Boek

Ethiek gaat niet alleen over grote vraagstukken

Fons Geerts

De verdienste van dit handboek is dat het komaf maakt met te grote verwachtingen naar hulpverleners toe. Want hulpverleners die te krampachtig streven naar ‘het beste’, schieten vaak tekort. Voor zorgontvangers én zichzelf.

zorgethiek

© Unsplash / Remi Walle

Verwachtingen

Als we tot voor kort op zoek gingen naar literatuur over zorgethiek, kwamen we vooral bij Nederlandse auteurs terecht (onder andere: Verkerk, Van Heijst) of ging het vooral over zorgethiek in de residentiële gezondheidszorg (onder andere: Vanlaere, Gastmans). Ik hoopte in dit boek ook de invalshoek van het ambulante welzijnswerk terug te vinden.

‘Zorgethiek is een zaak van ervaring.’

Het gros van de voorbeelden komt echter uit de praktijk van de gezondheidszorg. Nogal wat uit palliatieve settings, wat toch een heel specifieke invalshoek is, op de grens tussen leven en dood. Terwijl de auteurs in de inleiding terecht stellen dat ethiek niet alleen over deze grote vraagstukken gaat.

Maar wie zoekt die vindt. Meer naar het einde van het boek toe waren er enkele voorbeelden uit de ruimere welzijnszorg: dienstencentra voor personen met een niet-aangeboren hersenletsel, daklozenzorg, pleegzorg… En uiteraard liggen bepaalde voorbeelden uit de ouderenzorg en de psychiatrie dichter bij het welzijnswerk dan bij de gezondheidszorg.

Dagelijkse zorg

Zorgethiek houdt zich bezig met de dagelijkse interacties in de zorg. Al in de inleiding verklapt men de essentie: “Alleen door een betrokken relatie met de zorgontvanger en zijn naasten aan te gaan, kan de zorgverlener ontdekken wat goede zorg kan inhouden.” Zorgethiek is dus geen zaak van theorie of principes, maar van ervaring.

Een eerste hoofdstuk zoomt in op zorgethiek in het algemeen om daarna vijf deelcompetenties uit te werken: zien, weten, reflecteren, doen en zijn. Dat alles wordt heel ruim geïllustreerd met voorbeelden uit de praktijk. Elk hoofdstuk wordt ook afgesloten met ‘ervaringsprikkels’ die moeten helpen om stil te staan bij de eigen praktijk. Dat kan via zelfreflectie, maar beter nog via uitwisseling met één of meerdere collega’s.

Zorgethiek

Een van de uitgangspunten van zorgethiek is dat zorgontvanger en zorgverlener iets gemeenschappelijk hebben: kwetsbaarheid. Hierdoor kan de relatie wederkerig zijn, al is ze nooit symmetrisch. De zorgontvanger blijft immers afhankelijk van de zorgverlener. Al krijgt die afhankelijkheid een ander karakter binnen een betrokken relatie.

‘Het machtsthema is te weinig uitgewerkt.’

De auteurs willen bouwsteentjes aandragen om de hulpverleningsrelatie meer betrokken te maken. Tegelijk stellen ze dat de hulpverlener bewust moet zijn van zijn macht, al is dit machtsthema voor mij te weinig uitgewerkt. Ook de context van de zorgontvanger wordt wel benoemd, maar slechts beperkt uitgewerkt. Idem wat de organisatorische en politieke context van goede zorg betreft.

Zien en weten

Het hoofdstuk over de zorgethische deelcompetentie zien of ‘betrokken waarnemen’, kon mij het minst overtuigen. Over ‘het appel’ van de andere, las ik al bijdragen die meer meer konden boeien. Een zin die ik wel wil citeren: “Het zorgethisch kijken zoekt niet in de eerste plaats een antwoord op de vraag: ‘Wat is er met jou aan de hand?’, maar op de vraag: ‘Wat kan ik voor jou betekenen?’”

Meer stof tot nadenken, biedt het deel over weten. Bijvoorbeeld het ‘weten’ dat we de ander nooit helemaal kunnen vatten of dat veel lijden niet kan weggenomen worden. Dat menselijke aanwezigheid van grote betekenis is, ook al verandert het weinig aan de situatie. Soms kunnen we alleen het lijden draaglijker maken.

‘Ik ben niet de referentie.’

Het stuk over weten wat de zorgontvanger bezielt, sprak me erg aan. Ieder heeft een unieke levensgeschiedenis, die hem doet verschillen van mij. Het is belangrijk dit voor ogen te houden om te vermijden dat ik mezelf als referentie neem. Wat ik zelf zou willen, is daarom niet het beste voor de zorgontvanger.

Reflecteren

Eenzelfde voorbehoud geldt voor allerlei wetenschappelijke en praktische kennis. Het is een ethische plicht voor een hulpverlener om bij te zijn, wat vakkennis betreft. Ook ervaringskennis is belangrijk, maar het blijft belangrijk erover te reflecteren. Pas door reflectie kan de ervaring tot echte kennis leiden. Daarbij moet dit steeds afgestemd worden op het individu, want: wat algemeen is, geldt zelden voor iedereen.

Dit deel vraagt ook aandacht voor veranderingen doorheen het zorgproces of in de context, waardoor de noden van de zorgontvanger evolueren. Ook emoties spelen een rol. Door vast te houden aan principes of zorgplannen komen we er dan niet.

Dit hoofdstuk nodigt uit hierover te reflecteren. De auteurs pleiten voor zelfkennis om de asymmetrie in de hulpverleningsrelatie een plaats te geven en voor acceptatie van de eigen ‘middelmaat’.Dat wordt verder uitgewerkt in Vanlaere, L. en Burggraeve, R., Gekkenwerk. Kleine ondeugden voor zorgdragers, Leuven, LannooCampus, 2018.Verhelderend is ook het verschil tussen overleg en reflectie in teamverband, over het al dan niet betrekken van de zorgontvanger hierin en over het streven naar consensus.

Doen

‘Doen’ wordt dan wel als de kern van het zorgethisch handelen benoemd, toch kon dit hoofdstuk mij minder inspireren. Al leerden we hierboven natuurlijk dat we onszelf niet als referentie mogen nemen.

‘Zorgethisch handelen is geen strategie.’

De passages over ‘doen en laten’ bieden wel stof tot nadenken. Zo kan een interventie soms ingegeven zijn door het ongemak van de zorgverlener en voor de zorgontvanger niet echt betekenis hebben. Zorgethisch handelen kan niet herleid worden tot een strategie.

Zijn

In dit deel wordt ingegaan op de persoon van de zorgverlener. Wie ben je? Wat vind je waardevol? Waar haal je je motivatie en inspiratie?

Een zin die me in dit verband trof: “Het vraagt reflectie en oefening om geraakt te blijven worden door situaties die je telkens weer tegenkomt, maar die je niet kunt veranderen.” (p. 120) Ook als je schijnbaar niets meer kan doen, kan het belangrijk zijn om ‘aanwezig’ te zijn en zo een kleine kans op succes niet te laten liggen.

‘Het is belangrijk aanwezig te zijn.’

Hier zijn teamwerk en zelfzorg belangrijk. En accepteren dat je niet volmaakt bent, dat anderen het soms beter doen. Dat komt niet alleen de zorgverlener, maar ook de zorgontvanger ten goede. Al komt dit alles er niet vanzelf, maar moet het georganiseerd worden, moet er tijd en ruimte voor gemaakt worden. Ieder voor zich, per twee of in team.

Ook voor welzijnswerkers?

Het is een erg leesbaar boek, ook voor welzijnswerkers die verder willen reflecteren op hun eigen hulpverlening en daarbij de moeite doen om voorbij termen als ‘verpleegkundig handelen’ te lezen. Slechts eenmaal heb ik dr. Google moeten raadplegen voor de term ‘ulcus cruris’ (een zweer aan het onderbeen). Een uitschuiver, zullen we maar denken.

Toch zit ik te wachten op een boek dat zorgethiek, specifiek voor hulpverleners uit de welzijnssectoren kan toepassen. Hierin zou er zeker systematisch aandacht zijn voor de context, voor het machtsthema en de maatschappelijke dimensie van zorg. Is er iemand die de handschoen opneemt?

Reacties

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Zorgethiek in praktijk

De basis

Mieke Grypdonck, Linus Vanlaere en Madeleine Timmermann

Leuven | LannooCampus | 2018