Achtergrond

15% van de Belgische kinderen gedepriveerd

Frank Vandenbroucke, Anne-Catherine Guio

Wat betekent armoede in het dagelijks leven van kinderen? Een nieuwe indicator vertrekt van de leefwereld van kinderen om deprivatie te meten. Dat brengt een alarmerende realiteit scherp in beeld.

© Unsplash / Frank McKenna

Kinderarmoede meten

Kinderarmoede kan je meten via het inkomen: de leden van een gezin zijn arm als hun inkomen lager ligt dan 60 procent van het mediane nationaal inkomen in een land. Het armoedecijfer hangt op die manier af van het inkomensniveau in elk land.

Om het beeld scherper te stellen, ontwikkelden onderzoekers op Europees niveau een aanvullende indicator: specifieke deprivatie bij kinderen. Deze indicator meet de dagelijkse problemen die kinderen ondervinden. Die kunnen anders zijn dan die van hun ouders.

‘De indicator meet de dagelijkse problemen die kinderen ondervinden.’

De indicator vertrekt van de toegang tot zeventien items die men voor elk kind in Europa als noodzakelijk beschouwt. Eet het kind elke dag groenten en fruit? Nodigt het soms vrienden uit thuis? Kan het kind deelnemen aan uitstapjes en feesten op school? Leeft het kind in een behoorlijk verwarmde woning?

Een kind leeft gedepriveerd als het gezin zich minstens drie van deze zeventien items niet kan veroorloven. Hoe hoger het aantal items waar het kind niet over beschikt, hoe ernstiger de deprivatie. Er wordt alleen rekening gehouden met de deprivaties die ontstaan omdat het gezin zich bepaalde uitgaven financieel niet kan veroorloven.

Lijst van de 17 items om de deprivatie bij kinderen te meten

© Koning Boudewijnstichting

In een oogopslag

Met deze nieuwe indicator kan de deprivatie bij kinderen in België in een oogopslag vergeleken worden met andere Europese landen. Wat blijkt daaruit?

In België ligt het percentage gedepriveerde kinderen rond 15 procent. Dat is meer dan in buurlanden Nederland, Duitsland en Luxemburg en even veel als in Frankrijk.

15 procent heeft dus minstens drie van de zeventien items niet. Leggen we de drempel hoger, dan wordt de kloof met de dichtste buurlanden groter.

In België beschikt 12 procent van de kinderen niet over vier of meer items. Dat aandeel ligt in alle buurlanden lager: tussen 7 en 9 procent in Nederland, Duitsland en Frankrijk, en 2 procent in Luxemburg.

Verdeling van de kinderen (tussen 1 en 15 jaar) in België en zijn buurlanden volgens het aantal items waar ze niet over beschikken (2014)

© Koning Boudewijnstichting

Grote verschillen tussen gewesten

In dit Belgische gemiddelde zitten grote ongelijkheden tussen de gewesten vervat. Zo bedraagt het percentage kinderen dat niet beschikt over minstens drie items in Brussel 29 procent, in Wallonië 22 procent en in Vlaanderen 8 procent.

Als we de Belgische gewesten in het klassement van Europese landen plaatsen, stellen we vast dat Vlaanderen zich in de groep van de best presterende landen bevindt. Samen met de vier Scandinavische landen, Slovenië en Zwitserland. Het aandeel gedepriveerde kinderen is er klein.

‘Het Brussels Gewest neemt een extreme positie in.’

Het Brussels Gewest neemt daarentegen een extreme positie in. Het heeft zeer hoge percentages financiële armoede en een gemiddeld niveau wat deprivatie betreft. Brussel komt daarmee in de buurt van Spanje, Italië en Litouwen.

Maar de ernst van de deprivatie bij kinderen is in Brussel veel hoger dan in deze landen. Kijken we binnen de groep kinderen die niet beschikken over minstens drie van de zeventien items, dan zien we dat ze gemiddeld niet over acht items beschikken. Dat is vergelijkbaar met Hongarije.

Verdeling van de kinderen (tussen 1 en 15 jaar) in de drie gewesten volgens het aantal items waar ze niet over beschikken (2014)

© Koning Boudewijnstichting

Natuurlijk moeten we bij deze vergelijking rekening houden met het feit dat het Brussels Gewest in feite één grote stad is. In andere landen is armoede soms ook geconcentreerd in steden. Maar het Brussels Gewest heeft wel bevoegdheden die belangrijk zijn bij het bestrijden van armoede.

Wallonië zit qua aantal gedepriveerde kinderen op het niveau van Kroatië, Malta, Polen en het Verenigd Koninkrijk. Maar het percentage ernstige deprivatie is in Wallonië wel het hoogst in deze groep landen.

Verklaringen

Wat verklaart het hoge Belgische gemiddelde en de gewestelijke verschillen? De analyse werd uitgevoerd voor Vlaanderen en voor Wallonië en Brussel samen, omdat de omvang van de steekproef in Brussel te gering was.

‘De resultaten illustreren regionale bijzonderheden.’

De resultaten bevestigen vaststellingen in andere landen, maar illustreren ook regionale bijzonderheden. Zo is het gezinsinkomen in de drie gewesten de belangrijkste determinant van deprivatie bij kinderen. Die impact ligt hoger in Vlaanderen: elke euro extra beschermt mensen in Vlaanderen beter tegen deprivatie.

Leven in een gezin waar niet of bijna niet wordt gewerkt verhoogt de deprivatie bij kinderen, in de drie gewesten.

Ook het opleidingsniveau van de ouders heeft een grote invloed op de intensiteit van de deprivatie bij kinderen. Kinderen van laaggekwalificeerde mensen zijn vatbaarder voor deprivatie dan die van wie de ouders hoger zijn opgeleid. De negatieve impact van een zwak opleidingsniveau is groter in Wallonië en Brussel.

Voorspellers

Leven in een eenoudergezin verhoogt het risico op deprivatie bij kinderen door vaste kosten zoals huisvesting. Die eisen bij hen vaak een groter deel van de middelen op dan in gezinnen met meer dan één volwassene.

Schulden en huisvestingskosten zijn belangrijke voorspellers van deprivatie bij kinderen in alle gewesten. Al heeft de schuldenlast in Vlaanderen een grotere impact. Huurders lopen meer risico op deprivatie dan eigenaars.

‘Schulden en huisvestingskosten zijn belangrijke voorspellers.’

Migranten van buiten de EU lopen geen groter risico op deprivatie dan mensen van Belgische origine of EU-migranten, als andere kenmerken in rekening worden gebracht.

Als er gezinsleden met chronische gezondheidsproblemen kampen, dan neemt het risico op deprivatie bij kinderen toe. Gezondheid heeft namelijk een impact op de kosten die het gezin moet dragen.

Geen werk

België wordt niet alleen gekenmerkt door het hoge niveau en een grote intensiteit van de deprivatie bij kinderen. Ons land heeft uitzonderlijk veel gedepriveerde kinderen die in een gezin leven waar niet wordt gewerkt.

Dit valt te verklaren door een combinatie van twee factoren. Ten eerste is het aandeel van kinderen in gezinnen waar niet wordt gewerkt hoog in ons land. En vooral in Wallonië en Brussel. Daarnaast is het risico op deprivatie voor deze kinderen hoog.

‘Ons land heeft uitzonderlijk veel gedepriveerde kinderen die in gezinnen leven waar niet wordt gewerkt.’

Dat komt omdat de meeste minima op vlak van sociale transfers, zoals de laagste werkloosheidsuitkeringen of het inkomen voor maatschappelijke integratie, het niet mogelijk maken om boven de armoededrempel te leven.

Dat geldt ook in Vlaanderen, waar het aandeel gedepriveerde kinderen dat leeft in gezinnen waar niet wordt gewerkt met 41 procent niet te verwaarlozen is.

Aanbevelingen

Een duurzaam en efficiënt beleid in de strijd tegen kinderarmoede moet de fundamentele oorzaken aanpakken. Dat vergt coördinatie en het mobiliseren van alle beleidsniveaus.

Daarom pleiten we voor een ambitieus plan om de deprivatie bij kinderen aan te pakken. Dat plan moet gebaseerd zijn op een evaluatie van het bestaande beleid en moet een brede waaier aan domeinen omvatten.

‘De belastingen en uitkeringen moeten hervormd worden.’

De cruciale uitdaging bestaat erin dat zowel de perspectieven op werk als het levenspeil van alleenstaande en laaggekwalificeerde ouders moeten worden verhoogd.

De belastingen en uitkeringen moeten hervormd worden. Het huidige fiscale en sociale systeem in België voegt momenteel bijvoorbeeld niet veel netto-ondersteuning toe aan het minimuminkomen als een alleenstaande ouder aan het werk is.

Doelgerichte maatregelen moeten het netto inkomen van deze ouders verhogen als ze werken, zonder de koopkracht van werkloze gezinnen aan te tasten.

Generatiearmoede

Ook het bedrag van de kinderbijslag en de sociale bijstand is te laag om een alleenstaande ouder die niet werkt uit de armoede te helpen. Daarom zijn ook deze vervangingsinkomens aan herziening toe en moet het totale bedrag voor gezinnen in armoede in de vernieuwde kinderbijslag nog groter worden.

Deze hervormingen moeten gepaard gaan met investeringen in de ontwikkeling van betaalbare en kwaliteitsvolle diensten voor de opvang van jonge kinderen, met regels voor de prioritaire toegang van kwetsbare groepen. Het doel is generatiearmoede voorkomen.

‘Het doel is generatiearmoede voorkomen.’

Behalve een beleid op vlak van werkgelegenheid, opleiding en kinderopvang moeten nog andere hefbomen worden gemobiliseerd. Denk maar aan hulpverlening, huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg.

Masterplan tegen kinderdeprivatie

België ratificeerde het Kinderrechtenverdag. Daardoor heeft ons land een duidelijke verantwoordelijkheid voor de bescherming van de rechten van de kinderen.

Dit zou de federale regering en de gewest- en gemeenschapsregeringen moeten motiveren om vanaf het begin van de volgende legislatuur ambitieuze masterplannen uit te werken.

Lokale overheden moeten in deze masterplannen een belangrijke rol krijgen, want ze zijn cruciaal om kinderen in armoede te bereiken.

De implementatie van zo’n masterplan tegen kinderdeprivatie moet de verantwoordelijkheid worden van de eerste ministers op elk beleidsniveau. Want deprivatie bij kinderen zal pas verminderen als het een topprioriteit wordt voor regeringsleden op alle niveaus.

Reacties

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.