Achtergrond

Netwerken versterken in de jeugdhulp

Zien praktijkwerkers dat zitten?

Bie Melis

Een vitaal netwerk verhoogt het welzijn van mensen. Zo’n netwerk versterkt het zelfvertrouwen en de weerstand tegen stress. En wie praktische ondersteuning of juiste hulp nodig heeft, vindt die sneller. Een goed netwerk zorgt dat kinderen uit kwetsbare gezinnen minder snel geplaatst worden. Niet verwonderlijk dat krachtgericht en netwerkversterkend werken de speerpunten vormen van het welzijns- en jeugdbeleid. Maar wat denken hulpverleners daarvan?

Afbeelding1

© Bas Bogers

Goedkoper of beter?

Om meteen met de deur in huis te vallen: de werkvloer onthaalt het versterken van netwerken eerder kritisch. In het zog van vermaatschappelijking van zorg, wordt gevreesd dat die focus op de cliënt en zijn netwerken vooral het gevolg zijn van een besparingsoffensief. Wat de cliënt doet, moet niet meer gedaan worden door dure professionele zorg.

‘Het gaat om een nieuwe visie met een nieuwe rol voor de hulpverlener.’

Toch moeten we voorzichtig zijn om het kind met het badwater weg te gooien. Besparingsgolf of niet, krachtgericht werken is een belangrijke uitdaging voor de hulpverlening. De gelijktijdige inzet op eigen netwerken en professionele begeleiding kan uitmonden in betere hulpverlening. En dan moet er misschien minder beroep gedaan worden op meer intensieve hulp. Zo wordt de afbouw van de professionele hulp een positief neveneffect, eerder dan een doel op zich.

Tanden stuk

Dat netwerkversterkend werken is niet evident voor kwetsbare jongeren en hun gezinnen, de doelgroep van de jeugdhulp. Door opvoedingsproblemen, armoede of gezondheidskwesties leven ze vaak geïsoleerd. Ze hebben het moeilijk om ondersteuning te vragen aan hun vaak beperkt netwerk. Jeugdhulpverleners bijten dan ook de tanden vaak stuk op het netwerkversterkend werken.

Bovendien omvat de implementatie van dat netwerkversterkend werken veel meer dan het onder de knie krijgen van enkele nieuwe methoden. Het gaat om een nieuwe visie met een nieuwe rol voor de hulpverlener. Vooraleer sociale netwerkmethoden te implementeren, is het belangrijk om zicht te hebben op de obstakels die hulpverleners zien bij het betrekken van het netwerk.

Vier teams bevraagd

We doken als onderzoekers onder bij vier teams uit verschillende voorzieningen binnen de jeugdzorg. Begeleiders, verspreid over residentiële opvang en mobiele werkingen, toonden ons hun kijk via focusgesprekken en illustreerden dit met elf casussen waarin netwerkversterkend werken centraal staat.

Zo is er de dertienjarige Jasmien. Ze verblijft al verschillende jaren in de voorziening. De sporadische contacten met haar moeder verlopen stroef. Daarom overwegen de begeleiders om een ‘activiteitengezin’ te zoeken. Jasmien ziet dat zitten want als anderen op weekend gaan, blijft zij vaak achter in de voorziening. Maar ook voor mama wil men een ondersteunend netwerk activeren. Door mama met de steun van het netwerk sterker te maken, hoopt men het contact met Jasmien te stabiliseren.

Naima kwam met haar twee pubers naar België. Ze is een alleenstaande moeder en voelt zich alleen staan in de opvoeding van haar kinderen.  Het visualiseren van haar gezinssituatie via duplo-poppen motiveert Naima om bewuster met haar netwerk aan de slag te gaan. Dankzij de begeleidingsgesprekken durft ze mensen aan te spreken en bouwt ze opnieuw vriendschapsrelaties uit.

Malika, een alleenstaande mama met drie kinderen waarvan de twee oudsten in de leefgroep verblijven, wordt dan weer wel omringd door een ondersteunend netwerk. Alleen kan ze deze hulp moeilijk organiseren. Het netwerk samenbrengen en beter afstemmen, helpt mama vooruit.

Twijfel

De drie scenario’s geven aan dat netwerkversterkend werken geen onbekende is op de werkvloer. Maar begeleiders twijfelen of dat betrekken van het netwerk binnen de jeugdhulp wel altijd haalbaar en aangewezen is. Hun vraag is duidelijk. “Overtuig ons eerst dat het voor ons doelpubliek zinvol is. En als we overtuigd zijn, geef ons dan taal om dit ook over te brengen naar onze gezinnen. Pas dan kunnen we kijken naar de gereedschapskist met methoden om de meest gepaste werkwijze toe te passen. En dan moet die kist ook gevuld zijn.”

‘Begeleiders twijfelen of het betrekken van het netwerk altijd haalbaar is.’

Vooraleer jeugdhulpverleners de mouwen verder opstropen om de netwerken van hun cliënt te versterken, moeten we dus nog heel wat twijfels en hindernissen wegwerken.

Jongere of gezin?

Willen we netwerken versterken, dan moeten we ze eerst in beeld brengen. Starten we met een netwerkanalyse, dan moet helder zijn wie de centrale persoon is. Daar knelt meteen al het schoentje. Bij jeugdhulpverlening is dat een eeuwig discussiepunt. Al is het welzijn van het kind het uitgangspunt, toch gaat er vanuit gezinsgericht werken ook veel aandacht naar de ouders.

Dat niet meteen helder is wie in het centrum van de wereld staat, heeft concrete gevolgen. Netwerken die ondersteunend zijn voor ouders zijn dat niet altijd voor het kind. Jeugdhulpverleners moeten voldoende aandacht besteden aan ondersteuningsfiguren voor het kind. Waar mogelijk moeten ze verbindend werken tussen de verschillende ondersteunende netwerken voor het kind en zijn ouders.

‘Willen we netwerken versterken, dan moeten we ze eerst in beeld brengen.’

Het organiseren van het netwerk rond mama Malika komt de kinderen ten goede. Voor de dertienjarige Jasmien ligt dat heel anders. De contacten met haar moeder zijn labiel en dus moet ook uitgekeken worden naar de versterking van andere netwerken. Toch zal de begeleiding bij het aanspreken van een activiteitengezin steeds rekening houden met de betekenis voor moeder.

Dat aandachtspunt stelt zich nog scherper bij langdurig verblijf in een residentiële voorziening. Daar wordt sneller gezocht naar een nieuw netwerk voor het kind, soms via steungezinnen. Zo ontstaat een alternatief netwerk voor het kind. Ook hier groeit de aandacht voor de verbinding tussen het nieuwe ondersteunende netwerk van het kind en de ouder. Op die manier voorkomt men dat ouders het nieuwe netwerk als een concurrent ervaren. Ideaal komt er een ondersteunende verbinding tussen het nieuwe netwerk van het kind en de ouder.

Anders kijken en werken

Deze spanningen en groeipijnen zijn slechts illustraties van een dieperliggende omwenteling. Wie netwerkversterkend werkt, legt de regie van het hulpverleningsproces in handen van de cliënt. Dat is een ingrijpende omslag in het denken en handelen. Het is niet langer de ervaring en kennis van de hulpverlener die centraal staat, maar eerder de deskundigheid van de cliënt over zijn leven en de betekenis die hij hier aan geeft. Nieuwe kennis maar ook andere normen en opvattingen worden binnengebracht in de begeleiding.

 ‘De regie van het hulpverleningsproces ligt in handen van de cliënt.’

Met ondersteuning van zijn begeleidster durft Jonas, een geïsoleerde zeventienjarige jongen die zelden buiten komt en niet meer naar school gaat, terug contact opnemen met vrienden. Zij halen hem stilaan uit zijn isolement. Jonas overweegt zelfs om terug naar school te gaan. De positieve impact van de vrienden wordt wel overschaduwd door het feit dat de meesten drugs gebruiken.

Onveilige netwerken

Hebben netwerken waar drugs gebruikt worden dan geen averechtse effecten die het welzijn en de veiligheid van het kind ondermijnen? Dat de implementatie van die grondige omwenteling niet zonder slag of stoot verloopt, blijkt uit de inschatting van welke netwerken al dan niet veilig en beschermend zijn. Jeugdhulpverleners staan in voor de veiligheid van kinderen in verontrustende opvoedingssituaties. Die taak kan op gespannen voet staan met het netwerkgericht werken. Want het netwerk van de ouder of het kind garandeert niet altijd de veiligheid die de hulpverlener verwacht. Toch kan datzelfde netwerk door de cliënt wel als ondersteunend ervaren worden.

Hulpverleners die zich inschakelen in bovenstaande omslag, vertrekken vanuit geloof in de eigen kracht en competenties van cliënten. Cliënten beslissen zelf wie ze voor welke zaken aanspreken. Dit ontslaat de hulpverlener niet van het toezicht op de veiligheid van het kind, maar hij kan deze zorg uitdrukkelijker delen met de ouder in het betrekken van het netwerk. De veiligheid van het kind vormt geen belemmering, wel een aandachtspunt in het betrekken van het netwerk.

