Vlaanderen bouwt aan een jeugddelinquentierecht

Uithandengeving blijft anomalie

Vlaanderen zet momenteel een eigen jeugddelinquentierecht in de steigers. In dat traject kregen wetenschappers, terreinwerkers, jongeren en hun ouders een stem. Dit jeugddelinquentierecht zal evidence-based zijn. Wat werkt, moet versterkt worden. Waarom blijft de fel bekritiseerde uithandengeving dan toch overeind?

jeugddelinquentierecht
©Cristian @flickr

Plan van aanpak

Vlaanderen is sinds de zesde staatshervorming bevoegd voor de aanpak van jeugddelinquentie. De Vlaamse Regering keurde op 20 maart 2015 de conceptnota ‘Contouren en plan van aanpak voor een Vlaams beleid rond een gedifferentieerde aanpak van jeugddelinquentie’ goed. De bevoegde minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Jo Vandeurzen kiest in die nota voor een gedifferentieerde en integrale aanpak die constructief en herstelgericht is.

“De minister kiest voor een herstelgerichte aanpak.”

De reactie op jeugddelinquentie wordt ook afgestemd op nieuwe (jeugd)criminologische inzichten. Vlaanderen heeft zo de ambitie om zich internationaal als goede praktijk in de aanpak van jeugddelinquentie te profileren.

Voorbereidend traject

In de aanloop naar dat nieuwe jeugddelinquentierecht werd een voorbereidend traject gelopen, met een wetenschappelijke omgevingsanalyse en thematische werkgroepen met jongeren, ouders en professionals uit beleid, praktijk en onderzoek. Zij leverden mee bouwstenen aan.

Het is de bedoeling dat het jeugddelinquentierecht toegepast wordt op minderjarigen die delicten plegen tussen de leeftijd van twaalf en, in principe, achttien jaar. Toch wordt voorzien dat in bepaalde omstandigheden jongeren vanaf zestien jaar via de uithandengeving als volwassenen berecht kunnen worden. Die keuze is niet evident, zoals verder nog zal blijken.

1 januari 2019

Net voor het zomerreces lanceerde de Vlaamse Regering een eerste ‘voorontwerp van decreet betreffende het jeugddelinquentierecht’. Na een consultatieronde en een reeks opgevraagde en ingestuurde adviezen volgde op 22 december 2017 een tweede voorontwerp van decreet.

“Jongeren worden benaderd als verantwoordelijke mensen.”

Dit voorontwerp ligt nu bij de Raad van State, en gaat na diens advies terug naar de Vlaamse Regering met het oog op een finale versie en uiteindelijk een stemming in het Vlaamse Parlement tegen de zomer van 2018. Daarna moet het decreet in principe op 1 januari 2019 in werking treden.

Gedeelde verantwoordelijkheid

Het voorontwerp en de memorie van toelichting verduidelijken de krachtlijnen van de toekomstige aanpak van jeugddelinquentie.

Jongeren worden benaderd als verantwoordelijke jonge mensen. Het gaat om een gedeelde, gedragen verantwoordelijkheid. Jongeren mogen en kunnen in toenemende mate verantwoordelijkheid opnemen. In dat groeiproces naar verantwoordelijkheid moeten ze actief ondersteund worden.

Delict versus verontrustende situatie

De reactie tegen jonge delictplegers moet constructief en herstelgericht zijn. De decreetgever streeft naar normbevestigende reacties, in verhouding tot het gepleegde feit.

“Reactie moet herstelgericht zijn.”

De reactie op een delict wordt onderscheiden van de jeugdhulp die eventueel nodig is. Dit sluit niet uit dat een jeugdrechter bij een minderjarige delictpleger ook kan reageren op een eventueel aanwezige verontrustende (opvoedings)situatie. Maar dat moet dan via een duidelijk gescheiden vordering.

Ook aan de duale en onduidelijke plaatsing in de gemeenschapsinstellingen komt een einde. Gesloten opvang in een gemeenschapsinstelling kan enkel nog voor minderjarige delictplegers. Jongeren in een verontrustende situatie worden in private voorzieningen begeleid.

Focus op herstel

De keuze voor constructieve en herstelgerichte reacties geeft de minderjarige dader maar ook het slachtoffer een actieve rol in het herstellen van de schade. In het voorontwerp denkt men bij de herstelgerichte reacties in de eerste plaats aan de al bestaande bemiddelingspraktijk of het herstelgericht groepsoverleg.

“Dader en slachtoffer krijgen een actieve rol.”

Er wordt ook ruimte gemaakt voor het werken rond herstel binnen een nieuw ‘positief project’. De jongere kan zelf voorstellen om de geleden schade ten aanzien van het slachtoffer en de samenleving te herstellen.

Vrijheidsberoving beperken

Parket en jeugdrechter beschikken over een gedifferentieerd aanbod van reacties op jeugddelinquentie. Daarbij moet men steeds kiezen voor de minst ingrijpende, effectieve tussenkomst. De voorkeur gaat naar reacties die geen gesloten plaatsing met zich meebrengen.

Dit maakt dat vrijheidsberoving enkel kan in laatste instantie, wanneer het noodzakelijk is en alle andere reacties niet meer zinvol zijn. De vrijheidsberoving wordt uitgevoerd in de gemeenschapsinstellingen en uitsluitend voor ernstige delicten.

“Vrijheidsberoving kan pas in laatste instantie.”

Elke vrijheidsberoving wordt voorafgegaan door een risicotaxatie en oriëntatie, uitgevoerd in een gesloten setting. Doel is om bij de jongeren een gedegen, multidisciplinair onderzoek uit te voeren en zo de meest wenselijke reactie op het jeugddelict te bepalen.

Langdurige plaatsing

De minimale leeftijd voor een gesloten plaatsing is in principe veertien jaar. In zeer uitzonderlijke gevallen kan de jeugdrechter voor twaalf- en dertienjarigen een gesloten plaatsing van maximaal twee jaar opleggen.

Bij veertien- en vijftienjarigen kan die maximale plaatsing, opnieuw enkel bij ernstige feiten en indien aan alle voorwaarden is voldaan, tot vijf jaar oplopen. Bij plegers van zestien of zeventien is een gesloten begeleiding in een gemeenschapsinstelling van maximaal zeven jaar mogelijk.

Volwaardig alternatief

Deze langdurige plaatsing van zeven jaar is een antwoord op de vaak bekritiseerde uithandengeving. Daarbij worden minderjarige delictplegers uit het jeugdrecht gehaald en overgedragen aan het strafrecht voor volwassenen. Ze worden er berecht met het daarbij horende beschikbare sanctiearsenaal.

Hoewel de langdurige plaatsing een volwaardig alternatief is, blijft het ‘in zeer uitzonderlijke omstandigheden’ nog steeds mogelijk om jongeren vanaf zestien jaar uit handen te geven en hen te berechten als een volwassene. Dat is een verrassende keuze.

Databank van effectieve interventies

De Vlaamse Regering kiest nadrukkelijk voor een evidence-based jeugddelinquentierecht. Wetenschappelijk onderzoek moet bepalen welke reacties effectief zijn. Er komen systemen van registratie, monitoring, rapportering en evaluatie.

“Vlaanderen kiest voor een evidence-based aanpak.”

Reacties die effectief zijn, worden gebundeld in een interventiedatabank. Deze keuze past in een internationale trend waarbij meer aandacht gaat naar de efficiëntie en effectiviteit van de ingezette middelen. Die ontwikkeling heeft zich intussen ook genesteld in non-profitsectoren.Carrette V. en Pleysier S. (2013), ‘Evidence-based beleid en praktijk in de non-profit sector’, Tijdschrift voor Jeugd en Kinderrechten, 3, 203-207.

Het voorstel voor een interventiedatabank leunt nauw aan bij de Databank Effectieve Jeugdinterventies die door het Nederlands Jeugdinstituut werd ontwikkeld. Vlaanderen lijkt dat voorbeeld te willen volgen.

Die ambitie is niet zo nieuw. Iets meer dan tien jaar geleden schreef Inge Vervotte, toenmalig minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, in het Globaal Plan Jeugdzorg al dat Vlaanderen dringend nood heeft aan onderzoek naar de effecten van hulpverlening en efficiëntie van het hulpaanbod.

Wetenschap en politiek

De keuze voor een evidence-based jeugddelinquentierecht is dus niet zo verrassend. Maar dat maakt het niet minder waardevol. De ambitie om beleid en praktijk te laten inspireren door wetenschappelijk onderzoek is een stap in de goede richting.

“Ze kiezen gerechten die hun politieke honger stillen.”

Maar de grens tussen een verwetenschappelijking van beleid en politisering van wetenschappelijk onderzoek is soms dun. Zo werd vanuit academische hoek al gewaarschuwd voor overheden die wetenschappelijke inzichten gebruiken als een menukaart. Ze kiezen dan die gerechten die het best hun politieke honger stillen.Walgrave L. (2008), Criminology, as I see it ideally, Address delivered on the occasion of his receipt of the 2008 European Criminology Award of the European Society of Criminology, Edinburgh, 5 september 2008.

Als de Vlaamse Regering het evidence-based werken werkelijk als een centraal werkingsprincipe ziet, veronderstelt dat meer dan wat smakelijke kersen kiezen uit de wetenschappelijke menukaart. Een verwetenschappelijking van het jeugdrecht betekent dat we vanuit een gevarieerde onderzoeksagenda kritisch kijken naar het maatregelenpakket.

Uithandengeving is niet evidence-based

Met het vasthouden aan de uithandengeving ondergraaft de Vlaamse Regering meteen het evidence-based werken als centraal uitgangspunt van het decreet. Dit is een politieke keuze die ingaat tegen bevindingen uit nationaal en internationaal wetenschappelijk onderzoek.

“Uithandengeving is contraproductief.”

Dezelfde vaststellingen komen steeds terug. Jongeren die uithanden worden gegeven, maken een grote kans op een persistent justitieel traject tijdens de (jong)volwassenheid. En vergeleken met jongeren die in het jeugdrecht worden gehouden, blijken jongeren die als volwassenen werden berecht vaker en sneller te recidiveren. Ze plegen ook zwaardere, meer gewelddadige feiten.

Het systeem van uithandengeving is contraproductief bij het terugdringen van jeugddelinquentie. Wetenschappers zijn behoorlijk unaniem: niet doen, die uithandengeving.Jaspers, Y., Nuytiens, A., Christiaens, J. and Dumortier, E. (2017), ‘Pathways of Transferred Youth Offenders into Adulthood’, Youth Justice, 17(2), 153-170.

Op vingers getikt

Naast het wetenschappelijke onderzoek zijn er nog andere redenen om kritisch te staan tegenover de uithandengeving. Zo tikte het Comité voor de Rechten van het Kind België al herhaaldelijk op de vingers voor het systeem van uithandengeving. Daarbij drukt dit Comité een ernstige bezorgdheid uit omdat deze gang van zaken niet past in de “eis van een allesomvattend jeugd(delinquentie)recht dat van toepassing is op alle jongeren tot minstens achttien jaar.”Herbots, K., Asselman, H. en Put, J. (2015), Omgevingsanalyse Vlaams jeugdrecht: het kinderrechtelijk kader, Leuven/Gent, Instituut voor Sociaal Recht & KeKi, 8.

“Uithandengeving past niet in een coherent jeugdrecht.”

Het Kinderrechtencommissariaat, jeugdadvocaten en academici sloten zich tijdens de thematische werkgroepen in het voortraject aan bij die internationale eis. De uithandengeving past niet in een coherent en integratief jeugdrecht gericht op alle jongeren die delicten plegen voor de leeftijd van achttien jaar.Lembrechts, S. en Herbots, K. (2018), ‘Nieuwe aanpak jeugddelinquentie. Kinderrechten dagen jeugdrecht uit’, Sociaal.Net, 18 februari 2016.

Zwakke schakel

Op basis van deze bezwaren moet Vlaanderen mikken op een jeugddelinquentierecht dat een constructief antwoord biedt voor die groep jongeren waar voorheen aan uithandengeving werd gedacht. Het is vreemd dat bij de uitbouw daarvan meteen wordt aangegeven wanneer dat rechtssysteem op een zijspoor wordt gezet.

“Er is een alternatief voor de uithandengeving.”

Het vasthouden aan de uithandengeving is des te vreemder omdat het voorontwerp van decreet een volwaardig alternatief voorziet: de langdurige gesloten begeleiding voor zestien- en zeventienjarigen.

In de adviezen spreekt de Kinderrechtencommissaris in dat opzicht over “een gemiste kans” en stelt het Kenniscentrum Kinderrechten dat “een jeugddelinquentierecht maar zo sterk en efficiënt is als zijn zwakste schakel”. Die uithandengeving is inderdaad een zwakke schakel, die alle verdere ambitie en beloftevolle ideeën op losse schroeven zet.

Goede reputatie

Vlaanderen legt de laatste stenen van haar eigen jeugddelinquentierecht. Het voorontwerp van decreet oogt ambitieus. Er wordt gekozen voor duidelijke inhoudelijke krachtlijnen die mee uitgezet werden vanuit de rijke praktijkervaring en wetenschappelijke onderzoek.

“Er wordt gekozen voor duidelijke krachtlijnen.”

Dat in de toekomst meer wordt ingezet op registreren, monitoren en evalueren, is een mooie stap vooruit.

Ons land heeft overigens met betrekking tot de aanpak van jeugddelinquentie een goede reputatie. De brede en prioritaire inzet van herstelgerichte en constructieve interventies met het oog op het herstellen van de schade en betrekken van het slachtoffer, wordt internationaal geroemd.

Politieke keuze

Toch ondergraaft de Vlaamse Regering haar eigen ambitie. Ze pleit voor een evidence-based jeugddelinquentierecht waarbij we moeten ‘versterken wat werkt, en wat niet werkt bijsturen of verlaten.’ Door vast te houden aan de uithandengeving, klinkt dat pleidooi minder geloofwaardig.

“Dit is een politieke keuze.”

Wetenschappelijk onderzoek en kinderrechten moeten hier de duimen leggen voor een roep naar een hardere benadering van ernstige jeugddelinquentie.Jaspers, Y., Nuytiens, A., Christiaens, J. and Dumortier, E. (2017), ‘Pathways of Transferred Youth Offenders into Adulthood’, Youth Justice, 17(2), 153-170.Dat is een politieke keuze.

Scherpe observatie

Meer dan tien jaar geleden werd een VUB-onderzoek over trajecten na uithandengeving gepubliceerd. In een bespreking van dat boek vroeg Robert Vermeiren zich destijds af of “dit onderzoek voldoende zal zijn om deze noodzakelijke veranderingen in gang te zetten, dan wel of er nog tal van delen van dit boek nodig zijn om de overheid wakker te schudden, en hen ervan te overtuigen dat de verwaarlozende wijze waarop men met deze jongeren omgaat niet enkel de jongeren zelf schaadt, maar ook de hele maatschappij.”Vermeiren R. (2007), ‘Trajecten van uithanden gegeven jongeren in het strafrecht’, Panopticon, 3, 87.

Die observatie blijft ook vandaag nog even scherp.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen