Achtergrond

Na achttien jaar eindelijk volwassen?

Hervormingen in de jeugdhulp

Ludo Serrien

Op 10 maart 2016 lanceerde welzijnsminister Jo Vandeurzen een 2.0-aanpak voor integrale jeugdhulp in Vlaanderen. De zoveelste herstructurering in een lange rij. De hervorming van de jeugdhulp startte achttien jaar geleden met een maatschappelijk debat over de bijzondere jeugdzorg. Het leidde tot een ingrijpend reorganisatieplan: de integrale jeugdhulp. Nu dit debat haar meerderjarigheidsgrens bereikt, is de tijd rijp voor een terugblik. Is de Vlaamse jeugdhulp eindelijk volwassen?

©lincolnblues @flickr

©lincolnblues @flickr

©lincolnblues @flickr

Bloembladmodel

In die achttien jaar maakten de opeenvolgende Vlaams welzijnsministers Martens, Vogels, Byttebier, Vervotte, Heeren en Vandeurzen ambitieuze plannen voor de jeugdhulp. Er werd één groot kaderdecreet gecreëerd: de integrale jeugdhulp.

Het uitschrijven en uitvoeren van dit decreet liep langs een moeilijk parcours. Zo moest men allerlei plannen uitvouwen om dit beleidsproces kracht bij te zetten: een ‘globaal plan’ (2006), een ‘perspectiefplan’ (2009) en een ‘actieplan jeugdhulp’ (2015).

‘Integrale jeugdhulp zou geen nieuwe sector worden.’

Integrale jeugdhulp zou ook geen nieuwe sector worden, wel een samenspel tussen zes autonome sectoren in het zogenaamde ‘bloembladmodel’: algemeen welzijnswerk, bijzondere jeugdzorg, centra voor leerlingenbegeleiding, Kind en Gezin, gehandicaptenzorg en (ambulante) geestelijke gezondheidszorg.

Elk van de zes betrokken sectoren was goed voor een deelblaadje in het nieuwe geheel. Het zwaartepunt bleef liggen bij het sectoraal beleid.

In den beginne

Eind jaren ‘90 werd de bijzondere jeugdzorg geteisterd door hardnekkige problemen. Kwetsbare jongeren en hun gezinnen moesten steun zoeken in een chaotisch aanbod van voorzieningen. Het was lang wachten op hulp die veelal niet passend was. En de gesloten gemeenschapsinstellingen waren verworden tot een vergeetput. Zo kon het niet verder.

Het Vlaams Parlement nam het initiatief voor een breed maatschappelijk debat. De besluiten van werkgroepen en conferenties mondden in 1999 uit in een ‘maatschappelijke beleidsnota bijzondere jeugdzorg’ en een ‘motie van aanbeveling’.

De titel ‘bijzondere jeugdzorg’ deed vermoeden dat het Vlaams Parlement sectorale kwesties zou aankaarten. Dat bleek niet het geval, want de eerste prioriteit was om de algemene preventie interdepartementaal sterker aan te sturen. De motie was ook een pleidooi om de bestaande eerstelijns jeugd- en gezinszorg verder uit te bouwen en gezinsbegeleiding, opvoedingsondersteuning en (crisis)hulpverlening buiten de bijzondere jeugdzorg te ontwikkelen.

Heldere aanbevelingen

Een belangrijke politieke vraag was die naar de omschrijving van problematische opvoedings- en leefsituaties van minderjarigen: ‘Welke schendingen van hun provisie- of protectierechten kunnen aanleiding geven tot dwingend maatschappelijk optreden?’ Opvallend was dat men in het zog van deze vraag ook toen al pleitte om in het kader van het beroepsgeheim het ‘meldingsrecht’ van hulpverleners wettelijk te regelen.

‘Veel jongeren kregen niet de juiste hulp.’

De motie vroeg ook om een grotere differentiatie in het jeugdhulpaanbod en het behoud van een officiële instantie voor de toewijzing van hulp aan de bijzondere jeugdzorg, toen nog het Comité Bijzondere Jeugdzorg.

Omdat veel kinderen niet de juiste hulp kregen, werd er ook een politieke lans gebroken voor een sterkere en intersectorale screening, diagnose en indicatiestelling. De motie van aanbeveling sloot af met het perspectief op een decretale verankering van de integrale jeugdzorg in Vlaanderen.

Kritiek barst los

Ondanks de stevige drang naar een fundamentele hervorming liet het wettelijk kader nog tot 2004 op zich wachten. Het viel pas in een definitieve plooi in 2013. En toen barstte ook de kritiek los: integrale jeugdhulp was te ingewikkeld, onbegrijpelijk jargon, bureaucratisch, met blijvende wachtlijsten…

Zelfs de politieke architecten van het eerste uur gingen mee in het verweer. Sommige politieke partijen deden hun ronde van Vlaanderen om het ongenoegen te capteren. We kregen een nieuw parlementair debat, dat alvast de verdienste heeft gehad om noodzakelijke bijsturingen op de agenda te zetten. Zo konden voor het eerst ook ouders en jongeren hun verhaal doen over de vernieuwde jeugdhulp.Eerdekens, W. e.a. (2016), ‘Het systeem overschaduwt het menselijk contact. Jongeren en ouders over integrale jeugdhulp’, Sociaal.Net, 10 maart 2016.

‘Ik was ontgoocheld door die storm van protest.’

Ik was ontgoocheld door die storm van protest. Vanaf het eerste uur zat ik mee aan de beleidstafels waar, overtuigd van de noodzaak van deze vernieuwing, naar best vermogen cruciale beslissingen genomen waren. Hebben we verkeerde keuzes gemaakt? Hebben we de echte problemen in de jeugdhulp onderschat? Was het decreet een te theoretisch kader? Of hebben we onvoldoende gehamerd op ontbrekende randvoorwaarden?

Nieuwe evaluatie

Al was ik ontgoocheld, ik was niet blind voor mogelijke hindernissen. Zo waarschuwde ik al in 2006 voor een integrale jeugdhulp die evolueerde naar een blind ‘systeem’. Serrien, L. (2006), ‘De broosheid van de integrale jeugdhulp’, ALERT, 32 (4), 41-50.

Nochtans was er krachtige legitimering voor dit ingrijpende veranderingsproces. De maatschappelijke beleidsnota (1999) maakte duidelijk waar de bijzondere jeugdzorg ontspoorde en op welke zwakke flanken er dringend hervormingen nodig waren. Dat er te weinig bruggen gebouwd werden naar deze maatschappelijke legitimering, zou integrale jeugdhulp vroeg of laat zuur opbreken, zo vreesde ik.

Vandaag wil ik opnieuw evalueren. Het timmerwerk aan een vernieuwde jeugdhulp vertrok van een maatschappelijke probleemstelling en ontmoette op het lange pad enkele cruciale vraagstukken. De keuzes die toen gemaakt werden, zijn bepalend voor de huidige integrale jeugdhulp. Bij die keuzes wil ik opnieuw stil staan.Voor meer diepgaande historische en maatschappelijke analyses, verwijs ik graag naar boeiende doctoraatsonderzoeken van onder meer Roose, R. (2006), De bijzondere jeugdzorg als opvoeder. Een sociaal-pedagogische analyse van de bijzondere jeugdzorg in Vlaanderen, Gent, Academia Press; De Koster, K. (2007), De jeugdzorg van tegenwoordig: het hervormingsproces naar een integrale jeugdhulpverlening in Vlaanderen, Gent, Academia Press.

Preventie buiten beeld

Meteen na het parlementair debat in 1999 doken de betrokken overheden in een langdurig conclaaf, om samen met toenmalig welzijnsminister Mieke Vogels te verkondigen dat het spoor van de jeugdhulp verder zou ontwikkeld worden, los van de preventie en de afhandeling van de ‘als misdrijf omschreven feiten’.

Vooral het afknippen van het preventieve luik lag niet in de lijn van de parlementaire aanbevelingen, maar werd verklaard door bevoegdheidsverdelingen. De welzijnsminister kon immers alleen maar iets doen aan de eigen ‘bollenwinkel’, dixit Mieke Vogels. Preventie was belangrijk maar situeert zich op beleidsdomeinen zoals onderwijs, huisvesting en werk. En daarvan had zij niet de touwtjes in handen.

‘Preventie had meer leven in de brouwerij kunnen brengen.’

Door deze keuze vielen een aantal belangrijke actoren en relaties meteen uit de boot. De relatie welzijn-onderwijs, de band tussen armoedebestrijding en jeugdhulp, de preventieve slagkracht van het jeugdwerk met kwetsbare jongeren, de lokale preventieprojecten…

Het veld van de ‘jeugdhulpaanbieders’ werd in eerste instantie uitgenodigd om naar de eigen navel te kijken. Op zich niet verkeerd, maar het ontbreken van beleidsacties in relatie tot het zogenaamde preventieve veld had met maatschappelijke en mobiliserende doelstellingen wel meer leven in de brouwerij kunnen brengen.

Gemiste kans

Ondertussen was ook de algemeen-preventieve opdracht van de Comités Bijzondere Jeugdzorg uitgedoofd. Ze moest plaats maken voor één enkele vorm van preventie: de opvoedingsondersteuning.

Later werd dat vertaald in het decreet preventieve gezinsondersteuning. Maar zelfs dit preventief aanbod van Kind en Gezin werd nog netjes afgelijnd van de jeugdhulp.

‘Het Huis van het Kind blaast preventie nieuw leven in.’

Pas recent wordt dit preventieve luik nieuw leven ingeblazen, via de Huizen van het Kind. Dat roept dan weer nieuwe vragen op. Zijn die Huizen van het Kind nu een schakel in de jeugdhulp of vallen ze daarbuiten? Hoe dan ook is door de opdeling jeugdhulp en preventie een kans gemist om vormen van structureel sociaal werk vanuit de jeugdhulp verder te ontwikkelen.

Grote verschillen in zorgtoewijzing

Van meet af aan werd integrale jeugdhulp afgebakend tot de zes genoemde sectoren. Lange tijd was er onduidelijkheid over de mate waarin deze sectoren bij de integrale jeugdhulp zouden betrokken worden. Geen enkele sector zou volledig geabsorbeerd kunnen worden door integrale jeugdhulp, ook de bijzondere jeugdbijstand niet.

Er werden twee modellen gemaakt. In het ene vormde de bijzondere jeugdzorg de kern, met de vijf andere sectoren in de periferie. In het andere lagen de zes sectoren als olympische ringen gedeeltelijk in elkaar verstrengeld, het eerder vernoemde ‘bloembladmodel’.

Deze modellen verhulden vaak de eigenlijke kwestie: de grote verschillen in de manier waarop de meer intensieve zorg werd toegewezen. In de gehandicaptenzorg gebeurde dat op basis van multidisciplinaire diagnostiek en een objectieve weging van de zorgnoden. In de geestelijke gezondheidszorg was de medische attestering de sleutel. En in de bijzondere jeugdzorg verliep de toegang via de Comités Bijzondere Jeugdzorg, op basis van een inschatting van de ernst van de problematische opvoedingssituatie.

Het volledige spectrum

Een cruciale vraag was dan ook of het volledige spectrum van de jeugdhulp langs een ééngemaakte intersectorale toegangspoort zou passeren, dus ook de zorg voor minderjarigen met een handicap of een psychische stoornis? In de gehandicaptenzorg nam het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap lange tijd geen stelling in.

Uiteindelijk werd deze moeilijke knoop doorgehakt: integrale jeugdhulp zou het volledige spectrum bestrijken van alle Vlaamse hulp en zorg voor minderjarigen en hun gezin.

‘De spreidstand tussen de hulp- en zorgvragen werd erg groot.’

De verstrekkende gevolgen van deze keuze drongen langzaam door. De spreidstand tussen de hulp- en zorgvragen werd namelijk wel erg groot: van het kind met een enkelvoudige beperking, over complexe en meervoudige zorgvragen, tot de acute en chronische problematische opvoedingssituaties.

Het vergde veel tijd en compromissen om een intersectorale toegangspoort te ontwikkelen die in deze uiteenlopende stroom van hulp- en zorgvragen filevorming zou vermijden. De trajecten van aanmelding, indicatiestelling en toewijzing moesten verfijnd worden, waardoor het geen verwondering hoeft dat de organisatie van de toegangspoort een vrij complexe aangelegenheid werd.

Samen met de invoering van het verplichte A-document en het verdwijnen van het persoonlijk contact heeft deze complexiteit niet bijgedragen tot een vlotte doorstroom naar hulp. De 2.0-aanpak heeft alvast de verdienste om de onnodige bureaucratisering terug te dringen.

Revival van de diagnostiek

Het belang van diagnostiek was één van de eerste discussiepunten in het pad naar integrale jeugdhulp. Mede gevoed door het parlementaire debat won de hypothese veld dat kinderen en jongeren vaak niet de juiste hulp kregen omwille van een onvolledige of zelfs foute diagnose. Bewezen of niet, door deze hypothese werd veel heil verwacht van diagnostische expertise.

‘Er werd veel heil verwacht van diagnostische expertise.’

In de beginjaren was er een heftig debat over de vraag of het brede werkveld deze expertise kon aanleveren, dan wel of zij moest verzekerd worden door gespecialiseerde diagnostische teams.

De eerste strekking haalde het, vanuit de overtuiging dat organisaties die dagelijks contact hebben met deze jongeren het best geplaatst zijn om een betrouwbare diagnose te stellen. Een participatieve vraagverheldering zou samen met de diagnostiek, als die nodig was, zorgen voor een degelijke indicatiestelling van de gepaste hulp of zorg.

Expertmodel als deal

De slinger van de diagnostiek ging echter opnieuw overhellen naar het expertmodel van zodra duidelijk werd dat ook de zorg voor minderjarigen met een handicap tot het terrein van de integrale jeugdhulp en de intersectorale toegangspoort zou behoren.

Ik herinner me nog levendig het beslissingsmoment, met de bijhorende ‘deal’. Als alle zorg voor minderjarigen met een handicap door de intersectorale toegangspoort moet, dan moeten de multidisciplinaire diagnostische teams (MDT’s) een centrale plaats innemen in het systeem.

‘Ik herinner me nog de deal.’

En zo geschiedde, met een heus Expertisecentrum Diagnostiek als kers op de taart. Opnieuw een keuze die niet zonder gevolg bleef. De multidisciplinaire diagnostische teams kregen een belangrijke sleutel in de toegang tot de niet-rechtstreekse jeugdhulp. Daardoor lokken ze zelfs een aanzuigeffect uit. De overbevraging van de CLB’s, in hun hoedanigheid als MDT, is deels daardoor te verklaren.

En spijts alle pogingen tot het ontwikkelen van multidisciplinaire en handelingsgerichte diagnostische modellen, dreigt de krachtengerichte vraagverheldering van eerstelijnswerkers door dat diagnostisch geweld ondergesneeuwd te geraken.

Toegang bewaken

Eén van de meest cruciale discussies ging over het onderscheid tussen rechtstreeks en niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp. Want zonder dit onderscheid moest er ook geen toegangspoort zijn.

Tegenstanders van het onderscheid en dus ook van de toegangspoort, argumenteerden dat de markt van vraag en aanbod sterk genoeg was om alle vormen van jeugdhulp rechtstreeks toegankelijk te maken. Lees: zonder inmenging van een overheidsinstantie. Want daar draaide het om: heeft de overheid het recht of zelfs de plicht om de toegang tot de ‘zwaardere’ hulp te bewaken?

Tegenstanders wezen op het feit dat bijvoorbeeld in de gezondheidszorg een medisch attest volstaat om minstens even zware zorgpakketten te bekomen. Waarom het dan niet even gemakkelijk maken voor andere zware vormen van jeugdhulp?

‘Onderscheid is nodig omwille van schaarste.’

De realisten in het debat wezen erop dat het te maken heeft met schaarste. En die is groter in de welzijnssector dan in de gezondheidszorg. De schaarste van het ‘zwaardere’ hulpaanbod drukt de overheid in de rol van bewaker van de toegang. Dit zwaardere hulpaanbod werd uitgedrukt in het begrip ‘maatschappelijke kost’, een combinatie van frequentie, intensiteit en duur (de FID-parameters).

Alle meer subjectieve elementen van ‘zwaarte’, zoals de mate waarin de jongere of het gezin de hulpverlening als ingrijpend ervaart, werden uit de FID-logica geweerd.

Minst ingrijpende jeugdhulp eerst

De meer inhoudelijk geïnspireerde voorstanders van het onderscheid vertrokken vanuit het subsidiariteitsbeginsel: geef voorrang aan de minst ingrijpende hulp en behoud de ingrijpende hulp voor die hulpvragers die er echt nood aan hebben.

Dit subsidiariteitsbeginsel werd één van de centrale pijlers van het Decreet Integrale Jeugdhulp (2013). Toch blijft er een spanningsveld tussen de behoeften en de maatschappelijke kost(prijs) van de jeugdhulp, zeker wanneer er ook schaarste is in de rechtstreeks toegankelijke hulp.

‘De wachtlijsten en -tijden verkorten.’

Bovendien, hoe sterker een toegangspoort selecteert, hoe meer ‘zijwegen’ er bewandeld worden om toch aan de nodige hulp te komen: het kanaal van de crisishulp, van de medische attestering of zelfs de directe weg naar justitie.

De steeds terugkerende en blijkbaar onoplosbare problematiek van de wachtlijsten kan gedeeltelijk opgelost worden door meer hulp voor de poort te plaatsen en dus rechtstreeks toegankelijk te maken. Die verschuiving vond inderdaad plaats en werpt haar vruchten af. De wachtlijsten en -tijden verkorten en er is een betere aansluiting tussen eerstelijnshulp en de zogenaamde ‘probleemgebonden hulp’.

Eerste lijn blijft zwak

Of de verschuiving van niet-rechtstreeks naar rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp zal leiden tot een reële versterking van de eerstelijnshulp, is nog zeer de vraag.

De kans is groot dat het aanbod en het doelpubliek van bijvoorbeeld de thuisbegeleidingsdiensten en de dagcentra quasi ongewijzigd blijven en dat alleen het vereiste toegangsticket wegvalt. Het sluit daarbij wel nauwer aan bij het begeleidingsaanbod van eerstelijnsdiensten zoals het CAW, het CLB of het CKG, maar daardoor worden deze ‘frontoffice-diensten’ niet reëel versterkt.

‘De brede onthaalfunctie blijft zwak uitgebouwd.’

De terechte keuze om een deel van het aanbod rechtstreeks toegankelijk te maken, is ook ingegeven vanuit budgettaire overwegingen en de wens om de druk op de toegangspoort te verlichten. Deze operatie verandert niets aan het feit dat de brede onthaalfunctie in de jeugdhulp zeer zwak uitgebouwd blijft. Beloofde investeringen worden niet uitgevoerd.

Het debat over de nood aan capaciteitsuitbreiding van de eerste lijn wordt vaak handig omgeturnd naar een debat over efficiëntie, samenwerking en netwerking zonder dat daar broodnodige middelen tegenover gezet worden.

Brede instap onafgewerkt

Daardoor blijft het concept ‘brede instap’ een mager beestje. Het op papier invoeren van een intersectorale typemodule zal daar niets aan veranderen.

CLB’s, CAW’s en CKG’s doen inspanningen voor een laagdrempelig en vroegtijdig aanbod, maar ze zijn niet altijd en overal aanwezig. Ze hebben ook weinig onderlinge afstemming en samenwerking.

‘De brede instap is een mager beestje.’

De nota Jeugdhulp 2.0 komt niet toevallig tot de vaststelling dat de CLB’s – nota bene een actor buiten het beleidsdomein van welzijn en gezondheid – de centrale plaats hebben ingenomen op de eerste lijn, weliswaar in een blijvend spanningsveld tussen de onderwijsgerelateerde opdrachten en een brede welzijnsgerichte opstelling.

In Jeugdhulp 2.0 worden ook de Huizen van het Kind als belangrijk onthaalpunt naar voor geschoven, zelfs voor de ‘oudere jongeren’. Maar zullen die ‘oudere jongeren’ wel de weg vinden naar het Huis van het ‘Kind’ en wat is de positie in het netwerk van de brede instap?

Er is nog veel werk aan de winkel om een stevig netwerk van eerstelijnsopvang te realiseren.

Trajectbegeleiding weggemoffeld

Bij de start van het proces naar integrale jeugdhulp werden zes bakens uitgezet: modulering, onderscheid tussen rechtstreekse en niet-rechtstreekse hulp, de toegangspoort, dwang, crisishulp en trajectbegeleiding.

Alle bakens werden concreet uitgewerkt, decretaal verankerd en uitgerold. Behalve trajectbegeleiding. Het is onduidelijk of de functie van trajectbegeleiding werd ‘weggemoffeld’ om inhoudelijke dan wel om budgettaire redenen. Nochtans werd de noodzaak van de trajectbegeleiding op vele fora uitdrukkelijk bepleit, niet als algemeen recht maar vooral om te voorkomen dat het traject van vele jongeren doorheen de jeugdhulp plots wordt afgebroken of ongewenste richtingen uitgaat.

‘Het ontbreken van trajectbegeleiding blijft een belangrijke kritiek.’

Het gebrek aan continuïteit en opvolging in de jeugdhulp is voor sommige jongeren en gezinnen de factor die hun kwetsbaarheid en hun probleemsituatie vergroot. De inzet van een trajectbegeleider werd daarom meermaals bepleit als één van de pijlers van de nieuwe jeugdhulp.

Het ontbreken van deze functie was dan ook één van de belangrijkste kritieken in de recente parlementaire debatten.

Geen garantie op opvolging

Toch is de functie niet helemaal verdwenen. De nota Jeugdhulp 2.0 wijst er terecht op dat het meldpunt crisishulp een belangrijke trajectbegeleidende rol op zich neemt. De netwerken crisishulp blijven overigens één van de belangrijkste en goed werkende realisaties van de integrale jeugdhulp. Zo goed zelfs dat de aanzuigkracht een valkuil dreigt te worden.

Bovendien raakt de functie van een trajectbegeleider ook aan de opvolging die verwacht wordt van de ‘aanmelder’ bij de toegangspoort, van de ‘vertrouwenspersoon’ of van de ‘bemiddelaar’ die kan helpen om vastgelopen trajecten te deblokkeren. En wanneer een gemandateerde voorziening een situatie overneemt, fungeert ze ook als een soort trajectbegeleider.

Dat is allemaal waar. Toch is er geen volwaardige functie van trajectbegeleiding geïnstalleerd. De garantie dat een jongeren opgevolgd wordt, hangt nog te veel af van het kanaal waarin hij zit en het steeds weerkerende adagium ‘de verantwoordelijkheid van het netwerk’.

Worstelen met verontrusting

De laatste en zeer cruciaal te nemen beslissing ging over een vraagstuk dat zo oud is als de jeugdzorg zelf. Op welke grond kan of moet de samenleving via een overheidsinterventie tussenkomen in een problematische opvoedings- of leefsituatie van een minderjarige?

‘Maatschappelijke noodzaak heeft twee gezichten.’

Dit werd uitgedrukt in het begrip maatschappelijke noodzaak. Dat begrip heeft twee gezichten: het recht van de overheid om in te grijpen in de private sfeer, maar tegelijk ook de plicht van de overheid om daarvoor de vereiste hulp te voorzien, desnoods via gerechtelijke weg.

Het concrete aanknopingspunt voor deze maatschappelijke noodzaak is de verontrusting van hulpverleners. Hoe gaan jeugdhulpverleners om met hun verontrusting? Wanneer hebben zij daarin ondersteuning nodig? Wanneer dragen ze die verontrusting over naar een voorziening of een instantie die gemandateerd is om te interveniëren? Wanneer schakelt de hulpverlener best meteen politie en parket in? En welke impact heeft dat op de lopende hulpverleningsrelatie en het gewonnen vertrouwen?

Moeilijke keuzes

Dit zijn ongetwijfeld de moeilijkste vragen waarmee jeugdhulpverleners geconfronteerd worden. Hierover werden in het reorganisatieproces twee keuzes gemaakt.

Het spoor ‘omgaan met verontrusting’ werd terecht losgekoppeld van het traject naar de toegangspoort. Al kunnen beide sporen samenkomen, hun startpunt is verschillend.

Dat vraagt een zeer heldere overweging in het hoofd van de jeugdhulpverlener. Bots ik hier op een grens omdat ik geen zwaardere hulp kan of mag bieden? Of ben ik zodanig verontrust dat ik de jongere of het gezin wil confronteren met de nood aan een externe interventie, ongeacht of die al dan niet zal leiden tot een zware vorm van hulp?

‘De verontruste hulpverlener moet zelf in actie schieten.’

Dat is een moeilijke afweging: stap ik naar de toegangspoort, naar het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (dat de rol van het vroegere Comité Bijzondere Jeugdzorg gedeeltelijk overerfde) of het VK, of meld ik de situatie aan bij het crisismeldpunt? Of rechtstreeks bij Justitie?

De tweede keuze is de maximale responsabilisering van elke verontruste jeugdhulpverlener. Hij wordt aangesproken om niet te snel beroep te doen op het extern interventiemandaat. Hij moet zelf zijn verantwoordelijkheid nemen om met zijn verontrusting iets te doen. Maar hij mag ook niet te lang langs de zijlijn toekijken, want dan riskeren situaties uit de hand te lopen en de integriteit van het kind in gevaar te komen.

Ook dat is een moeilijke afweging en vraagt van sociaal werkers een sterke professionaliteit. Ze moeten in een betrouwbare betrokkenheid op gepaste wijze de verontrusting kunnen delen met de jongere en het gezin.

Ondersteuning

Cruciale vragen in een verontrust hoofd, dat vaak niet verder kan zonder ondersteuning en collegiaal overleg in de eigen organisatie.

Er werden twee gemandateerde voorzieningen aangeduid om jeugdhulpverleners hierin te ondersteunen: het Ondersteuningcentrum Jeugdzorg (OCJ) en het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK). De consultfunctie van het OCJ bleek echter niet altijd even toegankelijk te zijn. Soms werden ondersteuningsvragen niet-ontvankelijk genoemd.

De 2.0-aanpak wil daaraan verhelpen door de niet-ontvankelijkheid onmogelijk te maken, maar ook door de hulpverlening in de gemelde verontrustende situatie sneller over te nemen. Daardoor blijven verontruste hulpverleners wellicht minder in de kou staan.

De tijdsgeest

Het spanningsveld tussen de persoonlijke, professionele inschatting van een verontrustende situatie en wat maatschappelijk al dan niet als verontrustend wordt gezien, zal echter blijven bestaan.

Verontrusting wordt sterk beïnvloed door de tijdsgeest. Is de manipulatie van kinderen in een problematische scheiding even verontrustend als zichtbaar familiaal geweld? Is een neiging tot radicaliseren verontrustend?

‘Verontrusting wordt sterk beïnvloed door de tijdsgeest.’

Ook politiek en publieke opinie leggen een zware druk op de hulpverleningspraktijk om dramatische gebeurtenissen te voorkomen. Het delen van informatie is een uiting van die druk.

In de praktijk dreigt dat een omgekeerd effect te hebben: hulpverleners die uit vrees voor schuldig verzuim de relatie afbreken en de verontrustende situatie vaker en sneller dan gewenst doorspelen naar een interventie met een formeel maatschappelijk mandaat. Daarom is het belangrijk om zeer omzichtig om te springen met vormen van informatie-uitwisseling tussen jeugdhulp, politie en parket.

Op een beter spoor

Geeft de recente nota ‘Een 2.0-aanpak voor integrale jeugdhulp’ een antwoord op al de vragen die de gemaakte keuzes nog oproepen? Ja en nee.

De 2.0-aanpak heeft de verdienste dat een aantal lelijke eendjes van integrale jeugdhulp op een nieuw of beter spoor worden gezet. Procedures worden vereenvoudigd waardoor de dreigende bureaucratisering in het systeem ingedamd wordt.

‘Procedures worden vereenvoudigd.’

De aanmeldingsdocumenten worden gebruiksvriendelijker en zullen vanuit de diagnostische teams sneller doorstromen. Ouders van minderjarigen met een handicap krijgen meer autonomie dankzij de persoonsvolgende financiering. De toegang tot de gemandateerde voorzieningen wordt gemakkelijker gemaakt. Er wordt verder ingezet op de vermaatschappelijking van de jeugdhulp en de krachtgerichte ondersteuning van kinderen, jongeren en gezinnen. En om de verantwoordelijkheid binnen de netwerken te honoreren, komt er een ‘netwerkbudget’.

Ook de vertrouwenspersonen en de gebruikersorganisaties van ouders en jongeren krijgen wat meer wind in de zeilen. Er komen beperkte uitbreidingen voor en na de poort en er is aandacht voor de actuele noden van gezinnen op de vlucht en niet-begeleide minderjarigen.

De crisisnetwerken krijgen meer armslag en er zijn lovenswaardige pogingen om de geestelijke gezondheidszorg mee in het integrale bad te trekken. De nota pleit ook voor een betere afstemming tussen de categoriale integrale jeugdhulp en de hulp aan volwassenen, meer bepaald de ‘problemen van de ouders’.

Op naar 3.0?

Maar belangrijke vraagstukken bleven op tafel liggen. Een reële versterking van de eerste lijn en de brede instap blijft uit.

‘Een versterking van de eerste lijn blijft uit.’

Wachtlijsten blijven en voor het verzekeren van de continuïteit, overbrugging en trajectbegeleiding rekent men iets te gemakkelijk op het zelfsturend vermogen van de netwerken. Aan de dominantie van de diagnostiek wordt niet getornd.

De verhouding tussen de brede instap en het zogenaamde preventieve ‘voorveld’ met onder andere de Huizen van het Kind blijft warrig. En de worstelingen met verontrusting en de ambities om gezinsdrama’s en radicalisering te voorkomen, houden ons alert voor het al te vlot delen van informatie over kwetsbare jongeren en gezinnen. Het gevaar van instrumentalisering van jeugdhulp blijft actueler dan ooit.

Jeugdhulp 2.0 is dus geen eindpunt. Op naar 3.0?

Reacties [6]

  • Se

    Ik werk al vele jaren in de sector…en de vraag is of de gezinnen na zoveel jaren nu echt beter af zijn en beter geholpen worden dan vroeger?? Ik persoonlijk denk het niet. Alles is er (vooral voor de gezinnen) niet simpeler op geworden en het is de vraag of de vele woorden ook effectief omgezet kunnen worden in daden? Ik denk dat de resultaten in de hulpverlening meer afhangen van de kwaliteit, inzetbaarheid en positieve draagkracht van de hulpverleners, dan van allerlei nieuwe manieren van werken. Ik laat de boel draaien, en probeer me vooral te fixeren op het doel van mijn werk, er zijn voor de gezinnen wanneer het nodig is. Als we zouden uitrekenen hoeveel uren we al gestoken hebben in overleggen, vergaderen, vormen (hoe alles beter zou moeten) enz … dan hadden we die tijd beter gestoken in het daadwerkelijk ondersteunen, helpen en werken met de gezinnen, ouders en kinderen.

  • frank.cuyt

    Dank voor de bijdrage Ludo. Mijn mening van het eerste uur blijft actueel: Een integrale jeugdhulp is de enige juiste weg, moeilijk maar nodig om te vermijden dat jongeren tussen wal en schip vallen. Een opdracht voor overheid en sector’

  • Marcel De Beukeleer

    Knap geschreven, Ludo. Ik kan ook nog beamen dat de Agentschappen voortdurend getracht hebben het laken naar zich toe te trekken en dat uiteindelijk de groepen waar het om gaat (ouders, kinderen en jongeren) minder op het resultaat gewogen hebben. De ‘professionals’ zagen dikwijls enkel opportuniteiten inzake tewerkstelling.

  • Lode Goukens

    Sterk stuk, maar elke nieuwe versie is dus eigenlijk maar een vermomde betaversie. Trial and error. Het ware probleem zit bij de spelers en beleidsmakers die nooit tabula rasa durven te maken en de errors voorgoed van tafel vegen. Teveel ballast, een vergadercultuur en veel overhead hangen jaren aan de fiets de niet vooruit geraakt. Voor elke vergaderronde, expertisecentrum en horden bureaucraten die structuren bedenken die een eigen leven gaan leiden, zouden vele jongeren in een problematische opvoedingssituatie geholpen kunnen worden met ad hoc toepassen van gevalideerde methodes. De hulpverlening wordt teveel gezien als een tewerkstellingsproject en te weinig als antwoord op een hulpvraag. Zoals bij alles ontbreekt het aan focus. Focus op het onderwerp of zeg maar voorwerp van het probleem: de individuele jongere. Een parade ministers en acolieten, verzuilde organisaties, politiek gekleurde instanties passeert met hun eigen taboes en stokpaardjes. Ronkende neologismen en newspeak.

  • holvoet rik

    Het klopt niet dat alle kritiek pas in 2013 is losgebarsten. In de diverse werkgroepen zijn de punten in jeugdhulp 2.0 en zelfs 3.0 meermaals aangekaart, maar steeds van kaart geveegd. Hoe vaak is de bureaucratie en het gebrek aan trajectbegeleiding niet ter sprake gekomen?Hoe vaak is er niet gepleit voor een versterking van de eerste lijn? Het rechtstreeks toegankelijk maken, heeft alleen maar zin als men het aanbod sterk vergroot. Er zijn inderdaad signalen dat de crisishulp beter werkt, maar alle dagen blijkt dat zij de toenemende vraag niet aankunnen. Het is mijn stelling dat heel wat jongeren niet meer in het systeem geraken,doordat de eerste lijn onvoldoende ondersteuning heeft gekregen, en moedeloos is geworden van de eindeloze bureaucratische procedures. Het comité voor bijz jeugdzorg, met zijn drempels, was bij jongeren gekend. Dit is weggevallen.Velen binnen de toegangspoort stellen momenteel de zin van hun functie in vraag. Waarom niet snel naar een 3.0 of zelfs 4.0?

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.