Onderzoek versterkt praktijk

Academische werkplaats getuigt

Vier jaar geleden startte Jeugdzorg Emmaüs samen met de onderzoeksinstellingen LUCAS en het HIVA een academische werkplaats. Nu is het tijd voor een eerste evaluatie. De opstart van zo’n academische werkplaats is immers geen evident proces. Elke partij moet uit zijn comfortzone komen. Maar het leidt wel tot een nieuwe vorm van samenwerking tussen wetenschap, beleid, praktijk en gebruikers.

logo-jeugdzorg-emmaus-high-resEen kruispunt

Vier jaar geleden bevond Jeugdzorg Emmaüs zich op een kruispunt. Er was de opmars van ‘evidence based practice’ en Jeugdzorg Emmaüs wilde graag volgen en mee de kar trekken. Maar de organisatie was er ook van overtuigd dat effectiviteit niet zomaar eenzijdig vast te leggen is. Immers: wat is effectieve hulpverlening? Zegt de wetenschap wat effectief is? Of moeten en kunnen hulpverleners dat bepalen? Of vragen we het aan cliënten?

“Een academische werkplaats is een ontmoetingsplaats.”

Met een hoofd vol vragen trok de organisatie richting wetenschap. Geïnspireerd door TRANZO-Tilburg University in Nederland werd, samen met de onderzoeksinstellingen LUCAS en het HIVA, gestart met de ontwikkeling van een academische werkplaats.

Een academische werkplaats is een ontmoetingsplaats waar cliënten, hulpverleners, beleidsmensen en onderzoekers vanuit hun eigen expertise werken aan kwaliteitsvolle hulpverlening. Centraal staat het kruisen van verschillende kennisvormen: de ervaringskennis van de cliënt, de professionele kennis van hulpverleners en bestuurders en de wetenschappelijke kennis van de onderzoeker.

Bouwstenen

Voor deze academische werkplaats werd een theoretisch raamwerk vastgelegd, vergelijkbaar met de ruwbouw van een huis. We herkennen drie bouwstenen: de brede benadering van evidence based practice, een interactief model van kennisopbouw en het empowermentparadigma.

Deze theoretische uitgangspunten sloten aan bij de expertise en ontwikkelde kaders van de wetenschappelijke partners en bij het pedagogisch beleid en de cultuur van Jeugdzorg Emmaüs. Achteraf blijkt deze match zeer belangrijk. Hoewel er discussies zijn geweest omtrent details en accenten – ‘de afwerking van het huis’ – is het raamwerk altijd en voor elke stakeholder duidelijk geweest.

Brede benadering van evidence based practice

De eerste theoretische bouwsteen is de brede benadering van evidence based practice.Hermans, K. (2008), ‘Evidence based practice als opportuniteit voor het sociaal werk’, Alert, 34 (2), 13-23.Dit model biedt handvatten om te werken aan een effectievere en efficiëntere hulpverlening, zonder daarmee de complexiteit van het sociaal werk uit het oog te verliezen.

“Effectiviteit is meer dan het toepassen van een effectieve methodiek.”

Deze ruime benadering gaat uit van het idee dat effectiviteit afhankelijk is van factoren die zich op verschillende niveaus bevinden: gebruiker, methodiek, professional, interne organisatiestructuur, netwerk waarbinnen de organisatie functioneert, de wijze waarop de overheid de voorzieningen aanstuurt en de verwachtingen van de samenleving.

Effectiviteit is met andere meer dan het simpelweg toepassen van een effectieve methodiek.

Figuur 1  Een brede benadering van effectieve hulpverlening
Figuur 1
Een brede benadering van effectieve hulpverlening

Een interactieve wijze van kennisopbouw

De tweede theoretische bouwsteen is een interactief model van kennisopbouw.Hermans, K. (2008), ‘Evidence based practice als opportuniteit voor het sociaal werk’, Alert, 34 (2), 13-23.Hierdoor wordt gebroken met het lineaire denken van de enge benadering van evidence based practice die ervan uitgaat dat wetenschappelijke kennis zich ontwikkelt en de werkpraktijk die vervolgens moet toepassen. In een interactieve benadering wordt gekozen voor een voortdurende wisselwerking tussen wetenschap, praktijk, cliënten en beleid.

Om tot nieuwe inzichten te komen moet je wetenschappelijke, praktijk-, beleid- én ervaringskennis kruisen, met gelijkwaardige inbreng van de verschillende perspectieven. Alle stakeholders zijn betrokken, niet alleen op de kenniscreatie maar evenzeer op de ontwikkeling, verspreiding en validering van kennis.

Figuur 2  Een interactief model van kennisontwikkeling
Figuur 2
Een interactief model van kennisontwikkeling

Het empowermentparadigma

De derde bouwsteen is het empowermentparadigma.Van Regenmortel, T.  (2002), Empowerment en Maatzorg. Een krachtgerichte psychologische kijk op armoede, Leuven, AccoDe definitie die Tine Van Regenmortel opstelde, staat hierbij centraal: ‘Empowerment is een proces van versterking waarbij individuen, organisaties en gemeenschappen greep krijgen op hun eigen situatie en omgeving en dit via een verwerven van controle, het aanscherpen van kritisch bewust zijn en het stimuleren van participatie’.Van Regenmortel, T. (2011), Lexicon van empowerment, Marie Kamphuis-lezing 2011, Utrecht, Marie Kamphuis Stichting.

“De derde bouwsteen is het empowermentparadigma.”

De kernprincipes van het empowermentparadigma vormen de bril van waaruit de zorgpraktijk wordt bekeken en waaraan deze voortdurend wordt getoetst. Ze zijn ook richtinggevend voor de samenwerking tussen de verschillende stakeholders en de concrete onderzoekspraktijk. Fetterman en Wandersman pasten het empowermentparadigma toe als onderzoekskader (‘empowerment research’/‘empowerment evaluation’).Fetterman, D.M en Wandersman, A. (Eds.) (2005), Empowerment evaluation principles in practice, New York, Guilford.Het overbrengen en toepassen van dit kader op de ontwikkeling van een academische werkplaats leidde tot vier kernprincipes.

Het onderzoek mag niet enkel tot doel hebben om kennis te verzamelen en theorie op te bouwen. Het moet ook in dienst staan van een reële verbetering in de praktijk, kortweg: bewijzen én verbeteren (to prove & to improve). Elke stakeholder is mee eigenaar van de academische werkplaats en het onderzoek (full ownership). Er is expliciete aandacht voor de stemmen die tijdens traditioneel onderzoek weinig of niet worden gehoord, bijvoorbeeld de stem van de cliënt (aandacht voor de silenced voices) en het onderzoek en de gelopen processen binnen de academische werkplaats worden ingebed in een lerende organisatie. Dat is een organisatie die deze processen stimuleert, ondersteunt en aangrijpt om zelf een groeiproces te doorlopen (lerende organisatie).

Onderzoeker als collega

Naast een theoretisch raamwerk is een academische werkplaats vooral iets dat vorm krijgt tussen mensen. In dit geval was dat tussen beleid, praktijkwerkers en gebruikers van Jeugdzorg Emmaüs en de onderzoekers van de twee onderzoeksinstellingen. Deze samenwerking biedt kansen op complementariteit, maar houdt ook een risico in op vervreemding en discussie. Om dat risico te beperken, kwam er een science practitioner, een heldere overlegstructuurEr was een gemengde stuurgroep met de stakeholders, een groep van praktijkwerkers en een expertcommissie. Deze ‘commissie’ maakte het mogelijk om de werkplaats te positioneren in enkele actuele discussies zoals de invulling van rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp. De overlegstructuur is voor de academische werkplaats een terugvalbasis bij opborrelende spanningen en frustraties. Discussies werden systematisch op de agenda van de daarvoor bestemde groep geplaatst en daar uitgeklaard. en werd gekozen voor een realistische en weloverwogen benadering van cliëntparticipatie.

“Praktijkonderzoeker is geen expert met een witte schort.”

Om bruggen te bouwen tussen de wereld van de wetenschap, cliënten en praktijkwerkers werd een science practitioner of praktijkonderzoeker aangeworven. Er werd specifiek gekozen voor iemand met onderzoeks- en praktijkervaring. Deze praktijkonderzoeker was vroeger in dienst bij Jeugdzorg Emmaüs wat zorgt voor een grote betrokkenheid met de praktijkinstelling.

De onderzoeker werd collega. Het was immers niet de bedoeling dat deze praktijkonderzoeker een ‘expert met een witte schort’ werd. Geen buitenstaander die zich boven de andere stakeholders stelt, maar één van de betrokkenen die vanuit een specifieke expertise samen met anderen zoekt naar verbetering. We omschrijven de rol als deze van ‘critical friend’. De onderzoeker als een vriend die vertrouwen schenkt en zichzelf een stuk blootgeeft. En net als een kritische vriend spiegels, kaders en ideeën aanreikt die aanzetten tot kritische reflectie en ontwikkeling.

Het vraagstuk cliëntparticipatie

Een grote uitdaging tijdens de opbouw van de academische werkplaats was de plek voor cliënten en het cliëntperspectief. Dit bracht heel wat vragen met zich mee: Wie is precies ‘de gebruiker’ van de jeugdzorg? Kan er gewerkt worden met cliënten die rechtstreeks verbonden zijn aan Jeugdzorg Emmaüs of moet er gewerkt worden met onafhankelijke cliëntenorganisaties? Moeten cliënten of ervaringsdeskundigen worden betrokken? Wat is echte participatie en wat is schijnparticipatie? Wat zijn noodzakelijke randvoorwaarden? Wat zijn mogelijke methodieken en technieken?

“Wat is echte, wat is schijnparticipatie?”

Om deze vragen te beantwoorden en keuzes omtrent de betrokkenheid van de cliënten in de academische werkplaats te onderbouwen, kwam er een verkennend literatuuronderzoek. We stelden ook een uitgebreide conceptnota op met als algemene conclusie een pleidooi voor een ‘realistische én weloverwogen benadering van cliëntparticipatie’.

Anders dan onbezonnen meteen de hoogste treden van de participatieladder te beklimmen, kozen we voor kleine, geleidelijke en weloverwogen stappen. Deze stappen moeten beweging initiëren op verschillende niveaus (praktijk, beleid, onderzoek, gebruikers) zodat langzamerhand naar elkaar toe kan worden gegroeid.

Cliëntenorganisaties en ervaringsdeskundige

Deze genuanceerde benadering van cliëntparticipatie leidde tot een aantal keuzes. De academische werkplaats werkt samen met drie onafhankelijke cliëntenorganisaties. Concreet zijn dit Popant (voor de ouders), vzw Cachet (voor de jongeren) en Vlaams Netwerk Armoede. Zij kregen een plek in de overlegstructuur. Daarnaast was en is er regelmatig extra ‘ad hoc’ overleg.

We legden de nodige voorzichtigheid aan de dag en kozen voor een geleidelijke betrokkenheid van cliënten van de eigen organisatie, net omdat de omslag naar een participatieve organisatiecultuur tijd vraagt en best stapsgewijs wordt aangepakt. Cliënten zijn nog niet structureel betrokken in de overlegstructuren, wel werden er diepte-interviews afgenomen die werden teruggekoppeld naar alle stakeholders, op alle niveaus van de academische werkplaats. We schakelden ook een ervaringsdeskundige in. Deze medewerker deed enkele brede, explorerende interviews met ouders.

Parallel proces

De verdere opbouw van de academische werkplaats en verankering in de cultuur, structuur en praktijk van Jeugdzorg Emmaüs gebeurde via twee parallelle processen.

“Overleg werd een echte inhoudelijke broeihaard.”

Eerst en vooral was er het eerste concrete onderzoek naar de werkzame factoren van de intensieve pedagogische thuisbegeleiding. Dit leidde uiteindelijk tot een gedragen actieplan met verbetertrajecten. Door samen te reflecteren, te discussiëren en soms zelfs te onderhandelen over dit onderzoek, kreeg een onderzoekscultuur en zo ook de academische werkplaats vorm. Het overleg werd een echte inhoudelijke broeihaard. Na elke cyclus van gegevensverzameling werd immers een tussentijdse reflectie georganiseerd.

Meer dan het enkel ‘checken’ van onderzoeksbevindingen werden resultaten in de diepte besproken. Dit leidde voor de onderzoekers tot een nuancering en contextualisering van de resultaten. Voor de praktijkwerkers betekende dit een diepgaande reflectie op hun dagelijks handelen, een in vraag stellen van vanzelfsprekendheden. Het management kwam tot een ander soort dialoog met medewerkers.

Kruisvuur

Als onderzoeker kom je zo heel dicht bij het functioneren van organisaties, wat niet altijd gemakkelijk is. Dit is niet zozeer inhoudelijk een probleem. De onafhankelijkheid werd voldoende gefaciliteerd door de organisatie en bewaakt door de promotoren. Het is vooral relationeel niet zo eenvoudig. Je komt als onderzoeker soms terecht in een kruisvuur, tegelijkertijd ben je soms ook getuige van zeer waardevolle processen.

Naast de onderzoekers, nam ook Jeugdzorg Emmaüs zelf initiatief om de academische werkplaats te ontwikkelen. Zo waren er bijvoorbeeld de creatieve projecten met Har Tortike waarin de jongeren via diverse methodieken (forumtheater, zang, video) een stem gaven aan hun ervaringen. Er was een gezamenlijke brainstorm met ouders, jongeren, praktijkwerkers, docenten en beleidsmakers om vorm te geven aan de missie, visie en waarden van de organisatie. Er kwamen ook oudergroepen en er werd geïnvesteerd in de aanwerving van een ervaringsdeskundige.

Een kritische terugblik

Na drie jaar academische werkplaats was er nood aan een kritische terugblik. Voor de science practitioner is de positie in een academische werkplaats soms oncomfortabel. De science practitioner wordt geconfronteerd met tegenstrijdige belangen, verwachtingen en ideeën.

“Na drie jaar academische werkplaats was er nood aan een kritische terugblik.”

Waren we er tijdens het eerste jaar van overtuigd dat een academische werkplaats bestaat uit het dichter bij elkaar brengen van de onderzoeks- en praktijkwereld, dan zijn we er nu van overtuigd dat de spanning tussen beide werelden juist een inherent onderdeel is van de academische werkplaats. Die spanning moet niet steeds worden opgelost of toegedekt. Het toelaten van spanning en het elkaar wijzen op blinde vlekken is net de kracht van de samenwerking in een academische werkplaats.

Met de schoenen in de modder

Omdat bij de start werd gekozen om de complexiteit en ambiguïteit van het sociaal werk niet uit de weg te gaan, moet de science practitioner wel echt met de schoenen in de modder gaan staan. Zo kozen we bijvoorbeeld voor de methode van participerende observatie: de onderzoeker ging mee op huisbezoek. Ook tijdens supervisiemomenten en teamvergaderingen was de onderzoeker aanwezig om meer zicht te krijgen op de dagelijkse praktijk van sociaal werkers. Dat is niet gemakkelijk, vaak ook heel verwarrend.

De science practitioner wordt geconfronteerd met een veelheid en complexiteit aan informatie zodat de expertise van praktijkwerkers en gebruikers echt nodig is om tot een zinvolle reflectie te komen. Dat dwingt je als onderzoeker meteen ook wel in een nederige positie.

“Praktijkwerkers ervaren de onderzoeksresultaten als zeer herkenbaar.”

Ook voor de promotoren, Koen Hermans en Tine Van Regenmortel, is de betrokkenheid bij het onderzoek en de praktijk groter dan in andere projecten. Tegelijkertijd was het belangrijk om goed vast te houden aan het theoretisch kader. Dit bood voortdurend houvast en gaf de mogelijkheid om samen met de verschillende stakeholders de dagelijkse praktijk kritisch te bekijken en sterktes en zwaktes te identificeren. Een valkuil die niet gemakkelijk te vermijden bleek, was om te vervallen in een persoonlijke evaluatie van de professionals. Hoewel de gegevens steeds werden geanonimiseerd en in zijn algemeenheid werden teruggekoppeld, bleek het toch moeilijk te vermijden dat sommige functies scherp in beeld kwamen. De lijn met persoonlijke evaluatie werd soms erg dun.

Praktijkervaring

Praktijkwerkers ervaren de onderzoeksresultaten als zeer concreet en herkenbaar. Het onderzoek bood concrete aanknopingspunten om meteen mee aan de slag te gaan en verbetertrajecten op te zetten. Sommige praktijkwerkers geven aan dat ze als gevolg van de gezamenlijke reflecties op een andere, meer bewuste manier in hun begeleiding staan.

Verschillende praktijkwerkers merkten op dat ze de aanwezigheid van de science practitioner op hun dienst als waardevol ervaren. Zij beschrijven dat dit de academische werkplaats dichtbij bracht en levendig maakte voor het betrokken team.

Verder geven praktijkwerkers aan dat het platform voor de academische werkplaats moet uitgebreid worden. Praktijkwerkers uit de afdelingen die niet betrokken waren bij het IPT-onderzoek zijn veel minder op de hoogte van de academische werkplaats. Daarnaast is er een verloop in de teams waardoor het moeilijk is om de academische werkplaats levendig te houden. Dit is een uitdaging voor de verdere opbouw van de academische werkplaats.

Beleid

Beleidsmakers van Jeugdzorg Emmaüs geven aan dat het een uitdaging is om middelen te vinden voor structurele financiering van de academische werkplaats. Tot nu toe werd immers een grote investering gevraagd van de organisatie.

“Een academische werkplaats leidt tot nieuwe vorm van samenwerking.”

Wij hebben de ervaring dat een academische werkplaats effectief leidt tot een nieuwe vorm van samenwerking tussen wetenschap, beleid, praktijk en gebruikers. Zoals gezegd is dit geen evident proces. Iedereen moet uit zijn comfortzone treden. Wetenschappers worden gedwongen om te ‘vermaatschappelijken’, om het gesprek direct aan te gaan met praktijkwerkers. Dit betekent dat ze moeten leren omgaan met woord en wederwoord. Ze ervaren dat ze niet steeds het laatste woord hebben. Praktijkwerkers ‘verwetenschappelijken’, ze leren wetenschappelijke inzichten te gebruiken en te vergelijken met hun eigen manier van handelen. Het beleid wordt geconfronteerd met -misschien soms onverwachte – inzichten over het functioneren van de eigen voorziening. Cliënten ervaren dat naar hen wordt geluisterd en dat hun inzichten worden meegenomen naar een concrete praktijkverandering. En wetenschappers, directies en praktijkwerkers leren om in aanwezigheid van gebruikers en cliëntenorganisaties het eigen jargon los te laten.

Voldoende voordelen om de volgende jaren verder te bouwen aan deze ‘empowerende’ academische werkplaats, en ze deel te laten uitmaken van de cultuur, structuur en praktijk van Jeugdzorg Emmaüs.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen