Achtergrond

Evoluties in de omgang tussen jongeren en opvoeders

Communiceren en verantwoorden blijft de boodschap

Karel De Vos

Vandaag liggen er kansen om van de jeugdhulp een forum te maken dat op een duurzame manier het samenleven mee vorm geeft. Een samenleven waarin belang gehecht wordt aan de gelijke menselijke waardigheid van elke mens. Jeugdhulp inschakelen in zo’n project is makkelijker gezegd dan gedaan.

© idea@Flickr

© idea@Flickr

© idea@Flickr

Gelijke menselijke waardigheid

Om de jeugdhulp toe te leiden naar dat ruimer maatschappelijk perspectief, moet de jeugdhulp niet alleen ruimte krijgen. Ze moet ook ruimte bieden en nemen om praktijken te ontwikkelen waarin meer mogelijk is dan met elkaar te spreken over opvoedingsproblemen en wat eraan te doen.

Maar vooral moeten de hulpverleningsverhoudingen zelf uitstralen dat ze belang hechten aan het besef van gelijke menselijke waardigheid.Mollenhauer, K. (1983), Vergessene Zusammenhänge. Über Kultur und Erziehung, München, Juventa Verlag.

‘Het gaat over het klimaat van de jeugdhulp.’

Het gaat dan niet alleen over het spreken met mekaar, maar ook over de regimes waarin kinderen terechtkomen, de manier waarop mensen onthaald worden, de manier waarop met conflicten omgegaan wordt, de manier waarop in residenties de dag met de nacht afgewisseld wordt. Kortom, het klimaat van de jeugdhulp.

De waarom-vraag

De jeugdhulp kan dat besef van gelijke menselijke waardigheid heel concreet maken. Dat kan bijvoorbeeld door interventies en methodieken vatbaar te houden voor de vraag waarom we doen wat we doen op de manier waarop we dat doen.

Die vraag bestrijkt niet enkel de grote principes van de jeugdhulp, maar ook de kleine dagelijkse dingen.De Vos, K. (2015), Voorstructureringen in de zorg. Een sociaal-pedagogisch perspectief op de evoluties in de omgang tussen opvoeders en jongeren in de Bijzondere Jeugdzorg, Gent, Universiteit Gent.

Zo maakt onderzoek over weeshuizen in het Gentse zichtbaar dat kinderen die daar ooit geplaatst werden, een leven lang bezig kunnen blijven met de zoektocht naar zingeving aan hun plaatsing.De Wilde, L. en Vanobbergen, B. (2012), Mag ik dit vertellen? Stemmen uit de Gentse weeshuizen (1945-1984), Leuven, Acco.Het onbeantwoord blijven van de vraag waarom ze meemaakten wat ze meemaakten, is traumatiserend en blijft hen achtervolgen.

Naast de kwestie

Het risico bestaat dat we antwoorden aanreiken die naast de kwestie zijn. Zo levert het weinig op om de waarom-vraag te beantwoorden door te verwijzen naar criteria van performantie. “Met zo weinig mogelijk middelen en op zo kort mogelijke tijd vooropgezette doelstellingen bereiken, volgens bewezen effectieve methodes.” Mensen vinden daar geen antwoord op hun zoektocht naar zingeving.

‘Zingevingsprocessen kunnen mensen lang bezighouden.’

De zoektocht naar zingeving heeft een eigen dynamiek die moet gerespecteerd worden. Zingevingsprocessen zijn reflectieve en interactieve processen waarbij niet enkel het begrip van het ingrijpen maar ook het begrip van de effecten ervan en de manier waarop deze ervaren worden, kunnen veranderen in de tijd. Zingevingsprocessen kunnen mensen veel langer bezighouden dan de periode waarin ze begeleid worden.

Zingevingstijd verloopt niet lineair. Zo wordt in het onderzoek rond de weeshuizen beschreven hoe die zingevingsvraag bleef opduiken in het leven van mensen, vaak twintig tot dertig jaar na hun verblijf of nadat hun eigen kinderen het huis hadden verlaten. Zingeving kan je niet beheersen.

Kapstokken

Als we belang hechten aan die zingevingsprocessen moeten we dus verstaanbare kapstokken aanleveren die een plaats, betekenis en zin kunnen geven in het leven van jongeren en ouders. Wetende dat de zin en betekenis ervan kan veranderen al naargelang hun levensloop.

Een eerste kapstok is de permanente vatbaarheid voor de vraag waarom we doen wat we doen op de manier waarop we dat doen.De Vos, K. (2015), Voorstructureringen in de zorg. Een sociaal-pedagogisch perspectief op de evoluties in de omgang tussen opvoeders en jongeren in de Bijzondere Jeugdzorg, Gent, Universiteit Gent.

Een tweede hiermee samenhangende kapstok is de permanente zorg om gevoelig te blijven voor de onbedoelde effecten van ingrijpen, ook lang nadat interventies afgelopen zijn. De Wilde, L. en Vanobbergen, B. (2012), Mag ik dit vertellen? Stemmen uit de Gentse weeshuizen (1945-1984), Leuven, Acco.

Reconstructies van jeugdhulptrajecten

Het belang van beide kapstokken wordt uitvoerig uitgewerkt in een interpretatief onderzoek van zeven knelpuntdossiers, ook ‘intersectoraal prioritair toe te wijzen hulpvragen’ genoemd.De Vos, K. (2015), Voorstructureringen in de zorg. Een sociaal-pedagogisch perspectief op de evoluties in de omgang tussen opvoeders en jongeren in de Bijzondere Jeugdzorg, Gent, Universiteit Gent.

Het statuut van knelpuntdossier werd in 2009 in het leven geroepen om een antwoord te bieden op een oud en hardnekkig probleem: jongeren met een VAPH-dossier die in de gemeenschapsvoorzieningen van de bijzondere jeugdzorg stranden zonder perspectief op verdere zorg.

Het interpretatief onderzoek van die knelpuntdossiers was gericht op de reconstructie van de hulpverleningsgeschiedenis van zeven jongeren. We reconstrueerden ook hun begeleiding door De Vuurvogel, dienst voor intensieve contextbegeleiding, verbonden aan Jongerencentrum Cidar.

Onduidelijke plaatsingsgronden

Eén verbazende vaststelling bij de hulpverleningsgeschiedenis van deze jongeren: de redenen waarom aanvankelijk werd ingegrepen, kunnen niet helder in beeld worden gebracht. Het startpunt van vaak jarenlange trajecten doorheen hulpverleningsland blijft mistig.

‘Het startpunt van de hulpverlening blijft mistig.’

Dat wil daarom niet zeggen dat er geen redenen waren voor misschien terechte tussenkomsten. Wel wil dit zeggen dat doorheen de opeenvolging van acties en reacties in die hulpverleningstrajecten het zicht op waarover dat initieel gaat, verloren gaat.

Alarmerend in dit onderzoek was de vaststelling dat de jongeren zelf met die vraag bleven zitten. Ze blijven overgeleverd aan gissingen en fantasie, zonder enige communicatieve toetsingsmogelijkheid.

“Waarom werd er op die manier tussengekomen?” De geschreven stukken uit de dossiers zijn zo abstract dat je je niet kan voorstellen waarover dat nu eigenlijk ging. Op de koop toe zaten er duidelijke anomalieën in chronologie en in weergave van feiten.

Incidenten

Een constante in de hulpverleningsgeschiedenis van deze jongeren was dat hun trajecten ingrijpend wijzigden naar aanleiding van incidenten.

En hier volgt een nieuwe merkwaardige vaststelling: ook die incidenten konden moeilijk gereconstrueerd worden. Meer nog. In enkele gevallen werd geweigerd erop terug te komen en toe te lichten wat er gebeurd was. Zo werd niet duidelijk waarom de beslissing tot verandering van traject werd genomen.

Maar het kan ook anders. Zo blijkt uit de analyse van het begeleidingswerk van De Vuurvogel dat conflicten ook aangegrepen kunnen worden om incidenten te exploreren en verdiepen. Alle betrokkenen zoeken samen een antwoord op wat er in een conflict allemaal speelde en welke posities ingenomen werden vanuit welke perspectieven.

‘Conflicten zijn eigen aan opvoeding.’

Door aan het conflict een plaats te geven, kan er ook iets uit geleerd worden. Die aanpak is niet revolutionair. Conflicten zijn eigen aan opvoeding. Het biedt een pedagogische opportuniteit, zelfs in een klassiek pedagogisch denken.

Daarom is het des te merkwaardiger dat in de onderzochte dossiers voorzieningen niet willen terugkomen op incidenten en conflicten.

Met voorbedachten rade

Wat wel in het oog sprong, was dat feiten die aan de basis lagen van een incident of conflict gereconstrueerd werden met de bedoeling tot een specifieke verwijzing te komen. In casu een verwijzing naar een gemeenschapsinstelling.

Met andere woorden, de communicatieve verantwoording van een verwijzing maakt plaats voor een strategisch geconstrueerde kwalificatie van feiten of gebeurtenissen.

In één dossier was dat flagrant. Op basis van seksueel grensoverschrijdend gedrag werd een jongen naar een gemeenschapsvoorziening verwezen waar hij dan jaren verbleef. Na studie van het dossier wees alles erop dat dit seksueel grensoverschrijdend gedrag betwijfelbaar was.

Het versterkt het vermoeden dat die kwalificatie een strategie was om de jongen naar een meer gestructureerde omgeving te brengen. Misschien waren daar ook gegronde redenen voor. Maar het ten onrechte inschakelen van de kwalificatie seksueel grensoverschrijdend gedrag is een brug te ver.

Ingrijpen zonder argumenten

Uit de studie blijkt dat de jeugdhulp doorheen de hulpverleningsgeschiedenis van jongeren weinig belang hecht aan communicatie over de redenen van het ingrijpen. Dat roept vragen op.

Hoe komt het dat de jeugdhulp het hiermee zo moeilijk heeft? Is het zo moeilijk om probleemdefiniëringen, verwachtingen en vormen van hulp op een communicatieve manier tot stand te laten komen?

‘Waarom hecht de jeugdhulp weinig belang aan communicatie?’

Een volledig sluitend antwoord valt hier niet op te geven, al wijst de geschiedenis van de jeugdhulp de weg naar mogelijke verklaringen.De Vos, K. (2015), Voorstructureringen in de zorg. Een sociaal-pedagogisch perspectief op de evoluties in de omgang tussen opvoeders en jongeren in de Bijzondere Jeugdzorg, Gent, Universiteit Gent.

Geschiedenis antwoordt

Dan blijkt namelijk dat de dominante pedagogie van de jeugdhulp, sinds zijn prille ontstaan in de negentiende eeuw, gekenmerkt wordt door de niet-geargumenteerde noodzaak tot ingrijpen. Dat wil zeggen dat de redenen en argumenten om in te grijpen in opvoedingssituaties in het stelsel zelf zijn ingebakken.Mouffe, C. (2008), Over het politieke, Kalmthout, Pelckmans.Men vindt het niet meer nodig om daarover te communiceren.

Dat niet-geargumenteerde ingrijpen verwijst naar een opvatting over opvoeding die in de late middeleeuwen ontstaan is met de ontwikkeling van de stedelijke burgerij. Opvoeding in huiselijke kring leidt tot geïntegreerd burgerschap.Mollenhauer, K. (1986), Umwege. Über Bildung, Kunst und Interaktion, München, Juventa Verlag.

Dat vestigt een pedagogische paradox. Opvoeding heeft als private aangelegenheid die zich achter de voordeur afspeelt ook een publieke functie: de productie van geïntegreerde burgers.

Slechte opvoeding

In de negentiende eeuw wordt deze redenering omgekeerd en wordt er iets aan toegevoegd. De oorzaken van slecht burgerschap zoals delinquentie, landloperij of alcoholisme liggen bij slecht verlopen opvoeding. Dit is de omkering.

Hier wordt aan toegevoegd dat de samenleving dan het recht heeft om zich tegen slecht verlopende opvoeding te verdedigen door in te grijpen in de opvoeding. Liefst zo vroeg en preventief mogelijk.De Vos, K., Roose, R. en Bouverne-De Bie, M. (2012), ‘Honderd jaar na de Kinderbescherming: de institutionalisering van een pedagogische paradox’, Panopticon, 33(5), 454-469.

Sociale problemen worden hertaald als opvoedingsproblemen en niet zozeer als effecten van de ordening van de samenleving. Deze opvatting is vandaag nog steeds gemeengoed.

Verbinden met sociale problemen

De uitdaging om van de jeugdhulp een forum te maken waarin ruimte gemaakt wordt voor een subjectieve zingeving aan probleemdefiniëringen, verwachtingen en acties, opent dan ook het perspectief om opnieuw verbinding te maken met sociale problemen.

En deze keer niet als opvoedingsproblemen, maar vanuit de vraag hoe met die sociale problemen kan omgegaan worden.Bouverne- De Bie, M. (2015), Sociale Agogiek: een Sociaal-Pedagogisch Perspectief op Sociaal Werk, Gent, Academia Press.Dat is moeilijk, de jeugdhulp weet daar nauwelijks blijf mee.

‘Jeugdhulpverleners worstelen met armoede.’

Uit de reconstructie van de begeleiding van de zeven jongeren blijkt dat jeugdhulpverleners worstelen met de armoedeproblematiek. Professionele jeugdhulpverleners hebben de neiging armoede eerder als een achtergrondgegeven te bekijken dan als een bepalend structureel gegeven.

Geodriehoek en passer

We illustreren die onwennigheid met een actueel voorbeeld. Een meisje dat in een residentiële voorziening verblijft, maakte enkele weken geleden een slechte toets op school. Ze was nochtans goed voorbereid.

De school liet aan haar opvoedster verstaan niet te begrijpen waarom ze enkele vragen over meetkunde niet had opgelost. Ze had zelfs geen poging ondernomen. De school suggereerde dat het meisje misschien één of andere leerstoornis had.

De opvoedster heeft een vrij goede band met het meisje. Ze kon zich permitteren om tussendoor gewoon te vragen waarom ze die meetkundevragen niet had opgelost. Het antwoord was even simpel als ontluisterend. Ze had geen geodriehoek, noch passer. Ze durfde er geen vragen omdat haar moeder geen geld heeft.

Opvoedingsonbekwaam

Op het eerste zicht ligt de oplossing van dit probleem voor de hand. De instelling zorgt voor geo-driehoek en passer. En dat gebeurde ook.

Maar meteen verandert deze oplossing de verhoudingen. Het opent de weg om moraliserend naar de moeder te kijken. Hoe is het mogelijk dat ze geen geld heeft voor een geodriehoek terwijl ze rookt, zich schminkt en al eens op café gaat?

‘Armoede wordt een opvoedingsprobleem.’

Mensen die in armoede leven, moeten het hoofd bieden aan situaties waarin elke uitgave een voelbaar effect heeft op elke andere uitgave. Dit soort dilemma’s doet zich bij een groot deel van de bevolking gewoon niet voor omdat ze welstellend genoeg zijn.

Armoede als effect van de ordening van de samenleving wordt omgevormd tot een opvoedingsprobleem waarin de vraag naar de opvoedingsbekwaamheid van moeder centraal komt te staan.

Integrale jeugdhulp

De vraag is of dat wel kan: de jeugdhulp als een forum waarin zowel het streven naar de erkenning van gelijke menselijke waardigheid als het streven naar sociale rechtvaardigheid vorm en betekenis krijgen.

Die opgave moeten we realiseren in de institutionele context van integrale jeugdhulp. Dat stelsel reproduceert het niet-communicatief geargumenteerde ingrijpen door de vergaande legalistische en procedurele vertaling van de jeugdhulp.

Tegelijk creëert diezelfde integrale jeugdhulp ook een opening door zijn verwijzing naar de sociale grondrechten.

‘Integrale jeugdhulp creëert ook openingen.’

In de studie van de zeven knelpuntdossiers wordt die dubbelheid zichtbaar. Aan de ene kant werd het niet-geargumenteerde ingrijpen gereproduceerd. Er werd teruggegrepen naar mystifiërend taalgebruik, armoede werd niet of moeilijk erkend als levensvoorwaarde, wijzigingen in procedures werden instrumenteel ingezet om zonder verantwoording niet uitgesproken hulpverleningsdoelen te realiseren.

Tegelijk werd dat niet-geargumenteerde ingrijpen ook onderbroken. Dat was vooral opvallend in de manier waarop omgegaan werd met de probleemdefiniëringen op basis waarvan de begeleidingen ingezet werden, in de afhandeling van conflicten en in de manier waarop vorm gegeven werd aan de begeleidingen.

Samen zoeken

De probleemdefiniëringen werden van bij de aanvang van de begeleidingen een voorwerp van onderzoek.

Samen met jongeren en ouders werd de weg naar de begeleiding gereconstrueerd. Er werd stil gestaan bij wat niet geargumenteerd werd, niet uitgedrukt of anders begrepen werd door verwijzers, hulpverleners, jongeren of ouders. Op basis hiervan werd dan uitgemaakt hoe en waaraan verder gewerkt wordt.

De doelstellingen van de begeleiding werden niet voorafgaand aan het contact met cliënten opgesteld op basis van één of andere externe diagnostiek. Tussenkomsten werden gebaseerd op een dubbel mandaat: een mandaat van verwijzers, geflankeerd door een mandaat van cliënten.

Beide perspectieven mogen van elkaar verschillen en met elkaar geconfronteerd worden. Lorenz, W. (2014), ‘Social Services and Their Educational Mandate in the Modern Nation State’, in Biesta, G., De Bie, M., and Wildemeersch, D., Civic Learning, Democratic Citizenship and the Public Sphere, Dordrecht, Springer, 29-41.Want het zin geven aan die confrontatie is een belangrijke pedagogische opdracht.

‘Opvoeden is leren opvoeden.’

De onderbreking van het niet-geargumenteerde ingrijpen wordt ook zichtbaar in de manier waarop omgegaan werd met incidenten, zowel ten aanzien van de begeleiding als binnen het gezin en met andere hulpverleners. Incidenten werden aangegrepen als pedagogische opportuniteiten, om te reflecteren over de betekenis ervan en om zich hier dan ook mee te kunnen verhouden.

Opvoeden is leren opvoeden. Ingrijpen in opvoeding is telkens opnieuw leren ingrijpen in opvoeding om de eenvoudige reden dat elke situatie ook nieuw is.

Onderbrekende logica

De rol van de professional bestaat er dan in systemen en interventies te ontwikkelen die aanduiden dat belang wordt gehecht aan opvoeding als subjectiverend proces. Ten aanzien van de dominante pedagogie van het jeugdhulpstelsel is dit een onderbrekende benadering: de hiërarchische en objectiverende logica van het stelsel wordt onderbroken.Biesta, G. (2013), The beautiful risk of education, Dordrecht, Springer.

Die onderbreking gaat gepaard met de wederzijdse erkenning van gelijkheid. Dat is maar mogelijk door in opvoeding en zorg wederzijdse afhankelijkheden te erkennen, niet zozeer door het benadrukken van autonomie.Pols, J. (2004), Good care. Enacting a complex ideal in long-term psychiatry, Utrecht, Trimbos Instituut.

Zo’n pedagogisch handelen ontwikkelt zich gelijktijdig rond probleemdefiniëringen, verwachtingen en vormgeving van de jeugdhulp. Een andere minimale voorwaarde: wat er gebeurt vatbaar houden voor de vraag: Waarom? Een vraag die vanuit verschillende perspectieven gesteld kan worden.

Mandaten verbinden

Vandaag staan we voor de opdracht om een pedagogie van de jeugdhulp te ontwikkelen die verbonden is met sociale grondrechten en daar betekenis aan verleent in concrete situaties.

Dat impliceert dat voorzieningen een pedagogisch beleid ontwikkelen dat het mandaat dat zij krijgen van de overheid verbindt met het mandaat van jongeren en ouders. Op die manier kunnen zij hulpverlening als zinnig ervaren.Lorenz, W. (2014), ‘Social Services and Their Educational Mandate in the Modern Nation State’, in Biesta, G., De Bie, M. and Wildemeersch, D., Civic Learning, Democratic Citizenship and the Public Sphere, Dordrecht, Springer, 29-41.

Theorievorming uitgedaagd

Die opdracht vraagt ruimte voor reflectie en visieontwikkeling. Op dat vlak duiken er verschillende hindernissen op. Eén hindernis is het dubbelkarakter van het jeugdhulpstelsel. Een pedagogie van de jeugdhulp impliceert dat de stigmatiserende effecten van de vergaande procedures en het legalisme in de jeugdhulp onderkend en geproblematiseerd worden.

‘In de jeugdhulp domineert de behandeltaal.’

Maar er is meer. In de jeugdhulp domineert de behandeltaal. Deze taal bevestigt het niet-communicatief geargumenteerde ingrijpen. Dat belemmert het aanboren van het pedagogisch potentieel dat besloten ligt in de jeugdhulp als sociale interventie.Bouverne-De Bie, M., De Vos, K., en Bradt, L. (2014), ‘Van kinderwetgeving naar kinderrecht: over de verbinding tussen recht en opvoeding’, Pedagogiek. Wetenschapelijk forum voor opvoeding, onderwijs en vorming, 177-190.Hier ligt de uitdaging voor theorievorming in de sociale pedagogiek.

Reacties

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.