Achtergrond

‘Om alle noden op te lossen is 4 miljard nodig. Dat geld heb ik niet’

Lisa Develtere, Nico Bogaerts

Wouter Beke (CD&V) is de nieuwe Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding. Zijn start verloopt moeilijk. De geplande besparingen op welzijn en zorg zetten veel kwaad bloed. Hoe kijkt de minister naar het rumoer? En wat zijn de plannen voor de komende vijf jaar?

Wouter Beke

© ID / Bart Dewaele

Hoe kijk je terug op je eerste maanden als minister?

“Die zijn moeilijk gelopen, maar dat had ik verwacht. Elke minister vraagt zich aan het begin van de legislatuur af: Wat gebeurt er vandaag op mijn beleidsdomein? Loopt dat goed? Kan het beter en efficiënter? Dat is een moeilijke maar noodzakelijke oefening.”

Er is veel onvrede over de besparingen en de kaasschaafmethode van deze regering. De reacties zijn fel.

“Ik heb geen kaasschaafmethode toegepast. Er wordt geen 6 procent bespaard op preventie, zorg en welzijn, zoals in veel andere beleidsdomeinen. Op een totaalbudget van 13 miljard euro wordt 95 miljoen bespaard. Dat is 0,7 procent. Voor sommige organisaties gaat het om 6 procent, bij anderen om 1,3 procent. Er zijn er ook die niet moeten besparen.”

Zes jaar geleden kondigde Jo Vandeurzen ook al besparingen aan op welzijn. Aan het einde van de legislatuur zou er ruimte komen om te investeren. En kijk: nu zijn er opnieuw besparingen.

Jullie spreken alleen maar over besparen. Het welzijnsbudget is onder Jo Vandeurzen met 2 miljard euro gestegen. In tal van domeinen, zoals de kinderopvang, ouderenzorg en gehandicaptensector werd sterk geïnvesteerd. Jo heeft de voorbije tien jaar baanbrekend werk geleverd. Deze legislatuur stijgt het budget opnieuw met 2 miljard euro, waarvan bijna 1,2 miljard bedoeld is voor nieuw beleid. Los van indexeringen en dergelijke.”

Ik heb geen kaasschaafmethode toegepast.’

“Elke euro kan je maar één keer uitgeven. Dus is het logisch dat je kijkt of we die euro’s wel op de best mogelijke manier inzetten. Gisteren zaten hier mensen uit het werkveld aan de tafel. Iemand zei: ‘Het is niet zozeer een kwestie van meer middelen, maar een kwestie van betere organisatie en afstemming.’ Ik denk dat het beide is.”

“Beleid maken is niet gewoon voortdoen met wat bestaat. Dan heb je geen minister nodig. We moeten keuzes durven maken, zeker als die beter aansluiten op de uitdagingen van vandaag. Daarom geef ik geld aan het buddyproject ArmenTekort en investeren we 1,5 miljoen euro in Stek-huizen van het opbouwwerk. Maar in zo’n zaken zijn weinig journalisten geïnteresseerd. Met een besparing van 5000 euro haal ik wel de televisiestudio’s.”

Niet enkel in de media weerklonk kritiek. Het is ongezien dat alle werkgeverskoepels samen zo hard reageerden op de besparingen.

“Ik heb tijdens protestacties zaken gehoord die manifest onjuist zijn. Het klopt niet dat de investeringen op welzijn betaald moeten worden met de eigen besparingen. Of dat er niet genoeg geld zou zijn om beslist beleid uit te voeren.”

‘Ik heb 550 miljoen om nieuw beleid te voeren.’

“Ik steek niet onder stoelen of banken dat we 95 miljoen euro besparen. En ik begrijp dat dit niet de meest elegante boodschap is aan het begin van een legislatuur. Maar opnieuw, er komt geld bij. Bijna 1,2 miljard.”

“We maken 600 miljoen euro vrij om belangrijke keuzes van de vorige regering uit te voeren. Denk maar aan de hervorming van de kinderbijslag en de automatische rechtentoekenning voor mensen met een beperking. Ik heb de voorbije weken hard gewerkt om te zorgen dat dit geld er komt. Daarnaast heb ik 550 miljoen euro om nieuw beleid te voeren. Echt nieuw beleid.”

Waar liggen je prioriteiten in dat nieuwe beleid?

“Vlaanderen vergrijst, dus we investeren in de ouderenzorg. Er komen extra bedden en we verbeteren de kwaliteit van de zorg.”

“Een andere prioriteit zijn kinderen en jongeren. Voor de kinderopvang trekken we 58 miljoen euro uit. In de jeugdhulp zijn twee elementen cruciaal. We voorzien extra geld, maar we moeten ook zorgen voor een betere organisatie.”

‘We moeten ook zorgen voor een betere organisatie.’

“Mensen die hulp zoeken, zien door het bos de bomen niet meer. Daarom is Vlaanderen begonnen met één gezin, één plan. Ouders en jeugdwerkers zullen echt het verschil voelen, het vinden van de juiste hulp zal veel eenvoudiger zijn. We hebben nu extra middelen uitgetrokken om dat in heel Vlaanderen uit te rollen. In combinatie met de Huizen van het Kind geeft dat een nieuwe dynamiek.”

Een groot probleem in Vlaanderen zijn de wachtlijsten. Heb jij ambitie om deze weg te werken?

“In de ouderenzorg zijn we met enorme inhaalbeweging bezig. In de kinderopvang ook. Daar vindt de meerderheid van de mensen een plek.” 

Die wachtlijsten zijn er nog wel bij de centra voor geestelijke gezondheidszorg, in de gehandicaptensector en de jeugdhulp.

“Om alle noden op te lossen is 4 miljard nodig. Dat geld heb ik niet. Deze Vlaamse regering investeert niet alleen in welzijn, maar ook in het klimaat, het onderwijs en openbaar vervoer. Dat is ook allemaal belangrijk voor het welzijn en de gezondheid van de Vlaming.”

Je zal maar de ouder zijn van een kind dat wacht op hulp.

“Wie ook op deze stoel zou zitten, links, rechts of alles ertussen, geen enkele minister zou 4 miljard extra voor welzijn op tafel kunnen leggen. Ik heb de vraag gesteld in het parlement: ‘Waar moet ik de middelen halen?’ Het enige antwoord dat ik kreeg was dat we geen F35-gevechtsvliegtuigen moeten kopen. Sorry, maar dat is niet serieus. Zelfs als de federale regering zou besluiten om die niet aan te kopen, levert dat geen extra euro op voor welzijn in Vlaanderen. Laat ons stoppen met die slogans.”

‘Wie ook op deze stoel zou zitten, links, rechts of alles ertussen, geen enkele minister zou 4 miljard extra voor welzijn op tafel kunnen leggen.’

“We doen twee dingen om te zorgen dat mensen sneller geholpen worden. Extra geld voorzien, dat is die 1,2 miljard, en kijken hoe we met alle beschikbare middelen zoveel mogelijk mensen kunnen helpen. Meer mensen dan vandaag. Ik heb de administratie de opdracht gegeven om die oefening te maken.”

Je bent ook Vlaams minister van Armoedebestrijding. Wat zijn daar je prioriteiten?

“Armoede heeft materiële en immateriële componenten. Het gaat om wat je hebt, maar ook om je sociale contacten. Met de sociale toeslagen binnen het groeipakket heeft Vlaanderen de laatste jaren al belangrijke stappen gezet in de aanpak van armoede. Dat zie je nog niet in de statistieken, maar het is wel belangrijk.”

“Op immaterieel vlak moeten we kijken hoe we geborgenheid kunnen bieden aan mensen in armoede. Een plaats waar mensen terecht kunnen. Die nieuwe kansen bieden. Dat gaat niet enkel over sociale diensten, maar ook over bijvoorbeeld de Stek-huizen.”

Wouter Beke

“Als we altijd blijven zitten met de a priori’s van het verleden, dan zouden we nu nog een sociaal beleid voeren van in de jaren stillekes.”

© ID / Bart Dewaele

Er staan geen streefcijfers rond armoede in het regeerakkoord.

“Dat die streefcijfers niet in het regeerakkoord staan, wil niet zeggen dat ik mijn schouders niet volledig onder het armoedebeleid zal zetten. Leopoldsburg had een hoog kinderarmoedecijfer. Als schepen en burgemeester heb ik dat sterk doen kantelen. Ik heb een lokaal armoedebeleid opgestart, samen met verenigingen waar armen het woord nemen. Het was een plan op verschillende terreinen, want met één maatregel kan je armoede niet oplossen.”

Heeft de lokale overheid op vlak van armoedebeleid meer impact dan Vlaanderen?

“Vlaanderen creëert kaders, maar het lokale niveau speelt inderdaad een ontzettend belangrijke rol. Lokaal kan men het verschil maken. Ook voor gezondheid en welzijn.”

‘Lokaal kan men het verschil maken.’

“Vandaag hebben we sterke lokale besturen die meer dan vroeger de kracht van het sociaal beleid ontdekken, onder meer door de inkanteling van de OCMW’s in de gemeenten. Daar was veel verzet tegen, maar nu blijkt dit een goede zaak. Vroeger was sociaal beleid iets van de voorzitter van het OCMW. Het bestuur had er niets mee te maken. Vandaag is dat niet meer het geval. Dat heeft voor een nieuwe dynamiek gezorgd. Je merkt dat aan de veelheid van nieuwe lokale initiatieven en experimenten die worden opgezet.”

In het regeerakkoord staat ook dat de lokale besturen de middelen voor de onthaalopdracht van de Centra voor Algemeen Welzijnswerk kunnen overnemen.

“Lokale overheden kunnen dat doen als ze het gevoel hebben dat het dubbelop is. Waarom ook niet? Als je zo beter lokaal sociaal beleid kan realiseren? We moeten daar niet met a priori’s naar kijken.”

Heb je het gevoel dat er te veel a priori’s zijn binnen zorg en welzijn?

“Soms wel.”

Is dat frustrerend als beginnend minister?

“Als we altijd blijven zitten met de a priori’s van het verleden, dan zouden we nu nog een sociaal beleid voeren van in de jaren stillekes, van de Comités van de Openbare Onderstand.”

In welke mate wil je het werkveld betrekken bij het beleid?

“Ik vind overleg met het werkveld ontzettend belangrijk. Daar zetten we dus op in. Tegelijk mag het werkveld geen afschermende reflex hebben: ‘De politiek heeft hier niets over te zeggen’. Dat is niet gezond.”

‘Het werkveld mag geen afschermende reflex hebben.’

“Iedereen moet zichzelf af en toe eens bevragen: Zijn we met datgene dat we moeten doen wel op de meest performante manier bezig? Hoe gaan we de uitdaging met de toekomst aan? Doe je die oefening mee, dan ben je voor mij een gesprekspartner. Dan kan je ook zeggen: ‘Dat betekent wel dat we extra middelen nodig hebben.’”

Voor de verkiezingen zei Vlaams parlementslid Lorin Parys (N-VA) dat we in zorg en welzijn nog te veel blind varen. Hij pleit voor evidencebased werken en effectmetingen.

“Voor een aantal zaken is dat absoluut noodzakelijk. Het is logisch dat we naar outputindicatoren kijken en checken of we bereiken wat we willen bereiken. Maar we moeten ook voorzichtig zijn zodat deze dynamiek niet doorslaat. Daarom spreek ik hier met twee woorden. Op den duur zijn sociaal werkers meer bezig met het schrijven van boeken dan dat ze op het werkveld aanwezig zijn.”

“De belangrijkste vraag is: Wat maakt het verschil op het terrein? Als er goede voorbeelden zijn, zullen we die steunen. Als het verschil onvoldoende wordt gemaakt, moeten we ook de moed hebben om te zeggen: ‘Dit moeten in de toekomst anders.’”

In de ouderenzorg en kinderopvang zijn al veel commerciële spelers actief. Zie jij grenzen aan het betrekken van privaat geld voor zorg en welzijn?

“Ik heb niets tegen sociaal ondernemerschap. Maar één zaak staat voorop: de kwaliteit van de zorg moeten we sterk controleren. Als mensen betalen voor een bepaald product, ook al is dat een zorgproduct, mogen ze daar een hoogstaande kwaliteit voor eisen. Als dat niet gebeurt, moet je de moed hebben om te zeggen: ‘Dit gaat niet door.’ En we doen dat. Vandaag is nog een woonzorgcentrum gesloten dat niet voldeed aan onze kwaliteitseisen.”

Al verschillende keren sprak je over jezelf als minister van de kwetsbare mens.

“Ik ben zoon van een huisarts. Mijn zus is huisarts. Mijn moeder werkte met mensen met een beperking. Ik ben opgegroeid met de aandacht voor kwetsbare mensen. Als je je inzet voor het welzijn van mensen dan gaat dat over kwetsbare mensen, in de brede betekenis van het woord.”

‘Er schuilt kracht in kwetsbaarheid.’

“Ik las tijdens de kerstvakantie het boek ‘De kracht van kwetsbaarheid’ van Brené Brown. Het lijkt contradictorisch, maar er schuilt een kracht in kwetsbaarheid. Stel je open voor elkaar, toon je kwetsbaarheid, dan kom je er samen sterker uit.”

“Voor mij ligt een deel van de oplossing in de kracht van kwetsbaarheid omarmen. Als je die kracht ziet bij personen met een beperking, zal je ze inclusiever weten te benaderen. Dan gaat het niet alleen over een uitkering. Dan gaat het over wat die persoon betekent in de buurt of op het werk.”

Wouter Beke

“We moeten blijven zoeken naar manieren om mensen levenskwaliteit en geborgenheid te bieden.”

© ID / Bart Dewaele

Heb je als minister tools in handen om rond die kwetsbaarheid te werken?

“Je kan zorgen voor voldoende capaciteit in de ouderenzorg of meer zorgaanbod voor mensen met een beperking. Dat gaat over harde euro’s. Waar je die aan spendeert, is een typisch politiek debat. Niet evident, maar nog relatief gemakkelijk.”

“Veel moeilijker is het werken aan een samenleving waarin mensen hun kwetsbaarheid tonen. Dat potentieel voor kwetsbaarheid ligt bij iedereen. Kijk maar naar de geestelijke gezondheidzorg. Maar Vlamingen zijn ‘binnenfretters’. Ze laten moeilijk in hun ziel kijken.”

‘Vlamingen zijn ‘binnenfretters’. Ze laten moeilijk in hun ziel kijken.’

“Voor de Rode Neuzen-actie ben ik over het welbevinden van de jongeren gaan spreken in een school in Zaventem. Dat was een hele ervaring. Positief, omdat die jongeren ongeremd praatten. Maar ik schrok ervan dat er zo veel jongeren waren met zo’n rugzak vol twijfels en problemen. Als ik vroeg of daar op school over gesproken wordt, zei men: ‘Nee, dit is de eerste keer’.”

“Eigenlijk is het een ongelooflijke paradox. We verwachten dat die leerlingen excelleren. Maar cruciaal daarbij is natuurlijk wel dat ze zich goed in hun vel voelen. Hetzelfde geldt voor werkgevers. Die verwachten ook dat medewerkers het beste van zichzelf geven. Toch is er iets waardoor veel mensen, ook jongeren, afhaken. Ze zijn schoolmoe of zitten arbeidsongeschikt thuis met een depressie of burn-out. Ze botsen tegen een glazen muur.”

Daar kan je als welzijnsminister toch weinig aan doen?

“Het is geen gemakkelijk debat. En ik ga dat niet alleen oplossen. Maar toch moeten we blijven zoeken naar manieren om mensen levenskwaliteit en geborgenheid te bieden. Pas als het mentaal welbevinden goed zit, kunnen jongeren, werknemers en de samenleving excelleren.”

Slaat die boodschap aan? Het lijkt alsof de samenleving net verhardt en individualistischer wordt.

“Ik zie ook de tendens dat mensen meer op zichzelf terugplooien. Maar tegelijk groeit het besef dat er een maatschappelijke tegenstroom nodig is. Niet alleen nodig voor de samenleving, maar ook voor de mensen zelf.”

Je bent optimistisch?

“Ik ben geëngageerd om daaraan te werken. Zeer geëngageerd.”

Is dat jouw drive als minister van Welzijn?

“Dat was mijn drive om in de politiek te stappen. Ik zit hier op mijn plaats.”

Reacties [3]

  • Caroline

    Blijkbaar staat de heer Wouter Beke ver weg van de dagelijkse realiteit. Als ik lees: “Als we altijd blijven zitten met de a priori’s van het verleden, dan zouden we nu nog een sociaal beleid voeren van in de jaren stillekes, van de Comités van de Openbare Onderstand.”; dan beseft de heer Beke niet dat momenteel ALLE basisvoorzieningen (Nachtopvang, De voedselbedeling, enz.) gedragen worden door vrijwilligers, de Caritas! Mensen die in pensioen zijn en met geloof en genegenheid in de medemens, vrijwillig dit alles doen tot ze ..overwerkt en op-gebrand zijn. Als ik lees :”Investering in stek huizen. Investering in Armen.tekort. Het is maar hoe je nieuwe etiketten op bestaande initiatieven weet te plakken (geïntegreerde wijkcentra, sociaal artistieke projecten, SHW, inloophuizen). Doch deze scoren qua terminologie blijkbaar niet modieus genoeg gezien de recente besparingen. De slogan van de Vlaamse regering: de middelen zijn wat ze zijn? Nee, het zijn de keuzes die men maakt.

  • Kris Demeter

    Als men eerst een ongedekte taxshift steunt, waardoor de belastingsinkomsten dalen, en dus ook de inkomsten van de regio’s moet Beke niet verwonderd zijn dat hij te weinig geld heeft. Hij is er zelf de oorzaak van.

  • Lex Vorsselmans

    Ik kijk reikhalzend uit naar concretere toekomst- en investeringsvoorstellen, maar vernam vorige week nog dat er nog steeds geen kabinetsmedewerker is aangesteld voor de jeugdhulp. Een onhaalbare of onmogelijke opdracht? Toch geen prioriteit?
    Tja, dan blijven de besparingen op de voorgrond staan…

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.