‘Het interactioneel werken tussen hulpverlener en cliënt komt op de voorgrond.’

Het voortdurend interactioneel werken tussen hulpverlener en cliënt komt hier sterk op de voorgrond. De cliënt kan groeien naar een leidende rol in het hulpverleningsproces en kan de inhoud sterker bepalen. De hulpverlener bewaakt zo goed mogelijk de veiligheid van het kind, bijvoorbeeld door voorwaarden en afspraken te bespreken.

Ongevraagd

Het inzetten van het netwerk kan ook botsen met het vraaggerichte uitgangspunt van de hulpverlening. Als ouders bij professionele hulpverleners aankloppen met een vraag naar ondersteuning bij de opvoeding, kaarten ze de rol van eigen netwerken zelden aan. Ze ervaren de ondersteunende kracht van zo’n netwerk niet of schamen zich om het probleem te delen met bekenden. Daarom spreken ze vooral hulpverleners aan op hun professionele deskundigheid. De oplossing van het probleem wordt in handen gelegd van de experts. Zowel voor cliënt als hulpverlener lijkt het vaak eenvoudiger om vanuit eigen kennis en deskundigheid advies en raad te geven over het opvoedingsprobleem. Niemand hoeft dan uit de eigen comfortzone.

‘Netwerkversterkend werken is de enige weg naar duurzame ondersteuning.’

Maar wie de kracht van netwerken links laat liggen, boekt veelal slechts kortstondige effecten. Netwerkversterkend werken is de weg naar een duurzame ondersteuning die de cliënt weer greep geeft op het eigen opvoedingsproces. Al is dat niet altijd de makkelijkste weg. Niet iedereen heeft de mogelijkheden en de sociale vaardigheden om een netwerk op te bouwen. Sommige cliënten moeten werken aan hun vertrouwen, anderen moeten schaven aan hun sociale vaardigheden om contacten op te bouwen.

Beschadigd vertrouwen

Dat moet stap voor stap gebeuren. Heeft de cliënt geen vertrouwen meer in de eigen netwerken, dan moet de begeleider dat vertrouwen eerst herstellen. Jeugdhulpverleners vertellen dat vanaf het moment ze netwerken benoemen en in beeld brengen, cliënten sneller beginnen schuiven en het belang van netwerken erkennen.

Zo stelde de begeleidster van Naima vast dat het visualiseren van haar beperkt netwerk, Naima stimuleerde om nieuwe contacten te zoeken.

Vaak is het een eerste aanzet om anders naar het netwerk te kijken en de eerste stappen te zetten in de richting van contactname. Wel vraagt dit van de hulpverleners dat zij het netwerk in kaart brengen met de intentie om dit netwerk ook te mobiliseren. Een netwerkanalyse mag niet beperkt blijven tot een vrijblijvende oefening die zonder gevolg in het hulpverleningsdossier verdwijnt.

Tijd verstreken

Netwerkversterking volgt het ritme van de cliënt. Dat proces strookt niet altijd met de duur van de begeleidingsmodule. Teams gaan creatief op zoek om dit zo goed mogelijk op te vangen. Zo zien we dat één team uitdrukkelijk de aandacht voor het netwerk opneemt in de startfase van de begeleiding. In een ander team werkt men met duo-begeleiding. Eén begeleider geeft tijd en aandacht aan het netwerk terwijl de andere begeleider ingaat op de opvoedingsvragen.

Het is niet haalbaar om bij elke begeleiding zo’n investering in te bouwen. Het blijft dan ook een zoektocht om, rekening houdend met de mogelijkheden en het ritme van de cliënt, zo goed mogelijk met het netwerk te werken. Die verantwoordelijkheid berust niet alleen bij de jeugdhulpverlener. Enerzijds moet men het proces rond het netwerk kunnen doorgeven aan een andere ondersteuner indien de eigen opvoedingsondersteuning afloopt. Anderzijds is de vraag of de aandacht voor een ondersteunend netwerk bij risicogezinnen niet moet ingebouwd worden vooraleer deze cliënten bij de hulpverlening terecht komen.

Als de nood hoog is

Pas in crisissituaties vragen gezinnen steun van het eigen netwerk. Op die momenten worden ze gedwongen om uit te kijken naar de steun van anderen in hun omgeving. De vraag naar ‘hier-en-nu’ opvang of materiële ondersteuning is voor begeleiders dan de enige toegangspoort om met het netwerk aan de slag te gaan.

Dat heeft een keerzijde: door de druk op een snel aanbod wordt het netwerk vanuit een zeer beperkte invalshoek aangesproken. Contacten die op langere termijn algemeen ondersteunend werken, blijven buiten beeld. Bovendien spreekt men het netwerk aan met een directe hulpvraag. Deze éénzijdige, vaak materiele ondersteuning hypothekeert de wederkerigheid in de relatie. Het netwerk komt pas in beeld als de cliënt iets nodig heeft. Hij heeft dan het gevoel daarvoor niets in de plaats te kunnen stellen.

Voor Bert en Karen was een dreigende uithuiszetting de aanleiding om een familielid aan te spreken voor de opvang van hun drie kinderen. De plotse druk op dit familielid, leidde tot conflicten. De hulpverlener greep in door een ruimer netwerk in een formeel overleg samen te zetten. Daar werd niet alleen de dringendheid van de vraag besproken maar kon de ondersteuning verdeeld worden over verschillende betrokkenen. Bovendien geeft zo’n overleg erkenning aan netwerkleden. Het uiteindelijke resultaat is dat dankzij een gedeelde verantwoordelijkheid een breed gedragen ondersteuning geboden werd die voordien niet zichtbaar was.  

 ‘Pas in crisissituaties vragen gezinnen steun van het eigen netwerk.’

De praktijkverhalen tonen aan dat begeleiders de balans trachten te herstellen. Ze grijpen elke kans door de betrokkenheid en meerwaarde van de netwerkleden expliciet te benoemen en te erkennen. Ze investeren in het groepsgevoel zodat de ondersteuning een gedeelde verantwoordelijkheid wordt. Maar het is belangrijk dat de regie zoveel mogelijk bij de hulpvrager blijft liggen. Hij kan dan zelf investeren in de contacten met het oog op een herstel in de balans van geven en nemen.

Nieuwe relaties

Dit wijst op het belang om een ondersteunend netwerk vanaf de start van de begeleiding een plaats te geven. Door als hulpverlener de cliënt meteen te stimuleren om contacten te activeren of te reanimeren, legt men de basis van nieuwe contacten en relaties. De drempel om binnen deze relaties een hulpvraag te stellen, is vaak lager. Tegelijk creëert men kansen voor de cliënt om dat te compenseren door ook zelf gezelschap of ondersteuning aan te bieden.

Maar wat als cliënten aangeven dat hun netwerk uitgedroogd is en zij niemand hebben? Begeleiders zoeken dan naar taal en methoden die de soms schaarse contacten in beeld kunnen brengen. De creativiteit van de hulpverleners is hier essentieel. “Wiens nummer heb je in je GSM? Wie groet je op straat? Wie zie je vaak aan de schoolpoort? Wie wenst je een gelukkige verjaardag?”

Aandacht warm houden

Elk team heeft believers nodig die de aandacht voor het netwerk warm houden. Collega’s moeten ervaringen en ideeën rond netwerkgericht werken met elkaar delen. Want een deel van de regie uit handen geven en zelf toestappen op het netwerk van de cliënt, is niet evident. Het enthousiasme en de succesverhalen van collega’s geven dan een duw in de rug. Er is nood aan uitwisseling, intervisie en samen creatief zoeken naar de beste werkwijze.

‘Elk team heeft believers nodig.’

Netwerkgericht werken is een visie, die best ook uitgestraald wordt door de voorziening. Jeugdhulpverleners moeten voldoende tijd en ruimte krijgen om zich te verdiepen in deze eigen aanpak.

De gereedschapskist

Verschillende methoden worden ingezet om die visie op het werkterrein handen en voeten te geven.Voor een overzicht van deze methoden: Melis, B. en Driessens K. (2012), Een vergelijking tussen methoden van krachtgericht werken, ingezet in de Integrale Jeugdhulp, Antwerpen, Karel de Grote-Hogeschool. Andere publicaties rond dit thema vind je op de website van het Onderzoekscentrum Krachtgericht Sociaal Werk.Kennis van methoden is nodig bij het in beeld brengen, het versterken en het verruimen van het netwerk. Onze bevraging van jeugdhulpverleners toont aan dat nog een hele weg moet afgelegd worden. Hulpverleners kennen vooral methoden die het netwerk in kaart brengen. Die methoden worden vooral aangesproken bij vraagverkenning en minder als een instrument om het netwerk te activeren.

Om een zicht te krijgen op het netwerk stellen hulpverleners meestal gerichte vragen, vooral over familiecontacten. Door daarbij gericht gebruik te maken van bekende methoden zoals genogram, ecogram en netwerkcirkels komen verschillende soorten contacten in beeld.

Externe diensten inschakelen

Minder gekend zijn methoden die met het netwerk aan de slag gaan of die mensen toevoegen aan het netwerk. Om die toe te passen, kijken sommige jeugdhulpverleners naar externe diensten. Dat inschakelen van derden kan voordelen bieden. Zo is de kans op een positieve evolutie groter omdat nu twee organisaties een parallel aanbod ontwikkelen. De begeleider kan zich focussen op de begeleidingsvraag, de externe dienst op het netwerk.

Blijkt dat ook uit frequente samenwerking tussen de jeugdhulpverlening en deze externe diensten? Vreemd genoeg blijven organisaties die op dit vlak heel wat expertise hebben buiten beeld. Jeugdhulpverleners contacteren slechts uitzonderlijk organisaties zoals Eigen kracht-conferentie vzw of LUS vzw. Begeleiders ervaren het organiseren van zo’n contacten als een extra tijdsinvestering. Deze externe diensten zijn vaak overvraagd en werken met wachtlijsten. Dat is lastig als je kort op de bal moet spelen. Bovendien moet de cliënt bij doorverwijzing naar een externe dienst opnieuw een vertrouwensband opbouwen. De voorziening omzeilt dat euvel door binnen de eigen muren bijvoorbeeld zelf netwerktafels te organiseren.

Willen deze externe diensten beter ingang vinden in de jeugdhulp, dan is er meer kennis en informatie over hun aanbod nodig. Omdat er op twee sporen gewerkt wordt, zal een goede afstemming nodig zijn. Anders zien cliënten en hulpverleners door de bomen het bos niet meer. En willen externe diensten snel tegemoet komen aan de vragen uit de jeugdhulp, dan zijn bijkomende investeringen onafwendbaar.

Nieuwe netwerken fabriceren

Maar hoe netwerken versterken als er geen netwerken zijn? De bevraagde jeugdhulpverleners maken zich zorgen over de afwezigheid van netwerken bij geïsoleerde gezinnen. Ze gaan dan op zoek naar expertise en instrumenten om nieuwe netwerken te ontwikkelen. Hulpverleners proberen cliënten aan te sluiten bij bestaande organisaties als oudergroepen, vrijwilligerswerkingen of buurtwerkingen. Vanzelfsprekend kijken ze ook in de richting van vrijwilligerswerkingen die zich specifiek inschakelen voor kwetsbare gezinnen: duo-werkingen, ondersteunende gezinnen…

 ‘Hoe netwerken versterken als er geen netwerken zijn?’

Omdat de mobiliteit van deze cliënten vaak beperkt is, situeren deze initiatieven zich best in de directe omgeving. Begeleiders in de jeugdhulp moeten ook een beroep kunnen doen op collega’s die buurt en omgeving sensibiliseren als ondersteuners.Van Deur, H., Scholte, M. en Sprinkhuizen, A. (2013), Dichterbij. Wegen en overwegen in het sociaal werk, Bussum, Coutinho.Hier is overleg en samenwerking noodzakelijk tussen diensten die actief zijn in buurten en de hulpverleners die individuen begeleiden.

De brede samenleving

Waarom ligt de verantwoordelijkheid om netwerken in te schakelen zo sterk bij hulpverleners? Vanuit preventief perspectief zijn netwerken krachtige buffers indien mensen in de problemen riskeren te komen. Schiet het licht op oranje, dan zouden netwerken spontaan een tandje bij moeten steken. Slechts in uitzonderlijke gevallen is een bijkomende ondersteuning vanuit de professionele hulpverlening nodig.

Nu werkt men nog te vaak omgekeerd: opvoedingsproblemen leiden naar professionele hulpvragen die dan moeten uitkijken naar een netwerk dat hiervoor geactiveerd kan worden. Wordt er in dat opzicht niet te veel verwacht van hulpverleners?

‘Blijven investeren in een zorgzame samenleving is geen overdreven luxe.’

Netwerkversterkend werken, werkt pas echt als er vanuit de samenleving geïnvesteerd wordt in de ‘civil society’.Hilhorst, P. en Zonneveld, M. (2013), De gewoonste zaak van de wereld. Radicaal kiezen voor de pedagogische civil society, Den Haag, Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.Daarom moet ook gesleuteld worden aan de leefbaarheid en de sociale cohesie in wijken. Willen bewoners aan elkaar informele zorg bieden, dan moeten ze op elkaar betrokken zijn. Dat veronderstelt maatschappelijke ontwikkelingen die lijnrecht ingaan tegen de individualistische samenleving die zich de laatste decennia ontwikkelde. Blijven investeren in een zorgzame samenleving is dan geen overdreven luxe.

Reacties

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.