Sociologie voor de praktijk

Klaas J. Hoeksema en Siep van der Werf

Bussum, Coutinho, 2016, 399 p

De auteurs van dit boek beschouwen sociologie als de wetenschap die menselijk gedrag tracht te verklaren vanuit de maatschappelijke invloeden die mensen ondergaan. Kernconcepten zijn: cultuur en sociaal bewustzijn, structuur en sociale ongelijkheid, sociale verandering en conflict.

Macht en sociale ongelijkheid

Veel aandacht gaat uit naar het concept macht. Drie componenten zijn constitutief voor macht: het vermogen toekomstige doelstellingen te formuleren, het vermogen om de middelen aan te wenden om deze te realiseren en het vermogen om met deze middelen en in functie van de geformuleerde doelstellingen anderen te beïnvloeden.

Aan de hand van begrippen als macht en positie wordt een fenomeen als sociale ongelijkheid geduid. Sociale ongelijkheid is dan een gevolg van het verschil in macht tussen sociale posities. Waar er vroeger sprake was van verschillende standen en klassen, spreken we nu over stratificatie. Het gaat hierbij eerder om graduele dan om principiële verschillen tussen de lagen.

“De inkomenskloof is alleen maar gegroeid.”

Toch zijn deze verschillen vaak substantieel en soms zelfs exorbitant. Zo bezitten de drie rijkste Nederlanders méér dan de helft van alle Nederlandse huishoudens samen. De kloof tussen de topinkomens en de anderen is de voorbije decennia alleen maar gegroeid. Uit studies die in dit boek worden aangehaald, blijkt dat België relatief laag scoort op inkomensongelijkheid. Alleen de Scandinavische landen en Japan scoren nog lager.

Onderwijs

De auteurs fileren ook de invloed van onderwijs op sociale ongelijkheid. Onderwijs heeft een allocerende werking: het wijst de plaats aan waar mensen in de samenleving terecht komen. Er is trouwens een heuse diploma-inflatie ontstaan. Dat maakt het voor mensen met weinig of geen kwalificaties steeds moeilijker om een job te vinden.

De schooluitval onder niet-westerse migrantenleerlingen ligt ongeveer dubbel zo hoog als bij de autochtone leerlingen. En wie niet voortijdig uitvalt, heeft gemiddeld een lager diploma op het einde van de onderwijsrit.

De ongelijkheden tussen mannen en vrouwen lijken dan weer te verminderen. Jonge vrouwen zijn gemiddeld hoger opgeleid dan hun mannelijke leeftijdsgenoten. Onderwijsprestaties van meisjes zijn beter. De horizontale sekse-segregatie die al in de opleiding begint, de zogenaamde ‘glazen muur’, is aan het verbrijzelen. Toch blijft er nog een hele weg te gaan. Het aandeel van vrouwelijke hoogleraren (17% in 2014) is illustratief voor het persisterende ‘glazen plafond’.

Volksverheffing?

Hoeksema en van der Werf verwijten het sociaal-democratische ideaal van de volksverheffing dat het averechts gewerkt heeft. De klemtoon op theorie heeft juist kansarme jongens doen afhaken. Bovendien is hun afkeer nog toegenomen nu blijkt dat meisjes succesvoller zijn op school.

“Sociale ongelijkheid wordt door het onderwijs versterkt.”

De verwachtingen van leraren inzake studiekeuze en schoolresultaten bij meisjes of allochtonen blijken vaak een ‘selffulfilling prophecy’. Na een ‘witte schoolvlucht’ is er nu ook een ‘zwarte vlucht’ merkbaar van allochtone kinderen uit de middenklasse-gezinnen.

De conclusie is dan ook hard: sociale ongelijkheid wordt door het onderwijs in belangrijke mate gereproduceerd, zo niet versterkt.

Sociale verandering

In het hoofdstuk over sociale verandering wordt de transitie van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’, een begrippenpaar van Tönnies, toegelicht. Onze moderne geschiedenis wordt gekenmerkt door vooruitgang, individualisering, vervreemding en fragmentering. Volgens de Duitse socioloog Beck zijn we daarmee beland in de ‘risicomaatschappij’. Nooit waren onze mogelijkheden zo groot als nu, maar nooit waren de risico’s op onbeheersbare veranderingen zo groot.

In een gefragmenteerde samenleving is het onduidelijk wie nu voor wat verantwoordelijk is. Beck spreekt van ‘georganiseerde onverantwoordelijkheid’. Het lijkt dan ook paradoxaal dat we bij een calamiteit steeds zo snel mogelijk een verantwoordelijke of schuldige willen aanwijzen.

“Wanneer en hoe laten referentiekaders het afweten?”

Aan de hand van Durkheims anomie-begrip wordt een interessante poging gedaan om radicalisering te begrijpen. Het gaat dan om gedrag dat mee gestuurd wordt vanuit een machteloosheid om eigen of maatschappelijke doelen te bereiken. Anomie doet zich voor als de sociale controle het laat afweten. En laat dat nu net het probleem van de vooruitgang zijn. Wanneer en hoe laten referentiekaders het afweten?

Rechtvaardigheid

Op heldere wijze wordt het onderscheid tussen idealisme en materialisme toegelicht. Verder beschouwt men emancipatie als een proces waarbij een groep van een als onrechtvaardig beoordeelde situatie gaat in de richting van een rechtvaardiger situatie.

Interessant is de ontleding van het begrip rechtvaardigheid als een stapeling van rechtvaardigheidsbeginselen. In de verzorgingsstaat gaat het om vijf beginselen: historisch verworven rechten, formele (wettelijke) gelijkheid, verdienste, behoefte en capaciteit.

“Het ideologisch perspectief speelt mee.”

Afhankelijk van het ideologisch perspectief zullen deze beginselen als meer, minder of ongewenst worden beschouwd in de bepaling van wat rechtvaardig is. Zo zullen liberalen het belang van verdienste accentueren en socialisten net de behoefte vooropstellen. In de actuele participatiesamenleving wordt capaciteit of vermogen belangrijker. Sociale ondersteuning wordt steeds meer afhankelijk gesteld van te leveren inspanningen in wederdienst.

Sociale bewegingen

In de slothoofdstukken is er onder meer een historische schets van de vakbeweging. En aan het einde wordt ingegaan op de ontwikkeling van emancipatiebewegingen. Vaak zien we een evolutie van bewustwording, identiteitsvorming en conflict naar een of andere vorm van inkapseling in de bestaande instituties. Dit proces verloopt zelden rimpelloos, met verschillende fases en fracties tot gevolg.

Interessant is de begrippenlijst achteraan het boek. Al deed de invulling van sommige begrippen soms ook de wenkbrauwen fronsen. Zo wordt bijvoorbeeld nationalisme als een voorwaarde voor populisme aangemerkt. ‘Sociologie voor de praktijk’ is een studieboek voor studenten in het hoger onderwijs, maar ook voor andere geïnteresseerden is het een heldere en erg toegankelijke introductie in een aantal concepten en sociologische (denk-)kaders.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen