Achtergrond

Buurtbewoners participeren in Antwerpen-Noord

Laure Ruts

De wijk is het ideale niveau voor burgerparticipatie. Maar de deelnemers zijn vaak geen afspiegeling van de buurt. Hoe kom je tot inclusieve participatie? Onderzoek neemt wijkinitiatieven in Antwerpen-Noord onder de loep.

© ID / Kris Van Exel

Opmars van burgerinitiatieven

Burgerinitiatieven zijn in opmars. Ze grijpen op een sociaal innovatieve manier in waar de welvaartsstaat en de markt tekortschieten. Op wijkniveau ontstaan middenveldorganisaties die buurtbewoners laten participeren in de wijk.

Hoewel de wijk gezien wordt als het ideale niveau om burgers te verbinden rond de publieke zaak, zien we dat de groep die participeert geen afspiegeling is van de demografie van de stad.

‘Antwerpen-Noord is een broedplaats voor initiatieven.’

Burgerparticipatie gaat uit van de zelfredzaamheid en mogelijkheid tot zelforganisatie van burgers. Maar wat met de participatie van mensen met minder kansen of capaciteiten? Hoe kijken middenveldorganisaties hiernaar? Wat zijn de drempels tot participatie? En hoe kom je tot een meer inclusieve participatie?

Het boeiende, broeiende en bloeiende Antwerpen-Noord

Antwerpen-Noord is een broedplaats voor wijkinitiatieven. ‘Den 2060’ staat bekend om haar levendige organisatienetwerk. De wijk kent met haar grote diversiteit een sterke vertegenwoordiging van groepen die drempels tot participatie ondervinden.

De wijk is dus de perfecte casestudy om een antwoord te vinden op bovenstaande vragen. Het onderzoek zoomt in op vier in de wijk goed gekende organisaties, die elk op hun eigen manier rond participatie werken.Dit artikel is bewerking van de masterthesis: Ruts, L. (2017), Uitsluitingsmechanismen in wijkgerichte civiele burgerparticipatie: Een onderzoek naar participatieorganisaties in Antwerpen-Noord, Master in het Sociaal Werk, Universiteit Antwerpen.

Twee soorten organisaties

De eerste onderzochte organisatie is vzw Antwerpen aan’t Woord. Deze vereniging ontstond na een oproep vanuit de federale overheid voor projecten rond participatie en inspraak.

Ze noemen zichzelf een lerend netwerk dat bruggen wil bouwen tussen burgers, politiek, middenveldorganisaties en administratie. Ze proberen te tonen, onderzoeken en sensibiliseren dat overleg en samenwerking in de stad noodzakelijk zijn.  Antwerpen aan ‘t Woord heeft een universalistische kijk op participatie. Ze ambieert om samen de stad te maken met alle wijkbewoners, ongeacht achtergrond, cultuur of geslacht.

De drie andere onderzochte initiatieven zijn doelgroepgerichte organisaties. Ze focussen elk op een sociaal kwetsbare doelgroep: Samenlevingsopbouw Antwerpen-Noord, Kras Noord en de jeugdwerking van het Mondiaal Socio-cultureel Centrum Ahlan, intussen verveld tot vzw Bazzz.

Samen rond de tafel

Samenlevingsopbouw wil met haar participatieve werking mensen in een maatschappelijk kwetsbare positie versterken. De organisatie streeft naar structurele beleidsveranderingen. Kras is een jeugdwerkorganisatie die participatief werkt rond vrije tijd met sociaal kwetsbare kinderen, tieners en jongeren.

Bazz stimuleert via projecten de participatie en positieve identiteitsontwikkeling van kwetsbare jongeren met een overwegend Marokkaanse migratieachtergrond.

Hoewel deze vier organisaties van elkaars bestaan op de hoogte zijn en allen werken rond verbinding en solidariteit in de wijk, bleek dat ze maar beperkt samenwerken. Daarom brachten we alle organisaties samen rond de tafel voor een focusgesprek. De dialoog bracht hen dichter bij elkaar.

Participatie als doel

Uit de gesprekken met sleutelfiguren werd al snel duidelijk dat de organisaties het concept van participatie elk op een andere manier bekijken.

‘De organisaties bekijken participatie elk anders.’

Voor Antwerpen aan ‘t Woord is participatie niet zomaar onderdeel van hun werking maar vormt het de kern van hun missie. Het is de gemeenschappelijke noemer van al hun projecten. Ze hebben een zogenaamde ‘substantiële visie’ op participatie: het is een doel op zich.

Hoe garandeert Antwerpen aan ‘t Woord de toegang van alle burgers tot het participatieproces? Ze organiseren en ondersteunen het vanuit hun kerngroep. Ze bieden top-down een participatiestructuur aan. Zo streven ze naar een participatiecultuur van burgers die zich bottom-up, samen en actief inzetten voor het publieke belang.

Participatiestructuur creëert participatiecultuur

Dit top-down sturen om een bottom-up participatie te realiseren, lijkt paradoxaal. Maar dat is het niet.

‘Samen’ is een basiswaarde binnen de organisatie. De sociale cohesie die ontstaat door het samenbrengen van burgers in de sfeer van het collectieve is de ideale voedingsbodem voor meer participatie.

‘We hebben geen normatief kader.’

De organisatie koos er vanaf het begin voor om te gaan voor samenwerking met alle mogelijke actoren en geen actiegroep te worden. Dit wordt ook wel een ‘consensusvisie’ op participatie genoemd.

Een lid van de kerngroep van Antwerpen aan ‘t Woord verwoordde het zo: “We hebben natuurlijk wel normen en waarden, maar die gaan over respectvol met elkaar omgaan en met elkaar in debat willen gaan. We hebben geen sterk normatief kader.”

“Mensen die niet met elkaar willen praten, komen niet naar onze activiteiten. Die zijn niet op zoek naar verbinding. Zij die dat wel zoeken en met elkaar willen en durven debatteren, vinden elkaar soms via ons. Dat vind ik de belangrijkste waarde van onze organisatie.”

Participatie als middel

De drie andere organisaties kijken anders naar participatie. Participatie kan hun doelgroep macht en input in de samenleving geven. Dat moet zorgen voor een sociaal rechtvaardiger beleid.

Via participatie verwerft de doelgroep verschillende competenties, die hen in staat stellen om later zelfstandig te participeren. De organisaties hebben een instrumentele visie op participatie: het is een middel om burgers die voorheen uitgesloten werden in te sluiten.

Participatie is strijden

Anders dan bij de consensusvisie, waar harmonie en samenwerking centraal staan, handelen deze organisaties meer vanuit een conflicthouding. Ze vertrekken bij participatie vanuit de noden van de doelgroep.

Daarom verkiezen ze bottom-up participatie van burgers die zelf opkomen voor hun individuele belangen. Omwille van de zwakke positie van de doelgroep zorgen de organisaties ook voor het top-down organiseren en ondersteunen van participatieprocessen.

“Participatie op zich is niet ons doel”, verduidelijkte een kerngroeplid van Samenlevingsopbouw. “Het is voornamelijk een middel dat we gebruiken. We werken vooral met maatschappelijk kwetsbare groepen. We hebben een politieke opdracht om op een agogische manier te werken rond noden en behoeften die minder vervuld worden. Daarbij is participatie een sleutelbegrip.”

Voorwaarden voor participatie

Drie belangrijke voorwaarden bepalen of iemand kan deelnemen aan participatieprocessen. Je moet de nodige netwerken bezitten, gemotiveerd zijn en de nodige kennis, tijd of vaardigheden hebben.Verba, S., Schlozman, K. L. and Brady, H. E. (1995), Voice and equality: Civic voluntarism in American politics (Vol. 4), Cambridge University Press.

De verschillende visie en aanpak van de wijkinitiatieven hebben effect op het vervullen van deze voorwaarden. Ze bepalen dus of inclusieve participatie mogelijk is.

‘Antwerpen aan ‘t Woord zet sterk in op netwerkvorming.’

Antwerpen aan ‘t Woord ziet sociale netwerken als de basis voor participatie en zet daarom sterk in op netwerkvorming en -uitbreiding. Deze houding zorgt voor een diverse en flexibele werking door de constante inbreng vanuit het netwerk. Het daagt de organisatie uit om zelfkritisch te zijn.

Vanuit de andere organisaties klinkt lof over de verbindende kracht, zelfs wanneer men kritisch staat tegenover de werking van Antwerpen aan ‘t Woord.

Homogene kerngroep

Toch schuilt er in de aanpak van Antwerpen aan ‘t Woord een eerste risico voor uitsluiting. Hun projecten krijgen voornamelijk top-down vorm via de netwerken van de witte, hoogopgeleide kerngroep. Hierdoor zijn de netwerken en het bereik in eerste plaats homogeen.

Hoewel ze samenwerking willen nastreven, zijn het vooral de kernleden die projecten opstarten, wat kan leiden tot projecten volgens de idealen van witte middenklassers.

‘Het bereik is homogeen wit.’

De organisatie is zich hiervan bewust. Ze zet sterk in op het verrijken van de kerngroep en het verbinden met burgers en partners van verschillende culturele en socio-economische achtergrond. Maar dit verloopt stroef.

Daarnaast houdt te sterk vastklampen aan het idee van samenwerking gevaren in. Het kan net zorgen voor een beperkt netwerk. Er is weinig ruimte voor botsende individuele belangen. Wie zich niet aanpast aan het gemeenschappelijke zal drempels tot participatie ervaren.

Netwerken voor en via de doelgroep

De drie doelgroepgerichte organisaties zetten in op het uitbreiden van netwerken en streven naar solidariteit, maar vooral in het belang van hun doelgroep. De verbinding met kansrijken zorgt voor meer begrip en creëert kansen en netwerken voor de kansarmen.Van Arum, S., Uyterlinde, M. en Sprinkhuizen, A. (2009), Sociale samenhang: buurtgebonden bewonersbetrokkenheid & overbruggende contacten. Een verkenning, Utrecht, Movisie.

Doelgroepgerichte organisaties gaan outreachend te werk. De verbindingen met de doelgroep verlopen redelijk vlot omdat ze diensten aanbieden: ontspannende activiteiten en ondersteuning. Ook de diversiteit binnen de kerngroepen zorgt ervoor dat ze verschillende groepen bereiken.

Dominante groep

Een drempel bij de doelgroepgerichte organisaties is (net zoals bij Antwerpen aan ’t Woord) de aanwezigheid van een dominante groep. Dit kan ervoor zorgen dat bij buitenstaanders de motivatie om te participeren afneemt.

De dominante groep maakt buitenstaanders onzeker. Mensen treden liever met gelijkaardige mensen in contact.Dekker, K. (2007), ‘Social capital, neighbourhood attachment and participation in distressed urban areas. A case study in The Hague and Utrecht, the Netherlands.’ Housing Studies, 22(3), 355-379.

Homogene verbindingen

Een kerngroeplid van Bazzz gaf aan dat moslimjongeren nood hebben aan zulke homogene verbindingen: “Je merkt sterk dat segregatie gewoon een feit is. Het is veilig. De jongeren begrijpen elkaar. Ze zitten in hetzelfde schuitje. Er is aantrekkingskracht tussen die jongeren. Ze kunnen gewoon zichzelf zijn. Ze moeten zich niet verantwoorden.”

Een dominante groep kan ook actief uitsluitend zijn. In de doelgroepgerichte wijkinitiatieven zijn bepaalde etnische groepen geregeld oververtegenwoordigd.

Uit de gesprekken blijkt dat de organisaties zich hiervan bewust zijn. Ze proberen via bemiddeling uitsluiting tegen te gaan. Als dat niet lukt, worden aparte momenten of ruimtes voor de activiteiten gezocht, al dan niet voorlopig. Toch blijft er meestal sprake van een dominante groep.

De verbale drempel

In de interviews met de doelgroepgerichte organisaties werd vaak aangegeven dat de vereisten voor participatie binnen Antwerpen aan ’t Woord vaak niet aangepast zijn aan de mogelijkheden van kwetsbare groepen. Ze kunnen niet mee, zijn geïntimideerd zijn of raken gedemotiveerd.

Zo gaven respondenten aan dat het tempo soms te hoog ligt. Ook werd aangehaald dat binnen Antwerpen aan ‘t Woord de nadruk sterk ligt op het verbale waardoor minder mondige groepen uitvallen.

Ook de doelgroepgerichte organisaties botsen op deze verbale drempel. Alle drie wijzen ze op het belang van laagdrempelige doe-participatie met niet al te veel gepraat, waarbij de doelgroep sneller meedoet en zelfzeker is.

Basiswerking eerst

De doelgroepgerichte organisaties vertrekken vanuit een basiswerking. De medewerkers voelen aan wanneer er ruimte en nood is voor meer participatie. Ze beschermen de doelgroepen tegen de grote vraag aan participatie in externe projecten. Ze willen hen niet belasten.

Antwerpen aan ‘t Woord kijkt kritisch naar deze aanpak. Ervan uitgaan dat een bepaalde groep niet kan participeren vinden ze paternalistisch en een vorm van uitsluiting.

‘Ze schermen hun doelgroep te veel af.’

Een kerngroeplid van Antwerpen aan ‘t Woord: “Je zegt van kansengroepen dat ze eerst moeten empowered worden en dan pas in verbinding kunnen gaan met anderen. Moet iemand dat voor die persoon beslissen? Ik heb het idee dat die organisaties hun doelgroep te veel afschermen. Dat ze eigenlijk veel meer kunnen.”

Iedereen wil participeren, toch?

Antwerpen aan ‘t Woord is ervan overtuigd dat iedereen interesse kan hebben voor de publieke zaak. Dat iedereen gemotiveerd is om te participeren. De doelgroepgerichte organisaties stellen vragen bij de thema’s waarrond Antwerpen aan ‘t Woord werkt: zijn ze wel interessant of relevant voor hun doelgroep?

Antwerpen aan ‘t Woord benadrukt het gevaar van deze veronderstelling. Ze ziet de publieke zaak als relevant voor iedereen. Wel erkent men dat er drempels zijn die deze motivatie onderdrukken. Wanneer deze drempels in hun ogen weggewerkt zijn, heeft Antwerpen aan ‘t Woord weinig begrip voor desinteresse in samenwerking.

Los van goede bedoelingen moeten leden van kerngroepen van organisaties zich bewust zijn van hun eigen sociale positie. En van het effect op de toegankelijkheid van de initiatieven die ze opzetten.Elwood, S., Lawson, V. and Nowak, S. (2015), ‘Middle-Class Poverty Politics: Making Place, Making People’, Annals of the Association of American Geographers, 105(1), 123-143.

Motivatie vanuit vertrouwen en eigenbelang

Een vertrouwensrelatie is belangrijk voor de motivatie om te participeren, vinden de doelgroepgerichte verenigingen. In die zin mist Antwerpen aan ‘t Woord volgens hen een basiswerking.

Kras gaf aan dat jongeren vaak enkel participeren omdat een vertrouwde jeugdwerker hen daartoe aanspoort.

De participatieprojecten waar doelgroepgerichte organisaties achter staan vertrekken minder vanuit de publieke zaak en meer vanuit het belang van de doelgroep. De thema’s komen bovendrijven tijdens de basiswerking. Ze liggen de doelgroep dus nauw aan het hart.

Dit sterke geloof in bottom-up participatie kan leiden tot participatieprocessen met enkel de sterke individuen, een probleem dat in alle drie de doelgroepgerichte organisaties speelt.

De kracht van samenwerking tussen organisaties

Overbruggende contacten tussen heterogene groepen hebben een sterke meerwaarde, zowel voor weerbare als kwetsbare groepen.Veldboer, L., e.a. (2008), Helpt de middenklasse? Op zoek naar het middenklasse-effect in gemengde wijken, Den Haag, Nicis Institute.Antwerpen aan ’t Woord zet hier sterk op in maar heeft de expertise en het bereik van de doelgroepgerichte organisaties nodig.

Zo was er al een keer een goede samenwerking waarbij Kras zorgde voor de nodige voorbereiding binnen de eigen organisatie. Nadien wees Kras de doelgroep de weg naar Antwerpen aan ‘t Woord, waar vervolgens werd samengewerkt. Je specialiteit combineren en delen kan elkaar versterken.

Zo veel te doen, zo weinig tijd

Alle organisaties zien de voordelen van meer samenwerking. Toch komt het er zelden van. Dit komt door hun botsende visies op participatie. Of er samengewerkt wordt, hangt sterk af van persoonlijke contacten.

‘Iedereen wil graag meer samenwerken.’

De doelgroepgerichte organisaties beschermen hun doelgroep voor overvraging. Er is enkel samenwerking als het volgens hen een meerwaarde is voor de doelgroep. En met het oog op het verdedigen van belangen van de doelgroep.

Deze conflicthouding botst met het samenwerkingsidee van Antwerpen aan ’t Woord: “We stellen vast dat ze iets te waardenvrij zijn. Ze nemen het eigenlijk niet op voor een bepaalde doelgroep”, aldus Samenlevingsopbouw. “Ze hebben uiteraard prachtige projecten, waar we aan proberen deel te nemen. De focus ligt dan op hoe we ervoor kunnen zorgen dat kwetsbare mensen aan dit soort activiteiten kunnen deelnemen.”

Beperkend beleid

Ook het beleid heeft zijn rol. Uit de interviews blijkt dat de organisaties de afgelopen legislatuur in het stadsbestuur geen bondgenoot vonden.

Voor beleidsparticipatie is er weinig gehoor. Daardoor zetten doelgroepgerichte organisaties minder in op participatie dan vroeger. Want de kost van participatieprocessen is groter dan de resultaten en ze hebben hun handen al vol met de basiswerking.

‘Voor beleidsparticipatie is weinig gehoor.’

Daarnaast zijn de stedelijke middelen voor wijkinitiatieven beperkt. Het is niet gemakkelijk om eraan te komen en de besteding wordt strikt opgevolgd. Dit drijft het tempo op en zorgt voor een focus op de eigen werking.

Meer een beweging

Antwerpen aan ‘t Woord zet vooral in op projecten waarvoor er middelen waren: zogenaamde ‘positieve’ participatie-initiatieven als tuin- en groenstraten, zorgnetwerken en samentuinen die niet als al te kritisch worden ervaren door het stadsbestuur. Dit maakt dat de doelgroepgerichte organisaties afzijdig blijven tegenover samenwerking, omdat de belangen van hun doelgroep niet behartigd worden.

Een kerngroeplid van Antwerpen aan ‘t Woord geeft aan daar al jaren mee in de maag te zitten: “In het begin waren we meer een beweging. Een beweging staat meer open voor andere organisaties. Maar vanaf dat je een betaalde kracht hebt, is er competitie. Je probeert je organisatie boven water te houden. Je stelt prioriteiten. Misschien moeten we terug meer beweging worden.”

Duurzame samenwerking

Hoe kunnen middenveldorganisaties die streven naar meer inclusieve burgerparticipatie duurzaam samenwerken? Enkele aanbevelingen.

‘Zoek naar overlappende thema’s.’

Organisaties moeten eerst en vooral inzetten op gestructureerd overleg, waarbij ze op zoek gaan naar overlappende thema’s en samenwerkingsmogelijkheden.

Een stadsbestuur kan hier een rol spelen. Ze kunnen investeren in verbindende buurtparticipatie en overlegmomenten om zo ontmoeting en samenwerking tussen organisaties te stimuleren.

Niet homogeen

Een wijk is niet homogeen. Geef binnen een samenwerking ruimte aan conflict en erken verschillende individuele belangen. Dit zal de bereidheid tot participatie verhogen.

In plaats van het zoeken naar partners voor een bestaand project is het dus constructiever dat organisaties samen projecten opstarten. Ze versterken elkaar en het project wordt geschreven op maat van alle betrokkenen.

Tijdens het samenwerkingsproces moet er oog zijn voor zelfevaluatie. Het is een uitdaging om de eigen visie niet als vanzelfsprekend te zien.

‘Een wijk is niet homogeen.’

Participatie kan op verschillende manieren georganiseerd, ingevuld en bekeken worden. Sta open voor de meerwaarde van die verschillende perspectieven. Wees altijd op de hoede voor mogelijke uitsluitingsprocessen.

Heterogene kerngroep

De kerngroep is in alle organisaties bepalend voor de werking. Streven naar een heterogene kerngroep is daarom van het grootste belang. Deze zorgt voor een heterogeen bereik en maakt de organisatie meer aangepast aan de noden en interesses van verschillende wijkbewoners.

Het (h)erkennen van de eigen kijk op participatie kan je bewust maken van de drempels voor participatie en samenwerking die uit je kijk voortvloeien.

Uiteindelijk streven middenveldorganisaties elk op hun eigen manier naar een participatieve en solidaire wijk. Alle organisaties hebben hun eigen schatkist aan kennis en expertise en kunnen elkaar vanuit hun eigen visie alleen maar versterken.

Reacties

We zijn benieuwd naar je mening!

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.