Ik deed mijn stinkende best en toch ging het niet

Anne getuigt over haar burn-out

Anne kampt sinds een jaar met een burn-out. Ze schreef een stuk waarmee ze anderen graag een hart onder de riem wil steken. Het verhaal van Anne is hard maar ook hoopvol. En ze wil de samenleving een geweten te schoppen: “Wanneer word je een beetje warmer en zachter?”Anne is een schuilnaam. Haar echte naam en werkomgeving zijn bekend bij de redactie.

burn-out
©123rf

Hangmat

Waarom zou je stoppen, als je kan gaan en blijven gaan? Dat vraagt mijn beeldbuis mij tijdens het reclameblok. Het blijkt een verkooppraatje te zijn voor een gsm-abonnement. Wel, beste operator, ik wil wel eens vertellen waarom even stoppen zo slecht nog niet is als het klinkt.

“Ik ben geen luie hangmat-profiteur.”

Ik heb een burn-out. Zo noemen ze dat. En dat is toch een beetje een taboe. De schaamte en angst om te worden weggezet als luie hangmat-profiteur muilkorft mezelf soms.

In de wirwar van het wereldwijde web zocht en vond ik getuigenissen. Verhalen achter de statistieken. Daar had ik het afgelopen jaar best wel wat aan. Mijn eenzame strijd wordt zo een beetje gedeelde smart. Maar een halve strijd? Dat is het allesbehalve.

Melkschuim

Na veel wikken en wegen besloot ik om er ook over te schrijven. Ik heb best wat getwijfeld. Want sommige dingen hebben nu eenmaal geen plaats in mijn geschreven publieke verhaal. Die deel ik misschien nog met je bij een kopje met opgeklopte melkschuim verrijkte koffie in de ochtendzon of in onze favoriete bruine kroeg bij schemering. Liefst dan muzikaal bijgestaan door Leonard of Tom.

Maar ik moet ook iets kwijt in schrift. Omdat ik het wil vertellen. Omdat ik de woorden in mijn hoofd wil bevrijden. Omdat je het mag weten. Als jij dat wil.

Burn-out

Ik heb sinds een jaar een burn-out. Eens de diagnose gesteld, kreeg ik er plots een stukje identiteit bij. Gratis en voor niets. Hoewel, gratis? Een dikke rode streep door de rekening.

“De geestelijke gezondheidszorg lijkt wel een luxeproduct.”

De geestelijke gezondheidszorg en coachings allerhande lijken wel een luxeproduct. Pokkeduur. Kwaliteit heeft zijn prijs, ik ben de eerste om dat te onderkennen. Maar wat kies jij, wanneer het kiezen is tussen die kwaliteit en dagelijks twee stukken fruit en een portie groenten? Kiezen is verliezen. Twee min één is soms gewoon nul.

Maar ik wil daarover niet klagen. Ik ben blij dat ik in een land geboren ben waar ik kan rekenen op een uitkering. En gelukkig biedt het wijkgezondheidscentrum ook een beetje soelaas. Die eerstelijnszorg is een rustpunt in de shitload aan informatie die over je uitgekotst wordt.

Ik dool van hulpverlener naar coach, van workshop naar cursus. Een overload die je als burn-outer net kan missen als kiespijn. Maar ik wil wel snappen wat er gebeurde. Een gids om door de bomen het bos te zien is noodzakelijk. Ik zette door, tot ik wist wat er aan de hand was. En toen begon het nog maar pas.

Het is wat het is

Er zweeft een perceptie van keuzevrijheid rond. Alsof ik gewoon had kunnen kiezen om door te zetten. Voltijds kan werken, mocht ik dat willen. Een eigen bedrijf starten als me dat zou liggen. Alles doen waar ik zin in heb. Maar het is geen keuze. Het is een gevolg. Een gevolg van wie ik ben, van wat ik doe, hoe ik het doe, welke keuzes ik maakte.

“Ik heb hier niet om gevraagd.”

Nee, ik pleit niet schuldig. Want één iets heb je nooit in de hand. En dat zijn de omstandigheden. Zóveel omstandigheden. Ik heb hier niet om gevraagd. Maar het is zo. Het is een situatie. Niets meer, niets minder. En laat mij daar dan vooral vrede mee hebben.

Mijn stinkende best

Ik liep altijd over van goesting. Goesting om dingen aan te pakken. En ik smeet me met mijn volle gewicht met bakken energie en tijd in alle richtingen. Problemen zijn er om opgelost te worden. Eerdere ervaringen hadden me geleerd dat ik het onhaalbare kon bereiken als ik maar mijn best deed.

En dat deed ik. Mijn stinkende best. In alles, maar dan ook in alles wat ik deed.

In mijn eigen huis, want dat wou ik toch zo graag. In een wereld van tweeverdieners is hypothecair geluk voor singles nu eenmaal een niet-te-winnen-strijd. Dus werd het een renovatie. Mijn hoopje betongeluk noem ik het soms, met zijn wakke muren, gevaarlijke elektriciteitsdraden en een lek dak. Maar ik ging ervoor. Volop.

“Voor mijn job deed ik alles.”

Net als in de verenigingen waar ik actief ben. Met mijn vrienden. In mijn fietsprojecten. Ik probeerde overal het onderste uit de kan te halen. Maar het meest nog voor mijn job. Daar deed ik alles voor. Gewoon goed was niet genoeg. Als het moest, liet ik alles vallen. Ja, ook mijn vrienden. De loodgieter. Een gezonde zelfgemaakte maaltijd. En mijn slaap.

Wat er dan precies misliep? Wat de druppel was en wat er al in mijn emmer zat? Dat deel ik liever niet. Dat is mijn zaak. En ook een beetje die van mijn werkgever.

Zwart voor mijn ogen 

Of het glas halfvol dan wel halfleeg is, schijnt een beetje een keuze te zijn en ook een beetje de aard van ’t beestje. Maar het gebeurde gewoon.

“Ik voelde geen verschil meer tussen warm en koud.”

Mijn glas was al lang leeg, maar ik had niets door. Al maandenlang schreeuwde mijn hele lijf. Mijn kop sloeg open en dicht. Mijn armen trilden en mijn maag keerde. Soms werd het minutenlang zwart voor mijn ogen. Letterlijk.

Ik voelde geen verschil meer tussen warm en koud. Ik kon alleen maar denken: doe het gewoon beter, harder en meer. Dan stopt het wel vanzelf. Ik was zodanig vervreemd van mezelf dat ik de signalen niet meer kon interpreteren.

Tranen

Vrije tijd werd een vaag concept van languit op de bank liggen, tv-kijken of mezelf naar buiten slepen wanneer het niet anders kon. Koken werd iets uit een ver verleden. In de zon genieten van fijn gezelschap kon ik niet meer opbrengen.

De weinige energie die er was investeerde ik in het woon-proof maken van mijn huis. Al kreeg ik daar nauwelijks energie van, in de veelheid aan alles wat er moest gebeuren, waren het immers druppels op een hete plaat.

“Tranen de vrije loop laten, werd een dagelijks ritueel.”

Op het werk was het een kwestie van niet van mijn stokje te gaan. Wakker te blijven achter mijn laptop. Te verbergen hoe slecht het écht ging door mijn tranen in te slikken. Die tranen de vrije loop laten op mijn fietstocht naar huis werd een dagelijks ritueel. Als ik te moe was om te fietsen, stapte ik de negen kilometer naar huis met mijn fiets aan de hand.

Ik hield mezelf voor dat ik geen opgever ben. Geen plooier. Dus opnieuw. En opnieuw. En opnie. En opn. En. En… Tot er iets brak. Niet van de ene dag op de andere, zoals een houten stokje. Eerder als een steunbalk die al jarenlang aan het doorbuigen was en het beetje bij beetje begeeft.

De vermoeidheid werkte het bereiken van resultaten tegen en het uitblijven van successen maakte mij doodop. Een wisselwerking die zichzelf in stand hield. Een doolhof zonder uitgang.

Mag ik slapen nu?

En dan kwam het moment dat ik wel naar de dokter moest. In de spiegel zag ik een vreemde met dubbele wallen en vale huid. Een ongelukkig klein meisje. Een schim van wie ik ooit was.

“In de spiegel zag ik een ongelukkig klein meisje.”

Ik belde twee mensen. Mijn baas en een vriendin. Met mijn laatste restje energie maakte ik een waslijst van de belangrijkste lopende zaken voor het werk.

En dan mocht ik thuis zijn. Mijn agenda was plots niet meer relevant. Ik had maar één opdracht van de dokter: slapen. Praten zouden we later wel doen. En slapen, deed ik. Urenlang, enkel wakker wordend als ik een slokje water wou. Uiteindelijk sliep ik vier dagen lang, zonder buiten te komen. Zonder publiek. Ik maakte mezelf onbereikbaar.

Toen ik voor het eerst terug buiten kwam was ik na enkele uren opnieuw doodop. En dan deed ik het nog eens fijntjes over. Dagenlang slapen, enkel slapen.

Vitamine C

Beetje bij beetje breidde mijn programma uit. 24/24 slapen werd 22u. 22 werd 20. 20 werd de helft van de dag. Ik haalde mijn smoothiemaker van onder het stof, want ik snakte naar vitamine C. Ik begon terug te lopen met Start2Run.

Het zorgen voor mezelf werd een dagtaak. Meer kon ik ook niet doen. De krant lezen of een film in één keer uitkijken was uitgesloten. Maanden later heb ik nog steeds geen goed slaap-waak-ritme, maar met een slakkengangetje gaat het de goede richting uit.

Hoe meer ik een normaal ritme krijg, hoe harder ik voel hoe moe ik eigenlijk ben. Hoe zwaar ik erover ben gegaan.

Het vangende net van vrienden

Handjes dat ik al gekust heb. Twee om precies te zijn. Die van mezelf. Het vangende net van vrienden en het netwerk rondom mij dat zich uitrolde is werkelijk onbeschrijfbaar. Bigger than life. Nee, ik overdrijf niet.

“In nood kent men zijn vrienden.”

Een handjevol vrienden had al lang door dat er iets scheelde. Ze probeerden het me al eerder duidelijk te maken. Ze hielpen me met een make-over in mijn living, een uitnodiging om te komen eten of mij uit mijn kot te sleuren om te zwemmen. Ze openden voorzichtig mijn ogen opdat ik uiteindelijk de eerste stap naar een dokter durfde te zetten.

In nood kent men zijn vrienden. Een cliché dat zo waar is. Ik had nooit beseft hoe groot mijn netwerk is. Er bleken méér luisterende oren te zijn dan ik ooit had durven dromen. De vaste waarden in mijn leven bleken helemaal niet verdwenen, ook al had ik ze maandenlang verwaarloosd. Vriendschappen die de tand des tijds hebben doorstaan, konden tegen dat stootje, zo blijkt.

Aan sommigen kon mijn hele verhaal kwijt, met anderen ging ik in het gras liggen om naar de lucht te staren. Urenlang en zonder woorden. Wat verder in de herstelperiode leerde ik ook veel nieuwe mensen kennen. Daar bleken enkele pareltjes tussen te zitten. Ik kreeg een spiegel voor. Sommigen openden mijn ogen. Waarom ik mezelf niet wat vaker op een sokkel zou plaatsen. Dat gewoon goed soms ook al fantastisch is.

Mijn vrienden zijn zo zacht voor mij. En kritisch op een fijne manier.

Of er ook vrienden afhaakten? Jazeker, gelukkig kan ik ze op één hand tellen. Niet iedereen begreep waar ik door moest. Of ze hadden er geen zin in, kan ook. Het is hun goed recht, ik kan niet in een ander zijn hoofd kijken. Dan maakt het niet meer uit wat je ooit deelde of voor elkaar deed. Of je dat nu wil of niet, sommige vriendschappen zijn niet bestand tegen zo’n impact. Dat hoort erbij. Ik incasseerde en slikte het moeizaam weg. Als een deel van het leven. Iedere oude vriendschap is een hoop levenswijsheid meer in mijn rugzak. Die altijd klaarstaat voor een volgende tocht.

Waar is mijn identiteit heen?

Ik kreeg één groot cadeau van mijn huisarts. Tijd. Tijd om te rusten. Tijd om te denken.  Ik vroeg me af wie ik nu eigenlijk was. En wie ik wil zijn.

“Ik vroeg me af wie ik was.”

Identiteit is een vreemd onzichtbaar beestje. Er zijn verschillende manieren om je voor te stellen aan je medemens en jezelf. Elke gemaakte keuze was een puzzelstuk van wie ik was. Bij elke stap vooruit groeide mijn puzzel. Ik bleef het groter plaatje waarderen voor wat het was.

Maar wat als je plots noodgedwongen enkele stappen terug moet zetten? Voorlopig is het antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’ één grote soep van losse flodders. Ik vind het nog steeds heel lastig om de definitie die ik aan mezelf gaf met mondjesmaat los te laten. Welke richting het uitgaat, valt niet te voorspellen.

Ik weet het even helemaal niet meer. Dat is waar ik het momenteel mee moet doen. Dit aanvaarden was een moeilijke stap, maar één van de beste die ik kon nemen.

Gaat dit ooit nog over?

Of dit ooit nog over gaat? Het is iets waar ik me best wel zorgen over maak. Beter? Ja, lichte langzame progressie zie ik wel. Maar of ik ooit terug de ‘oude’ zal zijn?

“Ik word nooit meer dezelfde.”

Nee, eigenlijk niet. Ik word niet meer dezelfde. Waarom zou ik dat ook willen? Iemand zijn die zichzelf ziek werkt? Energie pompen in mensen die me ongelukkig maken en zij die me gelukkig maken verwaarlozen? Bruggen bouwen daar waar het water te diep is, maar ook de grond niet stevig genoeg?

Zo iemand moet ik niet willen zijn. Dat ben ik aan mezelf verplicht. Maar wie ben ik dan wel?

Ik zit met veel onbeantwoorde vragen en heb geen idee waar mijn leven heen gaat. En weet je wat? Ik ben er helemaal ok mee dat ik geen idee heb waar ik naartoe wil. Wat ik wel weet is welke ingrediënten levensnoodzakelijk zijn en welke snufjes als optie geparkeerd staan. En dromen over wat er zou kunnen mogen, dat doe ik nog steeds. Dat geef ik nooit op.

Mijn energieke zelf

Ik wil terug mijn energieke zelf worden. En ik wil de kunst leren om die energie te doseren.

Ik bouw opnieuw aan mijn puzzel. Stukje voor stukje. Sommige stukjes zullen er geen plaats meer hebben en moeten ruimte maken voor deeltjes nieuwe inzichten. Maar hoe ze eruit zal zien, geen idee. Spannend, niet?

“Burn-out is een echte uitputtingsslag.”

Laten we niet hypocriet doen. Alsjeblieft. Als je hart en ziel in je job legt, heb je het meeste te verliezen. Dan blijf je dat doen. Tot je gedesillusioneerd crasht.

Er zijn mensen die denken dat het ‘tussen de oren’ zit. Dat het slechts een kwestie is van negatieve ingesteldheid. Dat raakt me diep, want dat is het niet. Burn-out is een echte uitputtingsslag, roofbouw op je lijf en geest.

De maatschappij is een rollercoaster

Ik moet sommige dingen anders aanpakken, wordt mij gezegd. Ik ben akkoord. En wees maar gerust dat ik dat doe. Daar worden we allemaal beter van.

Maar, willen we niet hypocriet doen? En wil onze maatschappij ook een beetje mee? Denkt het beleid ook even mee aan hoe het anders zou kunnen?

“Verhalen over ‘Elke dag een Dafalgan’ doen me huiveren.”

Terwijl knappe politieke koppen nadenken over meer en sneller controleartsen bij langdurig zieken, moet onze keiharde rollercoastermaatschappij blijven draaien. Een economie die zo gericht is op groei en cijfers kan niet anders dan leven op menselijke energie. In de economie van de onbetaalde kosten wordt niet enkel op ons milieu maar ook op onze gezondheid roofbouw gepleegd.

Terwijl het middenveld schreeuwt om een andere aanpak, wordt de weg van een volle, lange en zware loopbaan steeds meer vast gebeiteld in onze samenleving.

Ik zie het ook in mijn netwerk. Jonge, slimme mensen met visie en drive die hun eerste stappen op de arbeidsmarkt zetten. De druk zorgt ervoor dat hobby’s op een lager pitje moeten draaien. Het piekeren verhoogt. Verhalen over ‘Elke dag een Dafalgan’ doen me huiveren. Veel jonge starters vertellen me hoe hard ze het werkleven hebben onderschat.

Preventiebeleid wordt bij veel werkgevers gezien als een louter administratieve handeling, niet als een krachtig instrument voor het verhogen van de veerkracht van hun mensen. Een gemiste kans.

En als je niet mee kan? Dan val je uit de boot. Dan ben je maar ziek. Dan moet je werken aan jezelf tot je weer mee kan draaien in de roetsjbaan waar je geen grip op hebt.

Willen we iets afspreken?

Willen we een deal sluiten, maatschappij waarin ik leef? Ik zal blijven werken aan mezelf. Ik blijf mezelf verbeteren en ontplooien. Ik zal niet stoppen met bruggen bouwen, alleen zal ik het nu wat slimmer aanpakken. Voor mezelf, maar ook een beetje voor jou. Omdat je me toch wel dierbaar bent en omdat ik hou van de mensen die je onder je vleugels hebt.

Maar wil jij ons, de mensen die je herbergt, dan ook een beetje tegemoetkomen? En word jij dan een beetje zachter en warmer? Geef je ons dan de ruimte om ook eens gewoon goed te doen, en mogen we soms ook eens keihard falen?

“Willen jullie echt werk maken van werkbaar werk?”

Wil je de sociale cohesie nog een extra duwtje in de rug geven, want die hebben wij zo hard nodig? Kan je de bossen laten voor wat het is, want we wandelen er zo graag? Zorg je ervoor dat racisme geen kans krijgt, want mijn buren willen ook graag meedoen? Mogen we later ook met pensioen wanneer we nog gezond zijn? Zullen we morgen ons huis nog kunnen verwarmen zonder dat het ons financiële kopzorgen geeft? Willen jullie stoppen met ruziemaken en echt werk maken van werkbaar werk?

Ik ga alvast mijn stinkende best doen. Ik hoop van jou hetzelfde.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen