het klein verzet

Het klein verzet

Tine Hens

Berchem, EPO, 2015, 291 p

Journaliste Tine Hens doorkruiste Europa. Ze kwam terug met een koffer vol verhalen van mensen die op zoek zijn naar een andere economie. En schreef er een hoopvol boek over.

Verbazing

Aanleiding voor deze reis was de verbazing over zaken die we evident vinden, maar waar we wel bedenkingen kunnen bij uiten. Bijvoorbeeld over het feit dat we op elk moment in het jaar kiwi’s in de supermarkt vinden. Of over de overvloed aan spullen in winkels en wat er aan het einde van het seizoen met de rest gebeurt.

Ze maakt de bedenking dat we de logica van de groei als enig mogelijke beschouwen. En dat het idee van ‘beter’ hieruit verdwenen is. We vergeten dat economie ook maar een afspraak is tussen mensen.

“Wij zijn zelf de economie.”

Wat zou er gebeuren als we met z’n allen beslissen dat de economie niet óns bepaalt, maar dat wij zelf de economie zijn. Dat wij een economie kunnen bouwen die doet wat wij bepalen. Ze vraagt zich af of het mogelijk is om de economie te heroveren. Wat als de grootte er niet toe doet? Wat als klein meer toekomst heeft?

Alternatief

Zo vertrok de auteur op reis in Europa, op zoek naar een alternatief. Het boek verzamelt hoopgevende verhalen van kleine initiatieven over heel Europa. Vaak plaatst ze die in een historisch en sociaal-politiek perspectief. Dat geeft verruiming en verdieping aan de verhalen.

Ze start haar reis in Londen, waar de wieg van de industriële revolutie stond. Het was een tijdperk van ongebreideld vooruitgangsgeloof. Men was er absoluut van overtuigd dat “de cocktail van economische groei en technologische ontwikkeling de mens in een rotvaart vooruit zou sleuren.”

Ze bezoekt er Patchwork Farm. Alle kleine stukjes groen in de voortuintjes van mensen, in parkjes of naast paadjes worden er gebruikt om groenten te telen. Zo krijgen mensen weer voeling met het voedsel dat ze eten. Op de wekelijkse Farm Market worden deze groenten en andere lokale producten verkocht. Dit toont dat economie niet bestaat buiten de mensen om.

Kleinschalig

Totnes, in het zuidwesten van Engeland, is een voorbeeld van kleinschalige lokale economie. Ze creëerden een eigen munt, de Totnes Pound, die men enkel kan gebruiken om te investeren in de lokale economie. Hier wordt geld teruggebracht tot zijn essentie, namelijk een ruilmiddel.

“Geld is in essentie een ruilmiddel.”

Men stelt dat elke pond die in de lokale economie wordt uitgegeven, tweeëneenhalve pond waard is. Dezelfde pond die in een multinationale keten wordt uitgegeven, is slecht 20 cent waard, want 80% verdwijnt naar “onbekende en vaak warmere oorden”.

Overleven

De verhalen en mensen die Tine Hens ontmoet in Griekenland en Portugal zijn van een andere orde. Hier gaat het niet over hobby-projecten, maar over burgerinitiatieven uit noodzaak, om te overleven na de economische crisis.

“Het gaat niet over hobby-projecten.”

Men verbouwt er aardappelen en groenten op braakliggende terreinen. Arbeiders bouwden hun failliete chemische fabriek om tot een atelier voor de productie van natuurlijke huishoudzeep. Ze weigerden het scenario van noodlot, crisis en berusting te aanvaarden.

Intimidatie

Niet elk initiatief is een succes of wordt geapprecieerd. Soms botst men op een verbod, geweld of intimidatie. Zo hadden burgers in Porto aan het stadsbestuur gevraagd om een leegstaand schoolgebouw te mogen gebruiken om hun idee van een lokale sociale economie vorm te geven.

Ze startten er een fietsenatelier, een huiswerkklas, een fitnessruimte en een restaurant waar met voedseloverschotten van de markt gekookt werd. Er zaten nog veel projecten in de pijplijn. De buurt leefde een beetje op. De mensen vonden wat waardigheid terug.

Na een jaar kwam er een brief van de stad. De initiatiefnemers kregen drie maanden de tijd om het gebouw te ontruimen. Er zou een nieuw sociaal centrum komen. Dat gebouw staat er nu: het sjiekste sociaal centrum van heel Porto. Hermetisch afgesloten, van participatie is er geen sprake.

Energie

Het hoofdstuk over energie begint met de persoonlijke familiegeschiedenis van de auteur. Haar overgrootouders woonden in Doel. Haar groottante bleef er wonen tot haar boerderij onteigend werd, begin de jaren ’70. De auteur vraagt zich af wat er zou gebeurd zijn als haar groottante iets meer ‘klein verzet’ had getoond.

Daarvoor gaat ze een kijkje nemen in een streek in Denemarken, waar burgers zich verzetten tegen de zogenaamde ‘nucleaire noodzaak’. In de barre winter van ’74, toen de olieprijzen door het dak schoten en de bevoorrading in gevaar was, besloten gewone burgers dat ze welvaart wilden met de middelen waarover ze zelf beschikten: wind en varkensmest.

“Enkel lokale windmolens worden getolereerd.”

Met tweedehandsmateriaal bouwden ze een windmolen. Ondertussen is er een proefveld van windenergie. Iedereen kan hier een windmolen van eigen ontwerp laten testen. Men produceert er momenteel 100% groene stroom en 85% groene warmte. Enkel lokale windmolens worden nog getolereerd. De windmolens van de grote bedrijven zijn ontmanteld, zonder enig spoor achter te laten in het landschap. Hoe anders dan de kernenergiecentrales, die 40 jaar stil moeten liggen vooraleer ze ontmanteld kunnen worden.

Burgerinitiatief

Er is ook het verhaal van een klein burgerinitiatief in het Zwarte Woud, dat uitgroeide tot één van de grotere onafhankelijke stroomleveranciers van Duitsland. Hier telt het belang en voordeel van lokale productie en burgercoöperaties, in tegenstelling tot de grote winsten van energiebedrijven die wegvloeien naar bankrekeningen op de Kaaimaneilanden.

De focus in al deze verhalen ligt niet enkel op de technische ingrepen. De korte-keten-structuur heeft ook een positieve invloed op de ontmoeting tussen mensen en het samenhorigheidsgevoel in de buurt. De winst is eerder sociaal-ecologisch dan financieel. Gebruiken is belangrijker dan bezitten. Economie is eerder een middel tot vervulling, dan een manier om nieuwe behoeften te creëren.

“De winst is sociaal-ecologisch.”

Tine Hens stelt veel vragen en plaatst kritische noten bij het verhaal van de vele kleine initiatieven. Soms groeien ze uit tot iets groots. Soms (nog) niet. Het zijn voorbeelden van klein verzet, van een tegenbeweging tegen het grote economisch verhaal, dat stelt dat er ‘geen alternatief’ is.

Je voelt het doorheen de verhalen: er broeit niet alleen iets, er beweegt echt iets. Er is wel degelijk een alternatief. Het is dan ook een hoopvol boek: het biedt perspectieven, kansen en mogelijkheden.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen