Zekerheid ondermijnt jeugdhulp

Strakke protocollen ook

Jeugdhulp is complex en onvoorspelbaar. Structuren, procedures en instrumenten helpen hulpverleners hiermee om te gaan. Maar vertrouwen ze daardoor nog wel genoeg op de eigen expertise en de ervaringen van gezinnen? Medewerkers van jeugdhulporganisatie Sporen vzw gaan op zoek naar een evenwicht.

Protocollering
©Angie Six @flickr

Geen glazen bol

Een ambitieuze jeugdhulp die het verschil wil maken, moet ook haar grenzen kennen. Zo kunnen we niet voorspellen in welke gezinnen het welzijn of de veiligheid van kinderen in het gedrang zal komen. We hebben geen glazen bol die met zekerheid zegt met welke tussenkomst een gezin best geholpen is.

“Hoe zeker kan je zijn van je conclusies?”

Vaak kunnen we ook moeilijk beslissen wanneer het ‘goed genoeg’ is en de hulpverlening kan worden afgesloten. Op basis van welke signalen besluit je dat een kind veilig is? Hoe zeker kan je zijn van die conclusie?

Het is eigen aan de mens om in zo’n ambigue situaties op zoek te gaan naar zekerheden, houvast en structuur.

Goede hulpverlening

De overheid en jeugdhulporganisaties bieden een antwoord door voorschriften, procedures, instrumenten en checklists te ontwikkelen. Zij geven hulpverleners een kader van wat ‘goede’ hulpverlening is, waarnaar ze moeten streven.

“Registraties helpen om intuïtie te structureren.”

Registraties kunnen werkers helpen om hun intuïtief denken te structureren, om informatie te delen en goede praktijken te verspreiden. Procedures en afspraken over wie wat gaat doen, helpen om minder zaken over het hoofd te zien en om samen te werken.

Beperkt beeld

Hoewel regels en voorschriften onmisbaar zijn in het werk, moeten ze niet onvoorwaardelijk bewierookt worden. Registraties geven maar een beperkt beeld van de werkelijkheid.Dat bleek recent nog uit een analyse van elektronische informatiesystemen in de jeugdhulp: Devlieghere, J. (2017), ‘Elektronische informatiesystemen in sociaal werk. Een vat vol illusies’, Sociaal.Net, 13 juni 2017.

In een neerslag van makkelijk te meten indicatoren ontbreekt altijd wat moeilijk te registreren valt. Bijvoorbeeld de vertrouwensrelatie tussen kind en begeleider of het buikgevoel dat aangeeft dat nog niet alle informatie op tafel ligt.

Het jeugdhulpsysteem is niet de enige die onzekerheden wil elimineren. Elke hulpverlener heeft de neiging om in onduidelijke en complexe situaties houvast te zoeken in de eigen, maar beperkte zekerheden: “Die is de goede, die is de slechte en dit moet er gebeuren.”

Vals gevoel van zekerheid

Daar ligt een belangrijk risico. De jeugdhulpverlener die absoluut zeker weet hoe de zaak in elkaar zit, ondermijnt goede jeugdhulp. Want zo worden situaties fout ingeschat en verkeerde oplossingen voorgesteld.

“Hulpverleners moeten ruimte krijgen om fouten te erkennen.”

Daarom moet het jeugdhulpsysteem de hulpverlener ondersteunen om verschillende pistes open te houden, om risico’s steeds opnieuw in te schatten en oordelen en beslissingen aan te passen.

Complexiteit erkennen

Hulpverleners moeten de ruimte krijgen om fouten te erkennen en hun professioneel handelen in vraag te stellen. Als ze verlamd worden door de druk van de aansprakelijkheid, bestaat het gevaar dat ze te veel focussen op het louter volgen van voorschriften en procedures. Dat leidt de aandacht af van waarover het echt moet gaan: Krijgt dit gezin de juiste hulp?Serrien, L. (2017), ‘Verontrust over verontrusting. Juridisering verlamt hulpverleners’, Sociaal.Net, 2 februari 2017.

Daarom is het essentieel dat er, zowel in het aansturen als in de controle van de praktijk, rekening gehouden wordt met de complexiteit en onzekerheid van de dagelijkse werkpraktijk.

Procedures flexibel maken

Inschatten hoe een gezin het best geholpen wordt, kan niet van achter de computer. In kwalitatieve hulpverlening bouwen hulpverlener en cliënt geleidelijk aan een relatie op. Ze zijn zoveel mogelijk in partnerschap met elkaar.

Hulpverleners reageren aangepast en flexibel op de verscheidenheid aan gezinssituaties. Ze zetten hun professioneel oordeel in om de omschreven procedures aan te passen aan wat het gezin nodig heeft.

“Je schat een situatie niet in van achter je computer.”

Ze maken een brede inschatting van de situatie, samen met de ouders, kinderen, familie en de ruimere omgeving. Hulpverleners maken gebruik van de kennis en de expertise van het gezin en alle betrokkenen over wat er wel en niet goed loopt, over wat de beste oplossingen zijn om de situatie te verbeteren. Ze onderzoeken wie het gezin kan ondersteunen en wie er betrokken is op de veiligheid van de kinderen. Ze spenderen veel tijd met cliënten.

Defensieve cultuur bestrijden

Waar het kan, geven hulpverleners aan families kansen om de zorg voor de kinderen zoveel mogelijk zelf op te nemen. Ze houden hierbij rekening met een veelheid aan factoren, perspectieven en onzekerheden. Ze gaan in tegen de defensieve cultuur waarin risico-inschattingen vaak uitdraaien op het vermijden van risico’s op korte termijn: “Het veiligste is om het kind te plaatsen en enkel contact onder toezicht toe te staan.”

“Hulpverleners gaan in tegen de defensieve cultuur.”

Ze wegen zaken af en hebben oog voor de verborgen kosten en de risico’s op lange termijn. Wat doet een uithuisplaatsing met de jongere? Met de rest van de familie? Wat betekent dit voor hun levenskwaliteit?

Zorg en controle

Op die manier met gezinnen samenwerken, vraagt veel. Het vereist dat hulpverleners professioneel kunnen oordelen en dus over voldoende kennis en vaardigheden beschikken. Het vereist een goede balans tussen intuïtief en logisch denken en het steeds verder laten uitdagen van dat denken via training, werkbegeleiding en supervisie.

Het vraagt ook heel wat van organisaties. Die moeten de emotionele dimensie van hulpverlening expliciet erkennen. Medewerkers voelen zich ondersteund in een werkomgeving die ruimte laat voor kwetsbaarheid en onvoorspelbaarheid. Zo kunnen ze omgaan met de onzekerheden in hun werksituatie.

Het vereist ook dat hulpverleners en families de tijd en het vertrouwen krijgen om samen op weg te gaan. Met vallen en opstaan, soms meteen op het juiste pad, soms via een zijweg. Dat vertrouwen laat werkers toe om in hun relaties met gezinnen zorg en controle te combineren. In hun partnerschap zit zowel ondersteuning als confrontatie.Goris, P. (2017), ‘Signs of Safety is meer dan een jeugdhulpmethodiek. Dit is waarom ik hulpverlener ben’, Sociaal.Net, 17 april 2017.

Geen rad voor ogen

Dit is geen pleidooi om registratie-instrumenten, procedures, checklists of computers door het raam van de voorzieningen te gooien. We moeten ze gebruiken waar ze ons ondersteunen in onze job.

“Onzekerheid zit in het DNA van de hulpverlening.”

Maar ze mogen ons geen rad voor de ogen draaien. Ze kunnen de complexiteit en de onzekerheden waarmee we worstelen, niet wegnemen. Want die zitten ingebakken in het DNA van de hulpverlening.

Laten we hulpverleners en families de tijd en het vertrouwen geven om samen een traject af te leggen waarin de expertise van de families wordt samengebracht met die van de hulpverleners.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen