Opinie

‘Mantelzorg stopt niet aan de deur van het woonzorgcentrum’

Marijn Loozen

Het is niet omdat een zorgvrager verhuist naar een woonzorgcentrum dat de rol van de mantelzorger is uitgespeeld. Woonzorgcentra hebben baat bij de expertise van de mantelzorger. Die kent zijn naaste namelijk door en door.

© Unsplash / Ravi Patel

Veel soorten

Mantelzorgers zijn er in veel soorten. Sommigen nemen vrijwillig, 7 dagen op 7, 24 uur per dag de zorg op voor hun naaste. Vaak combineren ze dit met hun werk en gezin. Daarnaast zijn er occasionele mantelzorgers, mantelzorgers die af en toe zorg opnemen.

‘Mantelzorgers zijn er in veel soorten.’

Mensen gaan er meestal van uit dat mantelzorg enkel thuis plaatsvindt. En dat eens de zorgbehoevende in een woonzorgcentrum verblijft, de mantelzorg ophoudt. Dat klopt niet. Wel verschilt de mantelzorg in een woonzorgcentrum grondig van deze thuis.

Van hoofdrol naar figurantenrol

Thuis nemen mantelzorgers het gros van de taken op. De zorgprofessional speelt slechts een bijrol. Vaak wordt de professionele hulpverlener zelfs pas ingeschakeld als de mantelzorger de zorg voor zijn naaste niet alleen meer aankan.

In de residentiële zorg draait de situatie helemaal om. Daar nemen zorgprofessionals de meerderheid van de taken op. Veel woonzorgcentra gaan ervan uit dat je de mantelzorger ontlast door alle taken over te nemen.

Mantelzorger An kan hiervan meespreken. Ze is al jaren mantelzorger voor haar moeder met dementie. Eerst thuis, sinds een paar jaar in een woonzorgcentrum. Na een eerste slechte ervaring verhuisde haar moeder naar een ander woonzorgcentrum.

An ervaarde in het eerste woonzorgcentrum dat het personeel er moeite mee had dat ze mee wou helpen tijdens de maaltijden van haar moeder. “Dat is nu onze job. En je bent nu af van je zware mantelzorgtaak”, kreeg An te horen.

Overdragen van zorg

Mantelzorgers en medewerkers van een woonzorgcentrum beschouwen een verhuis nog vaak als het volledig ‘afgeven’ en overdragen van de zorg. Het personeel gaat daarom de mantelzorger niet vragen om inspraak, laat staan om samenspraak.

‘Veel mantelzorgers willen betrokken blijven.’

Sommige mantelzorgers zijn blij dat hun zorgtaak voorbij is en ze voortaan gewoon op bezoek kunnen gaan. Iemand die occasioneel opduikt als toeschouwer van de zorg, niet als verstrekker van zorg. Dit moeten we uiteraard respecteren.

Andere mantelzorgers vinden het wel belangrijk om betrokken te blijven bij de zorg. Het is niet omdat de zorgvrager verhuist naar een woonzorgcentrum dat de rol van de mantelzorger is uitgespeeld. Mantelzorg opnemen stopt niet aan de deur van het woonzorgcentrum.

Expertise

Woonzorgcentra hebben baat bij het gebruik van de expertise van de mantelzorger. De mantelzorger kent immers zijn naaste door en door. In de thuiszorg heeft men dit al goed begrepen. Daar is de mantelzorger een medehulpverlener, een collega van de zorgprofessional. Maar die rol is lang niet overal ingeburgerd in woonzorgcentra.

De thuiszorg aanvaardt makkelijk dat de mantelzorger de expert is over de zorgvrager. Dat verandert niet in een woonzorgcentrum. Het is dan ook noodzakelijk dat de expertise van de mantelzorger zo goed mogelijk meegenomen wordt.

‘De mantelzorger kent zijn naaste door en door.’

Sommige mantelzorgers willen niet enkel overleggen over de zorg maar ook effectief zorgtaken opnemen. Zo zijn er mantelzorgers die mee willen helpen bij de verzorging of bij de maaltijden.

An mocht na lang aandringen in het eerste woonzorgcentrum van haar moeder helpen bij de maaltijd. Al kon dat enkel op de kamer en op vaste tijdstippen. “Als ik wat later was door een oponthoud in het verkeer, was dit een probleem. Het tijdstip van de maaltijd was voorbij voor het personeel. En dus ook voor mijn moeder.”

Dat liep helemaal anders in het tweede woonzorgcentrum. Daar kon An de maaltijd zelf uit de koelkast halen. Als ze wat later aankwam, was dat geen probleem.

Zorgplan

Woonzorgcentra kunnen met de mantelzorgers best in gesprek gaan over het takenpakket en bekijken wat de mantelzorger nog wil en kan opnemen. Hierbij is het belangrijk om mantelzorgers te blijven erkennen en waarderen. “Een schouderklopje of gewoon een luisterend oor deden me enorm deugd”, geeft An aan.

Het is daarom belangrijk dat voorzieningen van bij de start de bewoner en mantelzorger betrekken. Goed begonnen, is half gewonnen. Dit kunnen ze doen door in overleg met de mantelzorger en bewoner een zorgplan op te maken.

Te gast

Naast een verandering van rol van de mantelzorger, verandert bovendien ook de setting. Voordien was een hulpverlener te gast in het huis van de mantelzorger en zorgvrager. Nu is deze een zorgverstrekker die werkt in ‘zijn’ voorziening.

De mantelzorger en bewoner zijn nu de ‘gasten’. De directie bepaalt de regels van het huis, niet de mantelzorger of bewoner. Zo kon An haar moeder in het eerste woonzorgcentrum enkel vrij bezoeken tijdens de uren waarop de deuren vanzelf opengingen.

‘Mantelzorger en bewoner zijn gasten.’

In andere voorzieningen moet de mantelzorger dan weer eerst aanbellen om binnen gelaten te worden door een zorgprofessional. De bewoner is geen baas meer in eigen huis. “In het tweede woonzorgcentrum kreeg ik wel een badge en kon ik mijn moeder vrij bezoeken. Enkel ‘s nachts ging de voordeur op slot en moest ik aanbellen.”

Kleine dingen

De zorg oogt in het tweede woonzorgcentrum veel warmer en huiselijker, getuigt An. Op de kamerdeur staat bijvoorbeeld niet langer ‘mevrouw Willems’ maar ‘Lucie Willems’. De bedsprei heeft een mooie bloemenprint, de muren van de kamer hebben warme kleuren.

Het zijn kleine dingen, maar ze verhogen het welzijn van bewoner en mantelzorger. Om goede zorg te verlenen, moeten woonzorgcentra bewust met deze elementen omgaan. Zo voelen bewoners en mantelzorgers zich meer thuis.

Van coördinator naar toeschouwer

De verhuis naar een woonzorgcentrum is erg ingrijpend voor zowel bewoner als mantelzorger. Aangezien de coördinatie van de zorgtaken voortaan gebeurt door het woonzorgcentrum, wordt de mantelzorger vaak herleid tot toeschouwer.

Net als in de thuissituatie durven veel mantelzorgers problemen met professionals niet aankaarten uit vrees om als lastpost bekeken te worden. Ze zijn bang dat de klacht of opmerking een negatieve weerslag zal hebben op hun naaste.

‘Mantelzorgers durven problemen niet aan te kaarten.’

Door zijn coördinerende functie staat de mantelzorger in de thuiszorg toch beduidend sterker. Klikt het niet met een hulpverlener in de thuiszorg, dan kan hij op zoek gaan naar een andere oplossing. Dit is veel moeilijker binnen de residentiële zorg.

In de thuiszorg voelt een kwart van de mantelzorgers zich zwaar overbelast. Deze stress neemt nog toe bij inschakeling van professionele hulpverleners, de zogenaamde steunparadox.

Die steunparadox kan ook opduiken in een residentiële ouderenvoorziening. Terwijl je als mantelzorger of zorgvrager thuis vaak zelfstandig beslissingen neemt, moet je je nu immers schikken naar de visie en manier van werken van het woonzorgcentrum.

Partners in de zorg

Een goede overlegcultuur tussen bewoner, mantelzorger en professional maakt dat mantelzorgers en bewoners niet louter toeschouwers zijn, maar partners in de zorg.

‘Inspraak doet stress afnemen.’

In het tweede woonzorgcentrum kon An bijvoorbeeld instructies op het nachtkastje leggen, zodat het personeel kon inspelen op concrete noden. An kon ook tips en tricks uitwisselen tijdens de verzorging.

Door inspraak te krijgen, hebben mantelzorgers en bewoners meer impact. Dit doet de stress afnemen. Een goede samenspraak houdt bovendien in dat feedback kan gegeven worden wanneer de zorg niet meer aangepast is aan de actuele zorgbehoefte.

Nood aan vertrouwde gezichten

Wanneer je zorg nodig hebt, bevind je je vaak in een kwetsbare positie. Je hebt dan meer dan ooit nood aan vertrouwde gezichten die je omringen en voor je zorgen. Het is zowel thuis als in een woonzorgcentrum belangrijk dat de zorgbehoevende kan rekenen op een goede zorg van vertrouwde gezichten.

In een woonzorgcentrum is dit een uitdaging omdat een grote personeelsgroep in contact komt met de bewoner. Denk maar aan zorgkundigen, verpleegkundigen, poetshulpen, kinesisten, jobstudenten en stagiairs.

Meestal kennen de bewoner en mantelzorger niet eens de namen van deze mensen of krijgen ze de namen nooit te zien. Ze weten vaak niet wie welke taken uitvoert. Dit kan zeer stresserend zijn, zowel voor de mantelzorger als de bewoner. Voor mensen met cognitieve problemen is dit zeker belastend, want iedere zorgverstrekker heeft zijn eigen manier van werken en communiceren.

Maak dus tijd voor een goed contact tussen de bewoner, mantelzorger en professional. Zo leren ze elkaar beter kennen. Dit heeft een positief effect op de zorgbeleving.

Een goede samenspraak tussen zorgvrager, mantelzorger en zorgverlener verhoogt de kwaliteit van leven en zorg in een woonzorgcentrum. De tool ‘Samenspraak’, aangepast aan de context van een woonzorgcentrum, helpt om het gesprek aan te gaan.

Reacties [2]

  • Anja

    Heel mooi verwoord en herkenbaar. Behalve de betrokkenheid van de mantelzorger komen er meerdere praktische zaken bij, wat je eigenlijk niet wilt ivm. geestelijke belasting. Zijn ook betere momenten hoor. Men werkt hard, maar je dierbare leren kennen is zwaar.

  • Geneviève Colsoul

    Fijn dat jullie dit onder de aandacht brengen. Ik wil een ander probleem signaleren. Toen de dame die ik bezocht, als vrijwilliger in een Lokaal dienstencentrum, kon ik deze bezoeken niet verder zetten omdat ze in haar nieuw situatie onder een andere reglementering valt. In een situatie waar ze heel haar hebben en houden moest achter laten, was ik verondersteld haar ook in de steek te laten, wat ik onmenselijk vond. Ik zet dit verder op eigen intiatief. Kan er niet geijverd worden voor een of andere overgangsregeling?

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.