Achtergrond

Emotionele ontwikkeling en opvoeding

Draden trekken doorheen het leven

Gerrit Vignero

Het model van ‘de draad’ is een hulpmiddel voor begeleiders en ouders om sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen en jongeren te verhelderen. Het is een metafoor om opvoedings- en begeleidingsprocessen voor te stellen en werkbaar te maken in de praktijk.

Opvoeding

© Trui Lemaitre

Inclusief denken

Het model werd oorspronkelijk uitgewerkt voor de begeleiding van personen met een verstandelijke beperking. Het is echter ook bruikbaar in andere opvoedings- en begeleidingssituaties. Van normaalbegaafde kinderen in gewone en buitengewone situaties tot en met personen met dementie of niet aangeboren hersenletsels.

‘Voor mensen met en zonder beperking.’

In dit model is er geen breuklijn tussen mensen met en zonder beperking. Inclusief denken zit in de genen ervan. Het gaat bij alle mensen om dezelfde motieven en levensthema’s.De ontwikkelingspsychologie is in mijn werk als orthopedagoog de belangrijkste inspiratiebron. Daarin zijn Jacques Heijkoop en Anton Došen mijn belangrijkste leermeesters. Binnen het project SEN-SEO kreeg ik de kans om deze ontwikkelingspedagogie te vertalen naar ouders en begeleiders.

Metafoor

De draad is een metafoor voor de manier waarop de verbinding tussen ouder en kind gedurende de opvoedingsperiode ontwikkelt. Verschillende thema’s komen aan bod. Daarbij wordt nagegaan hoe je deze als hulpverlener, leerkracht of naschoolse begeleider kan gebruiken.

Elke fase van de ontwikkeling is vertaald in een type draad: Wat heeft een kind of cliënt nodig en wat is een goede ingang voor de ouder of de begeleider? Elk type draad heeft zijn eigen kenmerken, zowel voor het kind als voor de ouder of opvoeder.

Waar zitten de draden van de cliënt? Met wie en op welke manier is hij verbonden? Welke zijn de intense contacten? Welke contacten zijn oppervlakkig of inwisselbaar? Hoe gaat de cliënt met nieuwe mensen stap voor stap een relatie aan? Waar zit het kwetsbare draadje?

Hechting is het toverwoord

De draad staat voor de hechtingsdraad. Hechting is het toverwoord voor de sociaal-emotionele ontwikkeling. Elk kind heeft een hechtingsfiguur nodig. En de ouder geeft deze hechting vorm. Als begeleider bouw je verder op de hechtingsdraad die tot stand kwam.

Wanneer een kind harmonieus ontwikkelt, is dat niet zo moeilijk. Je weet wat je bij een bepaalde leeftijd kan verwachten bij ouders en kinderen. Wanneer opvoeding of begeleiding ernstige vragen oproept, is deze vanzelfsprekendheid weg.

Sommige kinderen zenden signalen uit die ouders of begeleiders verwarren. Sommige kinderen zijn opgegroeid in hechtingsomstandigheden die een grote impact hebben op hun emotionele ontwikkeling.

‘De draad staat voor hechting.’

Als opvoeden niet spontaan verloopt of er sprake is van een moeilijke opvoedingssituatie, is het een hele opgave om het proces van de draad bewust te hanteren en opnieuw verbinding te maken. Daarom gaan we op zoek naar het kwetsbare draadje, waarvan we in de hulpverlening zullen vertrekken.Bij uitgeverij Garant verschenen twee boeken van Gerrit Vignero: ‘De draad tussen ouder en kind. Voor een gewone en buitengewone opvoeding’ (2015) en ‘De draad tussen cliënt en begeleider. De emotionele ontwikkeling als inspiratiebron in de begeleiding van personen met een verstandelijke handicap’. (2011, 2014).

Op basis van de ontwikkelingsfasen maak ik een onderscheid tussen volgende acht draden.

©Vignero ProcesModel_ZonderFases_Blank

©Vignero ProcesModel_ZonderFases_Blank

De draad trekken

Opvoeding en ontwikkeling zijn wonderlijke fenomenen. Hoe worden kinderen volwassen en hoe herken je het kind in de volwassene?

Wanneer een kind geboren wordt, komt het in een chaos van prikkels terecht. De ouder zal deze onrust reguleren. Hij zorgt voor bescherming, regelmaat, voeding, troost. De eerste ontwikkelingsthema’s hebben te maken met ordening en voorspelbaarheid in tijd, ruimte en activiteit.

‘De ouder reguleert de onrust.’

Er ontstaat een eerste vorm van uitwisseling tussen ouder en kind via contactspelletjes en gemeenschappelijke aandacht voor voorwerpen in de omgeving. Men spreekt over responsiviteit bij de baby: gaat het kind op de ouder in? En over sensitiviteit bij de ouders: voelt de ouder de baby aan? De ouder gaat ‘de draad trekken’ of de mogelijkheid tot hechting voorbereiden.

De (h)echte draad

Meestal wordt een kind tussen zes en negen maanden éénkennig. Waar Jan en alleman hem tevoren nog mocht oppakken, komt er vreemdenangst. Op tante die hem enkele dagen eerder nog mocht knuffelen, reageert het kind in paniek. Het kind ontdekt zijn hechtingsfiguur: degene die achter al dat reguleren de draad trekt.

Het kind hecht zich. De draad is er! De ouder voelt dat zijn aanwezigheid het kind kan geruststellen en troosten. Ik gebruik hiervoor het begrip ‘bijtanken’.

De ouder weet hoe het zijn kind emotioneel kan steunen. Het kind voelt dat het emotioneel wordt bijgetankt, ook zonder erom gevraagd te hebben. Even op de schoot. Een knuffel. Een glimlach. Soms zal het kind zelf komen vragen om bijgetankt te worden. Het is net gevallen of het is moe en wil getroost worden.

‘De verbinding staat centraal.’

In deze draad wordt de overstap gemaakt van het reguleren van spanning door de ouder naar de verbinding die kind en ouder voor de rest van hun leven aangaan. Voor het kind is het centrale thema bij de hechting: “Jij moet met mij bezig zijn. Geef mij aandacht.”

Hechtingsangst

Bij sommige kinderen blijft elke nee van de ouder een test van de hechting. Soms is het kind vanuit onveiligheid en angst voortdurend bezig met de aandacht van de ouder vast te houden. Ook op een negatieve manier. Soms voelt de ouder dat het telkens opnieuw heel veel energie kost om een lus in de draad te leggen.

Kinderen met een normale verstandelijke ontwikkeling en ernstige gedrags- of emotionele problemen lijken te pas en te onpas terug te vallen op de eerste draden. Terwijl ze in andere situaties zo gewoon lijken met vrienden en smartphone, op de PlayStation of de iPad. Een aantal onder hen hebben nood aan een aanbod dat gericht is op regulering, hechting en onthechting, op bijtanken en helpen exploreren.

Een lus in de draad

Het kind dat de hechtingsdraad opneemt, wil rond de ouder cirkelen en voortdurend zijn aandacht hebben. Het gaat de ouders claimen en opeisen. Daarom gaan ouders de draad proberen door te geven aan anderen: een lus in de draad leggen.

‘De peuter leert onderscheid maken.’

De peuter leert onderscheid te maken tussen mensen en gaat knuffels gebruiken als troostende objecten. De ouder staat het hoogste in rang. Andere mensen krijgen een plaatsje op een lagere trap. Kinderen leren zo dat de ouder betrouwbaar is. Hij kan er niet altijd zijn, maar komt wel altijd terug. De ouders cirkelen rond hun kind binnen haalbare en veilige grenzen.

De lus in de draad betekent ook dat de ouder bewust afwisselt tussen bijtanken (‘kom hier’) en exploreren (‘doe maar’). Dit proces is de eerste vorm van loslaten en vasthouden. Elke hechtingsdraad kan je beschrijven in de verhouding tussen bijtanken en exploreren. Sommige kinderen zijn eerder bijtankend gehecht, andere eerder explorerend gehecht. Sommige ouders leggen eerder de nadruk op bijtanken, anderen op exploreren.

Zelf de draad trekken

Rond twee jaar komt de koppige kleuter die zijn eigen ding wil doen. Hij wil zelf de draad trekken en ontdekt zo zichzelf in confrontatie met de ouder. Conflicten zijn eigen aan deze fase. Dankzij deze conflicten wordt de draad op zijn sterkte getest en kan het kind geweten ontwikkelen. Het leert over goed en kwaad, over wat mag en niet mag, over straf en beloning.

‘Conflicten testen de draad.’

Door zelf de draad te trekken komt er meer ruimte voor een grotere wereld die verder gaat dan de hechtingsfiguur. Andere kinderen worden belangrijk.

De ouder moet nieuwe vaardigheden hanteren om grenzen te stellen en duidelijk op te treden. De kleuter worstelt met de draad die als een ‘elastiek’ werkt. Hij wil op zichzelf staan, maar merkt dat hij de elastiek blijft nodig hebben. De ouder wordt getrokken in de spanning tussen vasthouden en loslaten. Dankzij de koppigheid leert het kind hoe het werkt tussen hem en zijn ouders.

Draad wordt afstandsbediening

Geleidelijk aan wordt de draad steeds meer afstandsbediening. De draad wordt een virtuele draad. De kleuter leert stapje voor stapje om te gaan met regels, leert sociale omgangsvaardigheden en zet de eerste stappen in de ruimere omgeving. Er komen vriendjes. Kinderen gaan zich identificeren met andere volwassenen, met figuren uit de fantasiewereld of de televisie.

‘De draad wordt virtueel.’

Je kan je kind meer van op een afstand ‘regelen’. De ouder moet niet altijd aanwezig zijn om regels te laten naleven. Je geeft probeerruimte, weliswaar met risico en controle.

De belangrijkste regels die je als volwassene belangrijk blijft vinden, leer je in deze fase. Het gaat om alle geboden en verboden die je je eigen ouders honderden keren hebt horen zeggen en herhalen. De hele ouderlijke communicatie, met of zonder woorden, met duizenden ‘nee’ en ‘niet doen’, het weghalen uit gevaarlijke situaties, de blije en de boze gezichten, het opgeheven vingertje. Veel van deze regels vinden we in ons huidige leven terug.

De contextuele draad

Vanaf de lagere school leren kinderen redeneren en logisch denken. Ze kunnen zich beter concentreren. Ze leren rekenen en lezen. Ze zijn in staat om deze denkprocessen ook te gebruiken in het leren denken over zichzelf in relatie tot andere mensen. Met wat het kind vanuit de hechtingsdraad heeft meegekregen, gaat het leren omgaan met leeftijdsgenoten.

Deze leeftijd is een leerterrein rond sociale vaardigheden. Vaak met conflicten en pestgedrag, omdat het herkennen van het eigen aandeel in sociale uitwisseling heel wat cognitieve ontwikkeling veronderstelt. Rollen en posities, populariteit en status worden belangrijk. Kinderen komen op een sociale ladder terecht. Wie staat boven, wie staat beneden?

‘Een leerterrein voor sociale vaardigheden.’

De draad begrenst, houdt vast en vertrouwt er tegelijk op dat het kind zelf meer kan en aankan. Bewust of onbewust gaan de draden uit het verleden en de relaties in het heden op elkaar inspelen.

Draad wordt netwerk

Kinderen leren binnen een netwerk te functioneren. Ze leren ook hoe ze dit kunnen organiseren. In de jeugdbeweging nemen ze mee initiatief om tenslotte een groep te leiden. Feestjes organiseren ze zelf. Het huiswerk kan je als ouder niet meer volgen. De agenda hoeft niet meer getekend.

Vanuit de ervaringen die ze opdeden in de lagere school proberen ze een weg te zoeken op basis van positieve en negatieve ervaringen.

De ouder heeft hier de moeilijke rol om de draad tegelijk los te laten en vast te houden. Ondersteunen en waar nodig controleren en vasthouden. Bij een harmonieuze ontwikkeling leren jongeren beroep doen op de draad als het nodig is en het zelf op te lossen waar het kan.

‘Pubers heroverwegen waarden en normen.’

Waar de groep voor de jongere aanvankelijk erg bepalend is, zal dit evolueren naar een opstelling op basis van het eigen denken en het eigen geweten. Naar het einde van de puberteit worden waarden en normen heroverwogen en geplaatst binnen hun eigen kijk op mens en maatschappij.

De rode draad

Een volwassene die deze fasen al doorlopen heeft, kan de verschillende draden gebruiken op het moment dat hij ze nodig heeft. Af en toe vallen we eens terug op de eerdere draden. Als dit sporadisch gebeurt, is er geen probleem. Zo zal de stoere kleuter bij de dokter even terug een baby worden. Dat helpt om de emotie te kaderen. Bij een zwaar trauma is het evident dat men terugvalt op de eerste draden.

We blijven onze basisemoties nodig hebben en gebruiken al de emotionele vormen die we in onze kindertijd hebben geleerd. Soms val je terug op je eerste draad en ga je vluchten of vechten, je adrenaline staat hoog. Op een ander moment keer je terug naar de hechtingsfiguur waar je zeker bij spanning kan bijtanken.

Het feit dat je in je kinderjaren hechting mocht ervaren, maakt het ook mogelijk om je te hechten aan anderen. Zo kan je partner je nieuwe hechtingsfiguur worden.

‘We vinden een rode draad in ons leven.’

Soms mag je nog wel eens koppig zijn. Bijvoorbeeld op een moment dat we denken gelijk te hebben of iets echt willen. Je kan het dan ook doorzettingsvermogen noemen. Je volgt regels, je gebruikt je sociale vaardigheden. Je kan praten over jezelf in relatie tot anderen. Je kan een netwerk organiseren en onderhouden.

Al deze draden worden als het ware de rode draad in ons leven als volwassene. En uiteindelijk gaat de volwassene zijn rode draad doorgeven aan familie, intieme relaties en kinderen, op het werk en in de vrije tijd.

Opvoeding is afstemmen

Opvoeding is een proces van afstemming tussen ouder en kind. Nadat de feitelijke draad van de navelstreng is doorgeknipt, gaan ouders verder aan de slag en werken ze aan een virtuele draad.

Aanvankelijk neemt de volwassene de draad in handen. Het kind pakt echter de draad vrij snel zelf vast. De ouder helpt het kind met kleine stapjes opdat het zijn eigen draad zou trekken naar anderen en naar de wereld. Langzamerhand wordt de draad een afstandsbediening en een onverbreekbare band.

Harmonieuze ontwikkeling

Als er geen echte problemen opduiken in de levenslijn, kan het kind een overwegend positief beeld van zichzelf en van anderen vormen. Ook al wordt er niet altijd op zijn wensen ingegaan en worden er eisen en normen gesteld. Deze negatieve ervaringen worden geïntegreerd in een positief gekleurde draad met anderen.

Bij normaal begaafde kinderen loopt deze ontwikkeling leeftijdsadequaat. Er zit geen onverwachte spanning op de draad. Bij een harmonieuze ontwikkeling voel je dat de draad goed zit: het kind is voorspelbaar en jij kan je als opvoeder voorspelbaar opstellen. De meeste opvoedingsproblemen kan je aanpakken door de draad die hoort bij de leeftijd van het kind te vertalen in je opvoeding.

Een knoop in de draad

Spanningen zijn in een gewone ontwikkeling mogelijkheden tot groei. Een kleine terugval in de draad is gezond en helend. Soms geeft opvoeding te veel spanning en onzekerheid. Men krijgt de draad niet te pakken. Dan moet men zoeken naar het kwetsbare plekje in de draad. Dit is als een aanzuigpunt, waarnaar alle draden van ouders, leerkrachten of begeleiders worden getrokken.

‘Er ontstaat een zwakke plek in de draad.’

In de draad zit een serieuze knoop. De spanning die eigen is aan ontwikkeling, wordt een spanning die eerder afremt dan aanleiding geeft tot groei. Het gaat hierbij niet om een tijdelijke terugval in de draad, maar men blijft hangen in meer basale ontwikkelingsthema’s. Het gaat niet om gewone opvoedingsproblemen die met een kleine hulplijn opgelost worden.

Wanneer vanuit een beperking of handicap, of vanuit situaties van verwaarlozing of verwenning de ontwikkeling niet harmonieus verloopt, ontstaat er een zwakke plek in de opbouw van de draad. Het kind en de volwassenen rondom hem kunnen het type draad dat normaal bij die leeftijd hoort niet hanteren. Ze moeten altijd een omweg bewandelen. Ze moeten opvoeden en begeleiden vanuit een draad die je op basis van de leeftijd niet zou verwachten.

Zo hechten personen met autisme veel belang aan voorspelbaarheid in tijd, ruimte en activiteit. Zij panikeren soms al bij schijnbaar kleine of onooglijke veranderingen.

Henk, autistische denker, blokkeerde toen het bowlen op de sportdag wegviel. Dat stond nochtans in het programma. Hij stond aan de rand van het veld hevig heen en weer te wiegen. Gelukkig was er zijn vaste begeleider. Die nam de schoolagenda van Henk en paste daarin het programma aan. In plaats van te bowlen mocht Henk op de iPad, iets wat hij erg graag doet.

Het kwetsbare plekje

De methodiek van de draad is erop gericht te zoeken naar dat kwetsbare plekje in de draad. Dat ontwikkelingsthema waar je als ouder of begeleider steeds op botst. Door het verhaal van het kind of de cliënt te leggen op de ontwikkeling van de draad, kunnen we de kwetsbaarheid inschatten. Dit gebruiken we dan als handvat in de begeleiding.

Hiermee kunnen we opvoedingsproblemen herkaderen, waardoor we er als ouder of begeleider minder op vastlopen. Daarna vertalen we dit in een aanpak naar het kind of de cliënt. Het zoeken van gepaste ondersteuning, die rekening houdt met de emotionele behoeften van het kind, kan preventief werken ten aanzien van probleemgedrag in de toekomst. Zo kan de betrokkenheid en het welbevinden van ouder en kind of begeleider en cliënt vergroten.

Herkaderen

Gust is een jongen uit Afghanistan die tijdens zijn eerste levensjaren in een weeshuis verbleef. Hij werd geadopteerd toen hij twee was. Vrij snel ging het adoptiegezin over kop door deze kleine jongen van vier. Hij is zo onvoorspelbaar dat je voortdurend op je hoede moet zijn. De ene dag is hij poeslief, de andere dag is er het ene incident na het andere. De adoptiefouders raakten uitgeput.

Het is belangrijk om hierbij handvatten te gebruiken uit de eerste draad. Ritme en voorspelbaarheid, een goed dagschema. Hoe reageert het kind op spanning? Hoe ontspant het? Kan je bijtanken? Het inschatten van de kwetsbare draad helpt om opvoedingsproblemen te herkaderen en er als ouder of opvoeder minder op vast te lopen.

Reacties

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.