Column

‘Ik vind het vreselijk dat mijn moeder doodgaat. Het doet verdomme pijn.’

Han Zinzen

Han Zinzen

Han Zinzen is freelancejournalist en schrijver van fictie en non-fictie.

© Unsplash / Jeremy Wong

Mijn moeder

Mijn oude moeder gaat dood. Dat heb je met oude moeders.

‘Mijn moeders boosdoener is een tumor.’

Iedereen maakt dat vroeg of laat mee. Het ding is: je bent daar nooit op voorbereid. Je weet dat het ooit zal gebeuren. Maar als het zover is, komt het nieuws aan als een voorhamer, pal op de slaap. Het wordt zwart voor de ogen en je staat te wankelen op je benen. Misselijkheid dringt zich op als een kleuter die geen suikerstok krijgt.

Mijn moeders boosdoener is een tumor – als een tennisbal zo groot – op de aanhechting van de slokdarm met de maag. Bovendien heeft die tumor enkele trawanten naar de lever gestuurd, wat maakt dat een behandeling niet meer mogelijk is.

Zelf aanvaardde mijn moeder het nieuws stoïcijns. Met rechte rug, voor zover die op haar leeftijd (82) nog recht kan staan. En ze verontschuldigde zich voor de last.

Eeuwig leven

Twee jaar geleden realiseerde ik me voor het eerst dat mijn ouders niet het eeuwige leven hebben. Mijn vader had een lichte hartaanval die ogenschijnlijk niet zoveel schade aanrichtte, maar hij moest toch enkele overbruggingen in de kroonslagaders krijgen. Langs alle kanten werd me verzekerd dat het een routineklus was.

Mijn vader was toen tachtig en ik vertrouwde het zaakje voor geen meter. Ik was bang. Daar heeft die oude knorpot achteraf nog smakelijk om gelachen. Hij staat er tot mijn grote vreugde nog steeds.

Maar voor mijn moeder is het einde wel degelijk in zicht. En ik besef dat ik mijn zegeningen moet tellen. Mijn beide ouders hebben een rijk gevuld leven achter de rug. Ze hebben hun kinderen alle mogelijke liefde gegeven die menselijk maar mogelijk is. En nog veel meer.

Pijn

Theoretisch, op papier, zwart op wit, besef ik dat het voor iemand van meer dan tachtig niet onlogisch is om te gaan.

Maar dat is Excel-denken. Een mens leeft niet op papier, rekent een leven niet uit. Ik vind het vreselijk dat mijn moeder doodgaat. Het doet verdomme pijn.

‘Ik besef dat het voor iemand van meer dan tachtig niet onlogisch is om te gaan.’

Mijn moeder heeft ook pijn. Of wat dacht je? Ze wil geen pijn. Ze heeft dat ook duidelijk gemaakt aan de arts. Ze wou pijnstilling. Het was geen vraag.

Gelukkig leven we in tijden dat dit geen taboe meer is. Zonder tegenpruttelen schreef de dokter pleisters voor met de laagste dosis morfine. En tabletjes met een even lage dosis voor mocht de pijn toch te erg worden. Van het ogenblik dat die combinatie niet meer afdoend is, wordt de dosis verhoogd. No questions asked.

Begrip

Voor mensen die doodgaan, bestaat veel begrip.

Verpleegkundigen, artsen, iedereen in dokterspraktijken en ziekenhuizen ontfermt zich over haar met veel menselijkheid. Mijn moeder is een prioriteit voor de thuishulporganisatie. Vrienden komen langs. Familie springt in de bres. Het is mooi en hartverwarmend. Ook al heb ik er mijn bedenkingen bij, waarbij ik even goed in eigen boezem kijk.

‘Ze reed overal naartoe met haar autootje.’

Mijn moeder is heel lang sterk en onafhankelijk geweest. Ze woont alleen en was tot voor kort nog zeer mobiel. Overal reed ze naartoe met haar autootje. Maar het afgelopen jaar viel dat niet meer zo mee. Ondanks knie- en schouderoperaties die haar meer beweeglijkheid moesten bieden, lukte het allemaal niet meer. Ze kwam niet zo veel meer buiten. Bleef zitten in haar zetel. De hemel zij geprezen voor ‘Thuis’ en ‘Familie’. En voor de telefoon.

Toch begon ze te vereenzamen. Een niet onbekend fenomeen bij oudere mensen. Hoe kan het ook anders? Als de zoon het te druk heeft met zijn eigen zelve.

Euforie

Op de tweede dag dat ze een morfinepleister droeg, namen mijn broer en ik onze moeder mee uit eten, naar het restaurant hier achter de hoek waar we op gezette tijden naartoe gaan.

‘Mijn moeder was zo stoned als een garnaal.’

Het was alsof we een andere moeder hadden. Ze stapte beter, ze was vrolijk, giechelde en maakte schunnige grapjes. Zelfs de typisch Antwerpse arrogantie van de ober smolt als sneeuw voor de zon. Mijn moeder was, met andere woorden, zo stoned als een garnaal.

Mijn broer verwonderde zich erover dat zo’n lichte dosis zulk effect had. Hij maakte zich wat zorgen. Ik niet. Het deed me deugd om te zien dat de roes het overnam van de realiteit. Dat is wat morfine doet. Hoe licht de dosis ook is, het neemt de pijn weg, in lichaam en geest.

Dubbele moraal

De wereld heeft tegenover morfine altijd een dubbele houding gehad.

De niet te ontkennen pijnstillende werking heeft nooit ter discussie gestaan. Maar morfine heeft euforie als bijeffect, precies wat mijn moeder meemaakte. En het is nogal verslavend. Dat laatste is voer voor discussie, al was dat net de oorzaak dat overheden het gebruik en het verspreiden van morfine aan banden gingen leggen. Een teveel aan plezier, daar zijn overheden niet zo voor.

‘Een teveel aan plezier, daar zijn overheden niet zo voor.’

Nochtans was morfine een welgekomen medicijn in tijden van oorlog. Niet dat bevelhebbende militairen veel mededogen hadden met het voetvolk, maar het begrip ‘kanonnenvlees’ kreeg tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) een heel andere betekenis door de toegang tot morfine. “Schiet ze gerust aan flarden, ze zullen toch niks voelen”, werd zowaar het motto.

Heroïne

En blijkbaar wilden overlevende veteranen van de strijd bij thuiskomst de morfineroes niet meer kwijt. Het gebruik van morfine werd aldus een ‘maatschappelijk’ probleem. Al kan ook hierover gediscussieerd worden.

Wat er ook van zij, de Duitse farmagigant Bayer bracht in het midden van de jaren negentig van de negentiende eeuw het – naar eigen zeggen – minder verslavende middel ‘Heroin’ op de markt, een chemische oplossing van morfine. Dat was een misrekening van formaat: heroïne bleek straffer en verslavender dan morfine. Het goedje werd verboden. Illegaal verklaard. Dat zou het probleem oplossen.

We weten ondertussen hoe dat is uitgedraaid.

Paradigma

Begrip voor heroïnegebruikers is, in tegenstelling tot voor mensen die aan het sterven zijn door een ziekte, nagenoeg onbestaand. Het zijn vieze, vuile, stinkende, agressieve profiteurs. Losers. Een smet voor de maatschappij.

‘Er wordt veel onzin verkocht over drugs.’

Bovendien ontbreekt het hen aan wilskracht om met die smeerlapperij te stoppen, vaak een voorwaarde om toegelaten te worden tot hulpverlening. “Gebruikers hebben een keuze gemaakt en moeten de verantwoordelijkheid daarvoor dragen,” luidt het dan. Dat is zowat het paradigma. Terwijl velen van hen op zoek zijn naar verlichting van pijn, in lichaam en geest.

Op wereldvlak ontwikkelt 80 tot 90 procent van de illegale druggebruikers (heroïnegebruikers inbegrepen) geen problemen. Ze bezorgen hun omgeving of de maatschappij geen ‘overlast’. Dat wil zeggen dat 10 tot 20 procent dat wel doet. Deze cijfers zuig ik niet uit mijn duim, maar komen uit een jaarrapport van het United Nations Office on Drugs and Crime (UNODC).

In absolute cijfers is dat veel volk, maar – zonder de problemen te willen ontkennen of minimaliseren – relatief gezien, valt dat best mee. Er wordt veel onzin verkocht over drugs en druggebruik. De problemen die er zijn, hebben meer te maken met de illegaliteit van heroïne dan met de schadelijkheid van het product.

Zwitserland

In Zürich sprak ik ooit met psychiater Thilo Beck. Hij staat aan het hoofd van Arud, een centrum voor verslavingszorg. Dat centrum verstrekt onder meer gratis medische heroïne aan gebruikers die voldoen aan bepaalde criteria.

‘Straatheroïne wordt versneden met allerhande troep en zorgt voor abcessen en etterende gaten in armen en benen.’

Beck vertelde me dat zuivere heroïne, hoewel het gevaarlijk is – als je te veel neemt, ga je dood – de organen in het geheel niet aantast. Je kan dus gecontroleerd heroïne gebruiken tot je sterft van ouderdom. Dat is anders bij bijvoorbeeld cocaïne dat de inwendige mens compleet vernietigt. Maar straatheroïne wordt versneden met allerhande troep en zorgt voor abcessen en etterende gaten in armen en benen. Naalden worden zomaar doorgegeven wat het verspreiden van hiv, hepatitis en andere ziektes even gemakkelijk maakt als binnenkort de doorvaart van het noordpoolgebied.

Arud probeert de zwaarste heroïneverslaafden te helpen door een combinatie van medische bijstand, psychologische en sociale hulp. En dit alles zonder vereiste dat je eerst stopt met gebruiken. Die aanpak werkt, zegt Beck. Aanvankelijk zie je het gebruik stijgen, maar na verloop van tijd daalt het, totdat het bij velen tenslotte gewoon uitdooft en stopt. Dat gebeurt niet met iedereen. Er zijn ook mensen, in maat- of mantelpak, die niet stoppen met gebruiken maar toch een ‘normaal’ leven leiden.

Het belangrijkste aan deze manier van hulpverlening is dat heroïnegebruikers – en bij uitbreiding alle druggebruikers – aanzien worden als mensen, mensen die lijden. Niet als uitschot. Een beetje zoals mijn moeder nu behandeld wordt. Met menselijkheid.

Niet voor iedereen

Ik ben blij met de aandacht en de hulp die mijn moeder krijgt. Ze verdient dat.

‘Waardigheid is nog lang geen verworven recht.’

Ik ben blij dat mensen op het einde van hun leven de nodige zorgen krijgen. Dat al het mogelijke wordt gedaan om dat einde zo comfortabel mogelijk te maken. Ik ben ook blij dat de mogelijkheid bestaat om – als de situatie zich voordoet – zelf te beslissen om er een einde aan te maken.

Maar als het vreselijke euthanasieproces in Gent iets heeft aangetoond, is het dat menselijkheid en waardigheid nog lang geen verworven rechten zijn. Niet voor mensen die ondraaglijk lijden en geen zicht hebben op genezing, maar ook niet voor mensen die om wat voor reden dan ook de pedalen zijn kwijt geraakt.

Onvoorwaardelijk

Mijn moeder wordt dus stoned van de morfine. Niemand die er aanstoot aan neemt. En terecht. De mens heeft de roes opgezocht sinds het begin der tijden.

‘De relatie met mijn moeder is hobbelig geweest. Maar de liefde is er. Onvoorwaardelijk.’

Mijn pleidooien om alle illegale drugs te legaliseren en reguleren vind je elders op het net. Maar laat ons het hierover eens zijn: iedereen zoekt vroeg of laat een uitlaatklep, iedereen gebruikt wel wat. Daar hoeft niet per se over geoordeeld worden.

De sleutel tot het oplossen van verslavingen, tot het helpen van hen die het nodig hebben omdat ze ziek zijn of zware tegenslagen te verwerken kregen, ligt in menselijkheid en waardigheid. En in liefde.

Hou van elkaar. Onvoorwaardelijk. Je hoeft daarvoor geen zachtgekookt ei te worden. Liefde is immers niet altijd rozengeur en maneschijn. Kan gepaard gaan met snerende pijn. En de relatie met mijn moeder is, eufemistisch uitgedrukt, hobbelig geweest. Maar de liefde is er. Onvoorwaardelijk.

Reacties [1]

  • Maddy Claes

    Het kader van het verhaal is intriest maar ook mooi: moeder heeft kanker, is niet meer te behandelen, krijgt morfine waardoor de zieke en haar omgeving toch nog heel wat aangename momenten kunnen beleven. De verslaving nemen we erbij want die doet er eigenlijk niet meer toe, de liefde en het mededogen primeren.
    Ik ben het volkomen eens met de brug die de schrijver maakt. Laat ons in het “gewone” leven ook op een dergelijke manier omgaan met onze min of meer verslaafde medemens. Laat ons stoppen met het criminaliseren van drugshandel en drugsverslaving. Begripvolle medische en psychologische hulp zal veel meer resultaat bieden dan het huidige “war on drugs “.

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.