfstandigheid zou beter moeten worden begrepen. Het is eigenlijk ook een hulpvraag. De hulpverleners mogen deze gasten niet loslaten, door aanklampend tewerk te gaan. De deur zou altijd op een kier moeten blijven staan.

Expertise delen

Begeleid Wonen Brussel kan slechts een beperkt aantal cliënten begeleiden. Om wachttijden terug te dringen, geven zij hun expertise in het werken met mensen met een beperking door aan medewerkers van het CAW.

Dat lost de wachtlijsten niet op, maar kan al een stuk helpen. Het project Bruggenbouwer biedt een leerplatform voor hulpverleners uit de thuislozensector, de sector van personen met een handicap, de geestelijke gezondheidszorg en het ‘schakelteam internering’.

‘Minder cliënten haakten af.’

Bruggenbouwer is een combinatie van kennismaking, inhoud, casusbespreking en vernieuwing. Het lukte beter om de rode draad vast te houden, waardoor er meer continuïteit kwam in de hulpverlening. En minder cliënten haakten af.

Intersectorale praktijken

Ook SMES-B zet sterk in op nieuwe intra- en intersectorale praktijken. Volgens Muriel Allart kunnen sociaal werkers wel degelijk handelen in geval van psychische aandoeningen. Maar deze thema’s komen te weinig bod in de opleidingen sociaal werk. Sociaal werkers moeten bijvoorbeeld een ‘manie’ of een ‘psychose’ kunnen herkennen.

In maandelijkse uitwisselingen tussen mensen uit verschillende sectoren en uiteenlopende disciplines analyseren de deelnemers samen transversale problemen in de welzijns- en geestelijke gezondheidssector. Op die manier zoeken ze naar praktische maar ook naar politieke antwoorden.

‘Samenwerken gaat niet vanzelf.’

Samenwerken gaat niet vanzelf. Het is nodig om op drie niveaus te werken: de cliënt, de hulpverlener en de directie. Het lukt alleen wanneer de leiding van de organisatie de samenwerking steunt. Ook de samenwerking zelf vraagt ondersteuning. Het project Bruggenbouwer kwam tot stand dankzij de centrale coördinatie door een intersectorale netwerker. Zonder zo’n sleutelfiguur is het moeilijk om de samenwerking duurzaam te verankeren.

Een creatief beleid

Brussel is institutioneel complex en de urgentie is hoog. La Strada telde op 7 november 2016 3386 personen, waarvan 707 daklozen op straat leefden. Een toename van 96 procent sinds de eerste daklozentelling in 2008.

Voor Freek Spinnewijn van FEANTSA, de Europese federatie van daklozenorganisaties, is de strijd tegen dak- en thuisloosheid niet alleen een individuele verantwoordelijkheid van de sociaal werker. Vooral het beleid moet creatief zijn. De nieuwe Brusselse ordonnantie over noodhulp aan en inschakeling van daklozen is een stap in de goede richting.Deze nieuwe ordonnantie werd in mei 2018 gestemd en erkent projecten en diensten die al enkele jaren bestaan. Ze creëert ook twee nieuwe publiekrechtelijke vzw’s. Zie ook: Blancke, B. (2018), Bruxelles: Nouvelle ordonnance, Brussel, Bico-federatie.

Een van de doelstellingen van de nieuwe publiekrechtelijke vzw Bruss’Help is een oriëntatie van daklozen in de Brusselse thuislozenzorg. Maar het mag wel wat meer zijn. Het managen van dak- en thuisloosheid moet plaats ruimen voor het oplossen. Door ook in te zetten op de uitstroom. Zoals in Finland, waar een nieuw beleidsmodel investeerde in nieuwe woonvormen voor daklozen, zoals het beloftevolle Housing First.

Reacties

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.