Opinie

Repatriëring IS-kinderen: publieke opinie versus wetenschap

Sofie Vindevogel

De kinderen van Belgische IS-strijders worden in het publiek debat voorgesteld als tikkende tijdbommen. Onderzoekster Sofie Vindevogel biedt vanuit wetenschappelijk perspectief weerwerk.

© Unsplash / Elmer Canas

Anekdotiek

Er vloeide de afgelopen maanden al behoorlijk wat inkt over de operatie waarbij kinderen van Belgische IS-strijders naar ons land worden overgebracht. In het maatschappelijk debat wordt niet zelden gewaarschuwd voor de ernstige problemen van deze kinderen en de uitdagingen of zelfs bedreigingen die ze kunnen vormen voor onze samenleving.

De situatie van deze kinderen wordt vooral vanuit een problematiserend discours geanalyseerd, met een focus op psychopathologie. De kinderen worden voorgesteld als een verloren generatie met onoverkomelijke moeilijkheden. Als tikkende tijdbommen, die gebrainwasht uitvoeren wat IS hen opdraagt.

‘Ze worden voorgesteld als tikkende tijdbommen.’

“IS hoopt nu dat zij hun gedode ouders zullen wreken en zullen uitgroeien tot de meest gewelddadige jihadisten ooit. De gevaren daarvan worden hier duidelijk onderschat”, luidde het bijvoorbeeld in een opiniestuk in De Standaard.

Men is bezorgd dat deze kinderen het politiek geweld en de terreur van het IS-regime hier zullen verderzetten. Dit leidt ertoe dat ze gepercipieerd worden als een risico voor onze samenleving.

Deze opinies en argumenten tegen repatriëring komen op losse schroeven te staan wanneer we ze aan een wetenschappelijke toets onderwerpen. Helaas is de publieke opinie niet zo verknocht aan wetenschappelijke evidentie als aan anekdotiek.

Kinderen als slachtoffer of dader?

Kinderen die doelbewust worden betrokken bij terreurbewegingen en zelfs actief worden ingezet om wreedheden tegen burgers uit te voeren, hebben meestal een zeer dubieuze positie. Zijn ze slachtoffer of dader?

In de getroffen samenleving kunnen veroordelende houdingen en vijandigheid de overhand nemen, vooral als blijkt dat deze kinderen een actieve rol speelden bij oorlogsmisdaden. Het daderperspectief overheerst dan. Dit vormt een ideale voedingsbodem voor het portretteren van deze kinderen als een bedreiging en voor angst over deze repatriëringsoperatie.

Het is goed gedocumenteerd dat kinderen door IS werden ingelijfd onder invloed van uitgekiende rekruteringsstrategieën en familiale, sociale, politieke en religieuze druk.Morris, J. and Dunning, T. (2018), ‘Rearing cubs of the Caliphate: an examination of child soldier recruitment by Da’esh’, Terrorism and Political Violence.Onderzoek toont bovendien dat jonge kinderen niet steeds even bewust kunnen instemmen met gewelddadige activiteiten. Ze kunnen de gevolgen van die daden ook maar beperkt inschatten.Singer, P.W. (2006), ‘Children at War’, Berkeley, University of California Press.

‘Kinderen verwerken wat ze meemaken.’

Het is belangrijk te erkennen dat IS verregaande inspanningen heeft geleverd om deze kinderen te beïnvloeden, wat sporen nalaat in hun wereld- en mensbeeld. Dat deze kinderen veelvuldig werden geconfronteerd met extreme misdaden en socialiseerden in een cultuur van geweld, mogen we evenmin onderschatten.

Opinieschrijvers die aannemen dat deze ervaringen rechtstreeks zullen resulteren in toekomstig geweld, lijken te vergeten dat kinderen op een actieve en sociale manier verwerken wat ze meemaken. Hoewel er geen twijfel over bestaat dat oorlog hun welbevinden onder druk zet, wijst veerkrachtonderzoek overtuigend op het verwerkings- en aanpassingsvermogen van kinderen.Tol, W. A., Song, S. And Jordans, M. J. (2013), ‘Annual Research Review: Resilience and mental health in children and adolescents living in areas of armed conflict – A systematic review of findings in low- and middle-income contries’, The Journal of Child Psychology and Psychiatry, 54(4), 445–460.

Hoe onderbouwd is het debat?

Het is onbekend wat de kans is dat deze kinderen zich in de toekomst gewelddadig opstellen. Op individueel niveau is het niet met precisie te voorspellen. Longitudinale studies over de integratie en het welbevinden van voormalige kindsoldaten of minderjarigen betrokken bij gewapende groeperingen zijn schaars.

‘Ze slagen erin om goed te functioneren.’

Niettemin blijkt uit onderzoek dat de meeste kinderen op lange termijn zonder noemenswaardige problemen hun plek in de samenleving terugvinden. In tegenstelling tot de grimmige beelden die vaak van hen circuleren, slagen deze kinderen, en later volwassenen, erin om relatief goed te functioneren in de samenleving.Betancourt, T. S. e.a. (2010), ‘Sierra Leone’s former child soldiers: a longitudinal study of risk, protective factors, and mental health’, Journal of the American Academy of Child and Adolescent, 49(6). Boothby, N. e.a. (2006), ‘Mozambique child soldier life outcome study: lessons learned in rehabilitation and reintegration efforts’, Global Public Health, 1(1), 87-107. Vindevogel, S. (2013), ‘From military to civilian life: Challenges and resources in the transition of former child soldiers in northern Uganda’, Gent, Academia Press.

Een studie die voormalige kindsoldaten tot vijftien jaar na hun terugkeer opvolgde, identificeert als belangrijkste uitdagingen het stigma en gebrek aan acceptatie binnen hun familiaal en sociaal netwerk en binnen de samenleving.Betancourt, T. e.a. (2019), ‘Stigma and acceptance of Sierra Leone’s child soldiers: A prospective longitudinal study of adult mental health and social functioning’, Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry.

Welbevinden en integratie

Sociaal isolement, discriminatie, marginalisering en verdere blootstelling aan traumatische ervaringen, in afwezigheid van de nodige ondersteuning voor deze kinderen, kan een verregaande invloed uitoefenen op hun welbevinden en integratie.Vindevogel, S. (2013), ‘From military to civilian life: Challenges and resources in the transition of former child soldiers in northern Uganda’, Gent, Academia Press.

Zo’n negatieve ervaringen bemoeilijken de verwerking van eerdere traumatische ervaringen. Ze zijn een katalysator voor bijkomende psychosociale moeilijkheden. Bovendien zorgen zulke ervaringen ervoor dat de nodige verbinding tussen deze jongeren en de samenleving niet hersteld of geïnstalleerd wordt.

Als er dus al sprake zou zijn van sociaal deviant of psychopathologisch gedrag bij deze kinderen op latere leeftijd, is de kans reëel dat de grond daarvoor net hierin terug te vinden is.

Cruciale succesfactor

Uiteraard is elke conflictsituatie en elke maatschappelijke context uniek. We moeten voorzichtig zijn met het veralgemenen van onderzoeksresultaten naar andere contexten. Maar wat buiten kijf staat, is dat onderzoek sterkere indicaties aanlevert voor de goede integratie van deze kinderen dan voor de kans dat ze een reëel gevaar betekenen voor de samenleving. Betancourt, T. S. e.a. (2010), ‘Sierra Leone’s former child soldiers: a longitudinal study of risk, protective factors, and mental health’, Journal of the American Academy of Child and Adolescent, 49(6).

‘Integratie is geen individuele opgave.’

Wat telkens als cruciale succesfactor naar voor komt, is dat integratie geen individuele opgave is. Het is niet louter een verhaal van traumaverwerking, maar van een voortdurend zoeken naar de eigen identiteit, onderhandelen van de sociale positie en uitbouwen van toekomstperspectieven. Deze processen gebeuren per definitie telkens in relatie met de context.

Vooral bij kinderen is dat proces erg belangrijk in functie van integratie, want hun identiteit ontwikkelt zich dan ten volle. De integratiecontext levert een belangrijke alternatieve identificatiebasis, waarop gunstige ontwikkeling zich kan enten.Phinney, J.S. en Baldelomar, O.A. (2011), ‘Identity Development in Multiple Cultural Contexts’ in: Jensen (Ed) ‘Bridging Cultural and Developmental Approaches to Psychology’, Oxford University Press, Oxford, 161- 186.

Context betrekken

De notie ‘kind-in-context’ is dus absoluut noodzakelijk bij het voorbereiden van de terugkeer van deze kinderen en hun langdurige ondersteuning. Integratiestrategieën mogen dus niet alleen gericht zijn op deze kinderen, maar moeten ook de onmiddellijke sociale en bredere maatschappelijke context intensief betrekken.

‘Elk kind dat in oorlog opgroeide moet ondersteund worden.’

Elk kind dat in een oorlogscontext opgroeide moet nauw opgevolgd en langdurig ondersteund worden. Maar daarnaast moeten we onze aandacht verbreden: zijn de sociale en maatschappelijke hulpbronnen die het welzijn van kinderen bevorderen aanwezig, of kan het gebrek daaraan hun welzijn en integratie ondermijnen?

De mate waarin de samenleving voorwaarden schept die bevorderlijk zijn voor het welzijn en de integratie van deze kinderen is dus een belangrijke pijler in het uittekenen van een integratiebeleid. Veerkracht bevorderen door een sterke ondersteunende context rond elk kind uit te bouwen, vormt de belangrijkste focus voor interventies.

Integratie als collectieve uitdaging

Zo promoten we een dynamische en collectieve benadering van integratie. Hierdoor plaatsen we het integratieproces van deze kinderen waar het thuishoort: in de sociale sfeer.

Al te vaak wordt de impact van inherent sociale fenomenen zoals gewapend conflict, rekrutering van minderjarigen, mensenrechtenschending of ontheemding als een individuele zaak afgeschilderd. Dit verbergt de sociale oorzaken van deze maatschappelijke fenomenen. Het legt een enorme verantwoordelijkheid bij de mensen die erdoor worden getroffen.

Het leidt tot een individuele framing van een complex proces, waarbij een hele samenleving is betrokken. Onderzoek over herstel in de nasleep van politiek geweld benadrukt het belang van het wederzijdse proces van zelftransformatie en sociale transformatie. In dat proces is het een collectieve uitdaging om nieuwe manieren van leven en samenleven te ontdekken.Derluyn, I. Vindevogel, S. en De Haene, L. (2014), ‘Toward a relational understanding of the reintegration and rehabilitation processes of former child soldiers’, Journal of Aggression, Maltreatment & Trauma, 22(8), 869-886.

We kunnen dus niet met zekerheid voorspellen welke richting deze kinderen na hun terugkeer in België zullen uitgaan. Maar op basis van onderzoek weten we wel dat deze richting sterker zal worden bepaald door de kansen die ze wel of niet krijgen om hun leven hier uit te bouwen, dan door de ervaringen die ze opdeden onder IS. Boothby, N. e.a. (2006), ‘A world turned upside down. Social ecological approaches to children in war zones’, Bloomfield, CT, Kumarian Press.

Reacties

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.