Achtergrond

Hoe kunnen we voorspellen of daders van seksueel geweld hervallen?

Kasia Uzieblo, Tamara De Beuf, Wineke Smid

Niet alle zedendelinquenten plegen opnieuw strafbare feiten. Maar kunnen we weten wie wel en wie niet? En hoe moeten we deze inschatting dan best maken? In Vlaanderen neemt de interesse voor instrumenten die zo’n inschatting maken, eindelijk toe.

risicotaxatie

© Flickr / Mike Lawrence

Extra budget

Vlaams minister van Justitie Zuhal Demir kondigt extra investeringen aan voor justitieassistenten die werken met slachtoffers en plegers van seksueel geweld.

In haar beleidsnota ‘Justitie en Handhaving 2019-2024’ geeft ze aan dat die justitieassistenten wetenschappelijk onderbouwde instrumenten voor risicotaxatie onder de knie moeten krijgen. Zo’n instrumenten schatten in hoe groot de kans is dat plegers opnieuw strafbare feiten stellen.

‘Risicotaxatie is amper ingeburgerd in België.’

In tegenstelling tot landen als Nederland en het Verenigd Koninkrijk, is risicotaxatie amper ingeburgerd in België. Die weerstand heeft vaak te maken met onwetendheid over risicotaxatie. Daarom brengen we in kaart wat we allemaal al weten over risicotaxatie.

Recidive bij zedendelinquenten

Daders van seksueel geweld slagen diepe wonden in de samenleving. De vraag in hoeverre daders een blijvend gevaar vormen, is cruciaal.

Over dit recidivegevaar van zedendelinquenten bestaan heel wat misverstanden. Zo heerst er het idee dat alle zedendelinquenten een eeuwig gevaar vormen voor de samenleving. Toch toont geen enkele studie aan dat elke zedendelinquent in seksueel gewelddadig gedrag hervalt.

Internationaal onderzoek volgde een grote groep zedendelinquenten gedurende verschillende jaren op. Het recidiverisico verandert doorheen de tijd en is het hoogst gedurende de eerste jaren na vrijlating.Hanson, R.K. et al. (2018), ‘Reductions in Risk Based on Time Offense-Free in the Community: Once a Sexual Offender, Not Always a Sexual Offender’, Psychology, Public Policy, and Law, 24, 48-63.Het gemiddeld percentage seksuele recidive is zo’n 5 tot 15 procent over een periode van 5 jaar, aldus de onderzoekers. Hanson, R.K. et al. (2018), ‘Reductions in Risk Based on Time Offense-Free in the Community: Once a Sexual Offender, Not Always a Sexual Offender’, Psychology, Public Policy, and Law, 24, 48-63.

Verborgen recidive

Deze inzichten zijn gebaseerd op officiële recidivecijfers. Draaien we ons geen rad voor de ogen? Want hoe groot is dat verschil tussen gemeten en reële recidive?

Het klopt dat veel zedenmisdrijven ontsnappen aan de officiële cijfers, de meeste zedenmisdrijven worden niet gerapporteerd. Daarnaast leidt een groot deel van de gerapporteerde zedenmisdrijven niet tot een veroordeling.Kalidien, S.N. e.a. (2011), Criminaliteit en Rechtshandhaving 2010: Ontwikkelingen en samenhangen, Den Haag, Boom.

Recidive-onderzoek probeert die beperkingen op te vangen door gedurende een lange follow-up periode aandacht te hebben voor aanklachten en veroordelingen. Ondanks het feit dat een deel recidive verborgen blijft, tonen studies een consistent patroon: niet alle zedendelinquenten plegen opnieuw zedenfeiten.Maes, E., e.a. (2018), ‘Twee decennia na Dutroux: Wat weten we in België over de recidive van seksuele delinquenten?’, Panopticon, 39(6), 540-561.

Heterogene groep

Bovendien vertoont de ene zedendelinquent een hoger risico dan de andere. Zo hervallen incestplegers minder vaak dan zedenplegers die een mannelijk slachtoffer buiten de eigen familie maken.Hanson, R. (2002), ‘Recidivism and age. Follow-up data from 4673 sexual offenders’, Journal of Interpersonal Violence, 17, 10, 1046-1062.Maar ook deze ruwe opdeling op basis van de relatie tussen slachtoffer en dader is niet betrouwbaar: binnen deze subgroepen zal de ene pleger een hoger recidiverisico vertonen dan de andere.

Hoe kunnen we dan een onderscheid maken tussen daders met een laag of hoog recidiverisico? Het antwoord luidt: aan de hand van risicotaxatie.

Buikgevoel werkt niet

Risicotaxatie betekent dat we inschatten of een pleger in de toekomst opnieuw een seksueel of ander gewelddadig delict zal plegen.

‘Iemands gedrag voorspellen, is niet evident.’

Iemands gedrag voorspellen, is niet evident, zelfs niet met de nodige ervaring en kennis over een bepaalde doelgroep. Op basis van je eigen ervaring recidivekans inschatten, helpt je weinig vooruit. Je kan evengoed een muntje opgooien.

Dat komt omdat elke beoordelaar wat anders doet, want er zijn geen vaste regels. Daarom wordt het een ‘ongestructureerd klinisch oordeel’ genoemd. Beoordelaar X zal immers op andere factoren focussen dan beoordelaar Y. Dit heeft tot gevolg dat het oordeel over de pleger meer zal afhangen van de beoordelaar dan van de pleger.

Dit soort van risicotaxatie werkt ongelijkheid in de hand: geen enkele pleger zal tegen dezelfde meetlat gelegd worden. Bovendien zorgt deze aanpak niet voor een veiligere maatschappij, de kans op over- of onderschatting van het daadwerkelijke risico is immers groot.

Structuur in risicotaxatie

Willen we de waarde van onze recidivevoorspellingen verbeteren, dan moeten we gestructureerde risicotaxatie-instrumenten gebruiken.

Deze instrumenten laten toe om op een empirisch onderbouwde en gestructureerde wijze het recidiverisico in te schatten. Concreet omvatten ze een oplijsting van factoren waarvan empirisch aangetoond is dat ze het risico op recidive verhogen. Dat gaat dan voornamelijk over delictkenmerken (bijvoorbeeld het geslacht van het slachtoffer), voorafgaand crimineel gedrag (bijvoorbeeld eerdere veroordelingen voor gewelddadig gedrag), persoonlijkheidselementen (bijvoorbeeld impulsiviteit) en relationele en seksuele factoren (bijvoorbeeld intimiteitsproblemen of seksverslaving).

Een betrouwbare risicotaxatie legt zaken in de weegschaal die samenhangen met recidive. Maar zo’n risicotaxatie neemt ook elementen weg waarvan aangetoond is dat ze niet samenhangen met recidive. Neem bijvoorbeeld de ernst van het delictgedrag of ontkenning van het delictgedrag. Hoewel we instinctief veronderstellen dat deze factoren toekomstig delictgedrag voorspellen, blijkt dit niet uit onderzoek.

Dit neemt niet weg dat sommige zaken die geen invloed hebben op risicomanagement, wel relevant kunnen zijn voor de behandeling van een zedendelinquent.

Vals gevoel van veiligheid

Een veel voorkomende kritiek is dat risicotaxatie-instrumenten een vals gevoel van veiligheid creëren. Geen enkel risicotaxatie-instrument kan 100 procent zeker voorspellen of iemand al dan niet zal recidiveren.

Toch zijn deze instrumenten de best beschikbare praktijk als het om voorspellingen gaat.AEgisdottir, S., et al. (2006), ‘The Meta-Analysis of Clinical Judgment Project: Fifty-Six Years of Accumulated Research on Clinical Versus Statistical Prediction’, The Counseling Psychologist, 34(3), 241-382.De voorspellende waarde van deze instrumenten is vergelijkbaar met die van risicotaxatie-instrumenten in bijvoorbeeld de geneeskunde.

Welzijn en veiligheid

Een inschatting van het recidiverisico heeft op zich weinig waarde. Het is geen doel op zich, maar een middel om aan de slag te gaan, om bijvoorbeeld als justitieassistent de juiste beslissingen te nemen.

Een belangrijke vraag is dus wat je vervolgens met die informatie wil doen. Geeft dit instrument je argumenten om een vervroegde invrijheidstelling uit te stellen? Of biedt het net redenen om een behandeling op te starten?

‘Risicotaxatie is geen doel op zich.’

Hier belandt risicotaxatie in het spanningsveld tussen welzijn en veiligheid. Is risicotaxatie een instrument om de ontwikkelingskansen van de individuele pleger te verruimen? Of zetten we het in om de veiligheid van de samenleving te versterken? Beide elementen zijn volgens ons geen tegenpolen. Risicotaxatie dient niet alleen de veiligheid van de samenleving, maar bevordert ook het ontwikkelingstraject van de pleger.

Maximale efficiëntie

Risicotaxatie is niet alleen een theoretische of wetenschappelijke denkoefening.

Het wordt ingezet op een terrein waar we de schaarse middelen zo efficiënt mogelijk moeten inzetten. Ook de middelen om zedendelinquenten op te volgen, zijn beperkt. Het is dan cruciaal om een goed zicht te krijgen op welke zedendelinquenten daadwerkelijk een kostelijke, intensieve behandeling nodig hebben.

Dat is een moeilijke evenwichtsoefening waar risicotaxatie het verschil kan maken.Andrews, D.A. and Bonta, J. (2010), The psychology of criminal conduct, 5th Edition, New Providence, NJ, Bender.De intensiteit van een begeleiding wordt best afgestemd op het ingeschatte recidiverisico van de pleger.

Concreet wil dit zeggen dat de duur en de intensiteit van de interventie in verhouding staan tot het recidiverisico van de pleger. Indien de opvolging en begeleiding niet gestuurd worden door een gedegen uitgevoerde risicotaxatie, dan zal dit tot onder- of overbehandeling leiden.

Onder- en overbehandeling

Bij onderbehandeling is de begeleiding onvoldoende afgestemd op de aanwezige risicofactoren, waardoor het risico op recidive niet vermindert.

Bij overbehandeling krijgen plegers met een laag risico een te intensieve begeleiding. Dat leidt niet noodzakelijk tot verbetering, integendeel, het kan zelfs tot een verhoging van recidive leiden.Andrews, D.A. and Bonta, J. (2010), The psychology of criminal conduct, 5th Edition, New Providence, NJ, Bender.Ook overbehandeling is dus contraproductief en een verspilling van budget.

Risicotaxatie geeft niet alleen informatie over de geschikte intensiteit van een interventie, maar ook over de inhoud. Ze geeft aan welke factoren bij die pleger het risico op recidive verhogen. De interventies moeten zich richten op deze factoren.

Justitieassistenten

Welke professionals kunnen gebruik maken van deze risicotaxatie?

‘Voor justitieassistenten biedt risicotaxatie een belangrijke meerwaarde.’

Heel wat sociale professionals, zoals justitieassistenten en trajectbegeleiders in gevangenissen, volgen mensen op die onderworpen zijn aan een straf of maatregel. Ze ondersteunen hen bij de naleving van de voorwaarden die door de overheid zijn opgelegd. Ze gaan na of de pleger de opgelegde voorwaarden respecteert. Voor deze professionals is risicotaxatie een belangrijke meerwaarde.

Het is dan ook merkwaardig dat zo’n gestructureerde risicotaxatie nog niet ingebed is in de werking van deze professionals. Dit staat in schril contrast met de werking van gelijkaardige diensten in bijvoorbeeld Nederland en Nieuw-Zeeland. Daar is risicotaxatie een vast onderdeel van de opvolging van veroordeelde daders. Terecht maakt Vlaams minister van justitie Zuhal Demir hier een inhaalbeweging.

Goede implementatie

Wil haar beleidskeuze uitmonden in een succesvolle praktijk, dan moet er ook voldoende aandacht zijn voor de implementatie. Wetenschappelijke methodieken moeten planmatig en doelgericht geïntegreerd worden in de dagelijkse praktijk van sociale professionals. Ook bij risicotaxatie en -management is dat cruciaal.

We moeten zo’n risicotaxatie maximaal afstemmen op de dagelijkse werksetting van wie het moet toepassen. Bovendien wordt de kracht van risicotaxatie niet alleen bepaald door het instrument, maar ook door de deskundigheid van de professional die het instrument gebruikt.de Ruiter, C. (2010), ‘Risicotaxatie van gewelddadig gedrag: Empirie en praktijk’, in P.J. van Koppen, e.a. (red.). Reizen met mijn rechter: Psychologie van het recht, Deventer, Kluwer, 121-134.Dit impliceert dat justitieassistenten voldoende opgeleid moeten zijn om met risicotaxatie-instrumenten aan de slag gaan.

Meer algemeen vergt dat inbedden van risicotaxatie in de justitiële praktijk strategie, geduld en zorgvuldige planning. Alle partijen moeten betrokken worden in dit veranderingsproces: medewerkers, management, de gehele organisatie en de maatschappelijke en politieke context. Gelukkig bestaat er op dit vlak al heel wat expertise, maar het is aan de Vlaams minister en de justitiehuizen om deze expertise daadwerkelijk in te zetten.

Reacties [2]

  • Joren

    Objectivering van de taxatie die reeds gebeurt is nodig, doch zijn de valkuilen van zo’n instrument niet te onderschatten. Wat met vals positieven? Risicotaxatie als ondersteuning en niet als leidraad is mogelijks een beter alternatief.

  • Patrick Proot

    De welzijnszorg mag niet naief zijn en automatisch uitgaan van de verbeterbaarheid van de mens. Er moet gewoon strenger gestraft worden en het politioneel en juridisch apparaat moet tot in de hoogste regionen worden geactiveerd door een einde te stellen aan vaste nenoemingen en door de sanctoinneerders te sanctionneren als zij hun werk niet doen.Dan zouden de slavhtoffers eindelijk enige gemoedsrust kennen en niet langer als collatural damage worden beschouwd.In dit verband is de brief van de ouders van Julie Van Nespen een duidelijke vingerwijzing rond wat er in dit ten opzichte van misdaaf veel te tolerante land allemazl mis gaat.

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.