Column

‘Steeds weer doemt die vraag op: Heb ik gefaald als hulpverlener?’

Iwein Denayer

Iwein Denayer

Iwein Denayer is preventiewerker bij CAW Halle-Vilvoorde.

Gefaald als hulpverlener

© Unsplash / Joey Huang

Eén en al koude en grijzigheid vandaag.

Misschien beklaag ik het me nog dat ik je vandaag bezoek. De confrontatie, ook al is het enkel kortstondig in gedachten, brengt na al die jaren nog steeds een snijdende zielenpijn met zich mee. Tegelijk besef ik dat er niet veel is dat mij kan tegenhouden. Ik moet dit doen, want ik denk de laatste tijd veel aan jou.

‘Er gaat een rilling door me heen als ik voel hoe je zachte hand me meetrekt naar jouw laatste rustplek.’

Dat je vluchtig in een droom bent verschenen, is waarschijnlijk een trigger geweest. Er gaat een rilling door me heen als ik voel hoe je onzichtbare, maar zachte hand me meetrekt naar jouw laatste rustplek.

Zonder buffer

Ik stap in de wagen en vertrek.

Tijdens de rit overvalt me een gevoel dat ik doorheen de jaren heb leren kennen en plaatsen. Ik weet waarom het gebeurt en welk effect het heeft. Het manifesteert zich wanneer er geen buffer meer is tussen mezelf en mijn emoties. Alle mogelijke ontsnappingsroutes lijken van de kaart geschrapt.

Ik sta enkel nog in verbinding met een zinderende lading gevoelens die ik anders, door de dagelijkse rush, niet tot mijn kern kan of wil laten doordringen. Omdat ze verlammend zijn. Omdat ze me terugbrengen naar plaatsen, gebeurtenissen en ervaringen die in het verleden zo hard zijn binnengekomen dat mijn lichaam er letterlijk koud van wordt. En dat gebeurt nu opnieuw, want ik laat het toe.

Stortvloed van ontroering

Ik geef me volledig over aan de indringende stortvloed van ontroering. Vanaf mijn vingertoppen en voeten treedt de koude in. Ondanks de op volle toeren draaiende verwarming van de wagen overmeestert de gewaarwording mijn hele lijf.

‘Ik begin nog wat harder te bibberen door de vriestemperaturen van de laatste dagen.’

Ik begin zachtjes te rillen, wetende dat dit pas zal wegtrekken wanneer ik gedaan heb wat ik moet doen. Het verbaast me allesbehalve dat, nu ik dit neerschrijf, door dezelfde sensatie bevangen raak.

De impact van de kilte is eens zo sterk aanwezig wanneer ik mijn wagen op de troosteloos lege parking stationeer. Ik stap uit en begin nog wat harder te bibberen door de vriestemperaturen van de laatste dagen. Eventjes weet ik niet meer langs welke weg ik naar hier ben gereden. Mijn automatische piloot heeft er blijkbaar voor gezorgd dat de rit vlot verliep terwijl mijn emoties tekeergingen. Het blijft een vreemd gevoel.

Kerkhof

Enkel een korte wandeling scheidt ons nog. Ik stap rustig naar waar ik moet zijn. In mijn hoofd gaat een bedankje uit naar de vriendin die me de juiste weg op een tekening heeft doorgestuurd.

‘Het is absurd dat ik je nu pas – na tien jaar – een eerste keer bezoek.’

Een vlaag van schaamte trekt kortstondig door me heen. Want het is absurd dat ik je nu pas een eerste keer ga bezoeken. Het is intussen iets meer dan tien jaar geleden dat je resoluut die ene uitweg nam. Dit gaat snel weer liggen, want ik denk ook veel aan jou zonder dat ik me naar je grafsteen moet begeven.

Het is een doodgewone weekdag en geen Allerheiligen. De enige levende mens op de begraafplaats ben ik. Het is bevreemdend maar geruststellend. De stilte regeert en ik zal niet gestoord worden wanneer ik je herdenk.

Nog een paar stappen en ik ben bij jou. Het zien van je grafsteen, maar vooral je foto, brengt een stapel emoties met zich mee. Je spontane glimlach en je ogen die een vertederende helderheid uitstralen. Of uitstraalden. Verleden tijd. Je bent er niet meer en toch wel. Ik krijg het moeilijk.

Ik wil dood

Plots en niet zo geheel onverwacht zit mijn hoofd vol herinneringen en melancholie. Eentje torent hoog boven de anderen uit.

Het is een fragment uit het gesprek dat we hadden toen ik je tijdens je langdurige opname een bezoek bracht. Je zat neer op je bed en tokkelde wat op een gitaar. Je vertelde me dat alles oké ging. Dat de therapieën aangenaam waren en dat je je best deed te ‘blenden’ met de andere jongeren.

Maar in een fractie van een seconde veranderde je blik. Je keek me recht in de ogen. Die van jou gloeiden plots met een puurheid en helderheid die ik zelden zie. Ook bij jou was er op dat moment geen buffer meer tussen jezelf en je emoties. Het tokkelen stopte.

“Ik wil echt wel doodgaan, Iwein.”

De zin en diens huiveringwekkende geladenheid ontaardden in een bikkelharde stoot in mijn maag. Het werd onomkeerbaar duidelijk dat, op dat moment al, de slotsom van je leven meedogenloos en onuitwisbaar in steen gebeiteld stond. Je grenzeloos vastberaden blik nestelde zich meteen voor eeuwig in mijn ziel. Wat volgde, was doodse stilte.

Stilte, stilte en nog eens stilte.

Pijn

De herinnering vervaagt. De pijn zeker en vast niet. De ijzigheid zit in elke vezel van mijn lijf wanneer mijn hoofd het slecht-nieuws-telefoontje van mijn lieve collega opdiept.

‘Moedeloosheid en machteloosheid gaan hand in hand.’

Een zaterdagochtend, net na mijn ontbijt. En ineens ben je er niet meer. Het verlies houdt huis in mijn hoofd. Vandaag opnieuw, nu het brandend licht van het onvermijdelijke vergrootglas-van-de-ziel zichzelf op dit fragment werpt.

Steeds weer doemt dan die onverbiddelijke vraag op: Heb ik gefaald? En dan komt dat dwingende schuldgevoel weer naar boven. Had ik meer kunnen doen? En wat had ik meer kunnen doen? Moedeloosheid en machteloosheid gaan hand in hand, terwijl de scherven der gedachtenis vervagen en minder scherp worden.

De redder in mij

Wat overblijft, is de jaar na jaar sterker wordende overtuiging dat jouw zeer bewuste heengaan de redder in mij nog een pak harder naar boven heeft gebracht. Dat stukje van mijn persoonlijkheid werd na je dood uitvergroot, zeker bij jongeren die met zelfmoordgedachten worstelden.

‘Nog steeds dank ik het fantastische team collega’s dat me telkens weer ondersteunde.’

Nog eens extra mijn mailbox en gsm checken, ook op momenten waarop ik niet meer hoorde te werken. Nog eens extra hard zoeken naar woorden die hen onder de levenden zouden kunnen houden. De toewijding zorgde keer op keer voor de nodige adrenalineshot, maar was na een crisissituatie evenzeer verlammend.

Ik sleepte me door de daaropvolgende dagen, vaak in een waas van futloosheid. Nu nog steeds dank ik het fantastische team collega’s dat me telkens weer ondersteunde.

Dit bezoek was nodig

Diezelfde redder zat ook in jou, want je grenzeloos sociaal engagement was zelfs tijdens de laatste maanden enorm zichtbaar en bewonderenswaardig. Misschien was die grote klomp begeestering jouw afscheidscadeau voor mij? Ik denk van wel en ik ben je daar dankbaar voor.

Met deze positieve gedachte stap ik weg van je plekje op deze volkomen stille begraafplaats. Ik laat nog een flard tekst na waarvan ik vind dat die bij jou en dit moment past.

“You could fight no more…
You were dancing into light…”

Op weg naar de auto voel ik de warmte terugkeren in mijn lijf. Het was nodig en goed jou te komen bezoeken. Tot ziens.

Reacties [4]

  • Rini van Dam

    Beste, betrokken Iwein,ik citeer een stukje van je tekst: ‘Steeds weer doemt dan die onverbiddelijke vraag op: Heb ik gefaald? En dan komt dat dwingende schuldgevoel weer naar boven. Had ik meer kunnen doen? En wat had ik meer kunnen doen? Moedeloosheid en machteloosheid gaan hand in hand, terwijl de scherven der gedachtenis vervagen en minder scherp worden.’
    Ik schreef het boek ‘Donderdagen’ (uitgeverij Anderszins) over de impact van de zelfmoord van mijn man en later van mijn kind. En over de kwellende vraag wat ik meer had kunnen doen. Of kon ik niets meer doen? Mijn boek heeft veel los gemaakt, heb ik gemerkt aan alle reacties die ik kreeg.
    Hartelijke groet, Rini van Dam

  • marijke verachtert

    Een herkenbare, diep rakende tekst. Het brengt me terug naar de eerste jaren in een opvangcentrum voor volwassen mannen. Daar verbleef een jonge kerel. Warm, optimistisch… ondanks zijn rugzak. Hij liet zich niet altijd zien, verborg zich achter clownesk gedrag, vluchtte in middelen maar kwam op een of andere manier steeds weer op zijn poten. Waarom hoorden en zagen we de onderhuidse signalen niet beter? Konden we zijn leven voldoende herschrijven om verder te sporen? Toen hij naast ons huis in een kleine studio verbleef, heeft hij een overdosis genomen. We vonden hem met een afscheidsbrief naast zich. Heel mooie woorden voor ons achterlatend, maar ook een boodschap van onmacht om dit leven verder te zetten. Ik worstel nog steeds met de vraag of dit had kunnen vermeden worden, of we niet meer hadden moeten betekenen. Maar het heeft me inderdaad nog meer in mijn kracht gezet om extra voelsprieten te kweken, elk signaal op te pikken. Maar ik zal dit stukje blijven meedragen.

  • Sven De Koster

    Mensen helpen in hun weg naar euthanasie is bewonderenswaardig. Het zou veel erger zijn mensen lijdzaam in leven te houden wanneer ze weten dat ze dat leven niet meer willen.
    Ik ben zelf al vele jaren “wachtende”. Het leven is pijnlijk als je aftelt naar de dood, dan wordt euthanasie oprecht iemand helpen en is dat tenslotte niet de taak van elke hulpverlener?
    Absoluut respect voor elke hulpverlener die niet in staat is euthanasie toe te passen, maar mogen wij mensen die oprecht levensmoe zijn, geen zin meer vinden in het leven wel onze rust vinden, met alle bewondering voor de hulpverleners die deze moeilijke taak wel aankunnen?
    Voel je niet koud omwille van het afscheid, voel de warmte voor wat je hebt betekent in de moeilijke tijden, verwarm je aan de rust, de vrede die de persoon die heen is gegaan nu kent!

    • Iwein Denayer

      Dag Sven

      Heel erg bedankt voor deze oprechte, breekbare maar mooie reactie. Ik neem je woorden zeker mee, want die betekenen wel wat. Ik vertrouw je nog veel moed en warmte toe, ook al ben je aan het aftellen en verlangen naar het afscheid van dit leven.

      Hartelijke groet
      Iwein

We zijn benieuwd naar je mening!
Blijf hoffelijk, constructief en respectvol

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.