Kwartiermakers verleggen grenzen geestelijke gezondheidszorg

Warme plekken zoeken voor mensen

Peter Dierinck is psycholoog in het Psychiatrisch Centrum Gent-Sleidinge. Hij bundelde zijn ervaringen en ideeën over herstel, kwartiermaken en vermaatschappelijking in het boek ‘Hoopverlenen’. Zijn boodschap? Hulpverleners moeten er alles aan doen aan om mensen uit de psychiatrie te helpen. Niet verwonderlijk dat Dierinck kritisch is voor de geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen, al ziet hij stilaan verbetering.

kwartiermaken
© Peter De Schryver

Als psycholoog werk je op de afdeling ‘Actieve Rehab’. Dat is het team dat aan de slag gaat met dak -en thuislozen, een groep die veel als onbehandelbaar opzij wordt gezet. Klopt dat?

Een groot deel van de mensen die dakloos zijn, zijn psychisch kwetsbaar. De vraag naar oorzaak en gevolg doet er niet toe. Zijn ze psychisch kwetsbaar omdat ze lang op straat leven of leven ze op straat omdat ze psychisch kwetsbaar zijn? Hun sociale problematiek is vervlochten met hun psychische kwetsbaarheid. Het heeft dan ook weinig zin om enkel te werken aan hun psychische problemen. Je moet met hen altijd op zoek gaan naar een woning, werk of sociaal netwerk. Door met patiënten op te trekken, ontdek je sterktes die ze zelf niet meer zien. Mensen zijn soms ver afgedwaald van hun mogelijkheden en talenten. Dat kan je hen teruggeven, daarrond kan je werken. Zo geef je mensen weer hoop.

“Ik zie een hoopvolle beweging.”

Hoopverlenen is de titel van je boek.

Ik vind dat we met cliënten op de afdeling mooie resultaten boeken. We bieden hen een toekomst die er niet meer was. Bovendien heb ik het gevoel dat de ideeën over herstel stilaan doorsijpelen binnen de hele geestelijke gezondheidszorg. Ik zie een hoopvolle beweging die niet meer terug te draaien is. Ik ontmoet zeer veel mensen die op gelijkaardige wijze bezig zijn. Hoe langzaam het soms ook gaat, dat maakt me blij en hoopvol.

Je bent in je boek erg kritisch. Je schrijft zelfs over de psychiatrie als totalitaire ruimte.

Met totalitaire ruimte bedoel ik dat iemand die in een psychiatrisch centrum opgenomen is, zich helemaal kan organiseren zodat hij van ‘buiten’ niets meer nodig heeft. Ik zeg daarmee niet dat een instelling die intentie heeft, maar patiënten kunnen zich er wel afzonderen van de samenleving.

“Een mea culpa kan wonden helen.”

De manier waarop in een psychiatrisch ziekenhuis menselijk gedrag geïnterpreteerd wordt, blijft heel kunstmatig.

Als je iemand die opgenomen is, observeert, zie je hoe hij zich voelt en gedraagt in opname. Maar ook niet meer dan dat. Niet iedereen beseft dat. Sommigen denken nog steeds dat een ziekenhuis een volmaakte kopie is van de buitenwereld. In een ziekenhuis functioneer je anders dan op straat. Iedereen in de geestelijke gezondheidszorg moet zich bewust zijn van die dynamiek. Veel zorgverleners staan daar onvoldoende bij stil.

Je pleit voor een mea culpa. Zoals de kerk deed tegenover slachtoffers van seksueel misbruik, moet de geestelijke gezondheidszorg zich verontschuldigen bij slachtoffers van een falende psychiatrie.

In de Italiaanse stad Arezzo staat een prachtig standbeeld. Het is een monument voor de slachtoffers van wat er is fout gegaan in de psychiatrie in Italië. Toen men daar in de jaren zeventig alle psychiatrische instellingen sloot, heeft men een streep getrokken onder het verleden. Zo’n breuklijn kennen wij in Vlaanderen niet. Al zie ik veel verbetering, toch vrees ik dat we door die trage en voorzichtige omslag de terugblik op wat er fout gegaan is in de psychiatrie verdwijnt. Zo’n verontschuldiging kan wonden helen.

“In de psychiatrie lopen nog steeds dingen fout.”

Zitten daar veel mensen op te wachten?

Ik kan dat niet kwantificeren, maar voel toch die nood. Er lopen nog steeds dingen fout. Ik krijg regelmatig berichten van mensen wiens zoon of dochter is opgenomen, maar waar hulpverleners contact met de familie weigeren. Dat is nog steeds dagelijkse kost, ook in Vlaanderen.

Het sociaal netwerk niet betrekken in een hulptraject is toch een achterhaalde visie?

Vergeet niet dat we uit een tijd komen waarin het natuurlijk netwerk als oorzaak van psychische problemen werd beschouwd. Het was de schizofrenogene moeder die de ziekte veroorzaakte bij haar kind. Die ideeën zijn achterhaald, maar het duurt een tijd voor zo’n benadering ook echt verdwijnt. Dat neemt niet weg dat ik versteld sta van hulpverleners die het sociaal netwerk links laten liggen. De idee leeft nog dat je mensen met een psychische kwetsbaarheid moet afzonderen en behandelen tot ze opnieuw passen in het normale leven. Afzondering als onderdeel van het helende. Mijn overtuiging staat daar diametraal tegenover. We moeten net inzetten op herstel en verbinding, ook met het netwerk, familie en vrienden van patiënten. Dat betekent dat je als hulpverlener de familie uitnodigt en ermee aan de slag gaat.

“De komst van Artikel 107 is een breuklijn.”

Kortom, er is nog werk aan de winkel in de geestelijke gezondheidszorg.

Zeker, al zie ik sinds een jaar vijf wel evolutie. De komst van Artikel 107 is echt een breuklijn. Samenwerken met anderen staat centraal zowel op de eerste lijn als de tweede lijn, maar ook met familie en vrienden, de zogenaamde nulde lijn. De klemtoon ligt vooral op thuiszorg. Hulpverleners komen aan huis. Simpel gezegd: geestelijke gezondheidszorg moet zich vooral ontwikkelen in de samenleving, niet in ziekenhuizen. Die beweging naar ambulant en outreachend werken, brengt verschillende elementen samen. Ik had lange tijd het gevoel dat ik met verschillende dingen tegelijk bezig was. Praten met familie, aanspreken van buurtbewoners, samenwerking exploreren, sleutelen aan beeldvorming over mensen met een psychische kwetsbaarheid… Al die puzzelstukjes beginnen nu beter in elkaar te passen, netjes omschreven met de begrippen herstel en kwartiermaken. Wat we hier in Sleidinge lange tijd in de schaduw deden, komt meer in de schijnwerpers te staan.

Kwartiermaken is een rare term.

Kwartiermaken is een militaire term. Een klein deel van het leger loopt voorop en maakt een kampement. Daar kan het achtergebleven grootste deel van het leger zich dan zonder veel problemen installeren. Kwartiermakers zijn dus de voorlopers. Ook de geestelijke gezondheidszorg heeft zo’n kwartiermakers nodig. Psychisch kwetsbare mensen moeten een plaats krijgen tussen andere mensen, buiten de geestelijke gezondheidszorg. Samen met cliënten, gaan kwartiermakers zo’n plekken zoeken of creëren. Het gaat dan zowel over letterlijk ruimtelijke plaatsen als over het creëren van meer mentale ruimte in de samenleving door destigmatiserend te werken.

“Kwartiermakers zijn voorlopers.”

Is de tijd daar rijp voor?

Willen we zo’n kwartiermakers, dan moeten we de ongelijke verhouding tussen de alwetende hulpverlener en de zieke patiënt doorbreken. Je bent dus verplicht om weg te gaan van het nog steeds overheersende medisch model. Kwartiermaken is onlosmakelijk verbonden met de herstelbenadering. Die installeert in de zorg een verhouding van burger tot burger, weg van de zieke met zijn beperkingen. De focus ligt op de krachten.

Als kwartiermaker ga je veel op stap met cliënten. Je boek is doorspekt met fascinerende voorbeelden. Van achter je bureau lukt het niet.

De meeste patiënten zitten zo aan de grond dat de stap om terug op gang te geraken de moeilijkste is. Als dat lukt, is de trein vertrokken. Dat doe je door samen met hen te zoeken naar een woning naar werk, naar een goede tijdsbesteding. Dan proberen we terug de link te leggen met familie en vrienden. Je moet een nieuw netwerk maken of een oud activeren. Als zorgverlener moet je dan de baan op en bij mensen thuis op bezoek gaan.

Je kijkt op naar Andries Baart, de geestelijke vader van de presentietheorie. Dat present zijn, klinkt eenvoudig maar dat is het niet.

Soms is presentie ook gewoon simpel. Je moet als zorgverlener je kennis opzij durven schuiven, je dienstbaar opstellen en het ritme van de cliënt volgen. Je moet vooral loslaten, zeggen dat je het ook niet weet en samen met de cliënt bekijken hoe het verder moet. Maar ik geef grif dat ook ik mezelf soms nog tegenkom. Het is dus moeilijker dan het lijkt.

“Presentie is moeilijker dan het lijkt.”

In het boek vertel je alleen succesverhalen. Het lijkt ongeloofwaardig.

En toch is het zo. Het zijn succesverhalen omdat ik present blijf bij mijn cliënten en hun doelstellingen, ook als het niet lukt. Mislukken bestaat niet zolang je de mislukkingen blijft delen. Mijn garantie op aanwezigheid is dus het succes zelf. En dat heb je als hulpverlener zelf in handen. Bovendien zijn oplossingen altijd voorlopig. Als een patiënt een woning heeft, hebben we de neiging te denken dat hij daar eeuwig zal wonen. Maar na enkele maanden wil die man toch verhuizen, terwijl het goed gaat. Dat is niet vanzelfsprekend. Als hij verhuist, moeten we misschien helemaal herbeginnen. Maar het is zijn keuze en die volgen we.

Kwartiermaken gaat in essentie over je houding als hulpverlener.

Mijn geloof in kwartiermaken heeft veel te maken met wie ik ben en hoe ik in het leven sta. Die zoektocht verliep heel intuïtief. In het boek probeer ik dat intuïtieve wel te overstijgen en te zoeken naar regels en wetmatigheden. Zo wordt het ideeëngoed overdraagbaar. Ik geef in het boek bewust heel kleine voorbeelden rond kwartiermaken. Dat is een strategische keuze. Een veranderingsstrategie moet ergens beginnen, vaak bij heel kleine stappen. Ik hoop dat mensen via die concrete voorbeelden er uiteindelijk mee aan de slag gaan.

“Een overleg zonder cliënten belandt snel in hypotheses.”

Een mooi voorbeeld. Bij een cliëntbespreking is de cliënt er bij jullie altijd bij.

Op een team nodigen we patiënten uit en luisteren. Nadien organiseren we ons om hun perspectief, niet het onze, mogelijk te maken. Bij een overleg zonder cliënten beland je al snel in hypotheses. En vanuit die hypotheses ga je dan beslissingen nemen voor de rest van het behandeltraject. Meestal is dat zelfs een compromis want de ene collega denkt anders dan de andere. Met dat compromis ga je dan terug naar de cliënt. De kans is groot dat het compromis niet overeenstemt met de realiteit. Dan heb je dus met je team een uur voor niets gewerkt. Dat is absurd. Dat is tijdverlies.

Je wil in Vlaanderen een netwerk van kwartiermakers uit de grond stampen.

Het herstelplatform van de Vlaamse Vereniging Geestelijke Gezondheid heeft me dat gevraagd. We gaan nu regelmatig de boer op met ons verhaal. Op zo’n bijeenkomst komt iedereen samen die van ver of dichtbij iets met psychische kwetsbaarheid te maken heeft. Er zijn patiënten, ervaringsdeskundigen, familieleden, zorgverleners, buurtbewoners, lokale besturen… We vertellen over kwartiermaken en laten mensen met elkaar kennis maken. Dat lukt aardig.

Ik leerde je kennen via Facebook, een medium waarop je bijzonder actief bent. Waarom?

Ik schrijf op Facebook over wat ik zie en meemaak. Het zijn verhalen van en over mensen. Ik denk dat het destigmatiserend kan werken. Met mensen met een psychische kwetsbaarheid moet je niet anders omgaan dan met je buurman. Door te vertellen wat ik doe, probeer ik dat duidelijk te maken.

Geef eens een voorbeeld.

Rouwen na een overlijden is normaal. Als dit gebeurt bij iemand met het label ‘depressie’, dan wordt een lange rouwperiode al snel gezien als een herval. Maar het is heel normaal dat rouw lang duurt. Mensen op een psychiatrische afdeling hebben nood aan zo’n normaliserend perspectief. Zo zet je alles terug in de juiste verhoudingen. Er zijn patiënten die plots een partner vinden. Als snel wordt hun geluk bestempeld als ‘manisch gedrag’. Maar klopt dat wel? Door mijn verhalen wil ik dat opnieuw bekijken vanuit een normale, gewone, dagelijkse bril. Daarom is het belangrijk dat mijn Facebook-community divers is: collega’s, patiënten, ex-patiënten, vrienden, wildvreemden…

“Ik schrijf op Facebook over wat ik zie en meemaak.”

Eigenlijk is je boek één groot pleidooi voor vermaatschappelijking van zorg.

Vermaatschappelijking krijgt soms een negatieve bijklank. Hulpverleners hebben het gevoel dat hun job overbodig wordt. De samenleving zal de zorg overnemen. Dat klopt niet. De inhoud van de job verandert, maar er komt meer werk. Bij vermaatschappelijking moet je alles zo organiseren dat de buur klaar staat om iemand in zijn omgeving te ondersteunen. Je bent dienstverlenend voor zowel de cliënt als zijn omgeving. Denken vanuit jobs zoals ze nu zijn en dat willen bestendigen, is kortzichtig. Op dat vlak beschikken we als zorgverleners niet over verworven rechten. We zijn vooral verplicht om te denken vanuit de patiënt. Voor de ene is dat een uitdaging, voor anderen is dat een oorzaak van angst. Wie die ontwikkeling genegen is, heeft als taak degenen die angstig zijn, te ondersteunen. Maar ik ben ook niet naïef. Het risico bestaat dat vermaatschappelijking uitgehold wordt door een besparingslogica. Maar het is niet omdat dit risico bestaat, dat vermaatschappelijking tout court slecht is.

Onlangs publiceerde de krant De Morgen een groot psychiatrierapport. Er zijn alarmsignalen over het aantal mensen dat kampt met psychische problemen. Er komen terecht ook vragen over het overmatig gebruik van dwang binnen de psychiatrie. Anders gezegd. De samenleving kijkt met een vergrootglas naar de geestelijke gezondheidszorg.

Het was de allereerste keer dat een krant in Vlaanderen, met cijfers in de hand, zoveel aandacht besteedde aan de psychiatrie. Op sommige plaatsen zorgde dat voor paniek en een tegenreactie. Maar ik vind die aandacht belangrijk. Je moet als professional de kritiek beluisteren en dan kijken naar mogelijke alternatieven. Die alternatieven krijgen nu nog te weinig ruimte om door te groeien. Ik denk dan bijvoorbeeld aan high intensive care-afdelingen waar ook familieleden kunnen verblijven. Of de methodiek van Open Dialogue waar men op een heel andere manier met psychoses omgaat.

“We moeten veel meer inzetten op thuisbegeleiding.”

Na het lezen van ‘Hoopverlenen’ dacht ik: als het aan Peter ligt, worden de psychiatrische centra gesloten.

Er zijn mensen die echt niet in staat zijn om te overleven in deze samenleving. Je moet dus telkens vertrekken vanuit het individu. Wat heeft hij nodig? Voor mensen met een zware chronische problematiek zullen altijd psychiatrische centra nodig zijn, maar dan liefst zo kleinschalig mogelijk. Je hebt ook een aantal crisisdiensten nodig waarop mensen in uitzonderlijke gevallen kunnen terugvallen. Dus zonder meer alle psychiatrische bedden naar het recyclagepark rijden? Nee, dat wil ik niet gezegd hebben. Wel denk ik dat we veel meer dan nu moeten inzetten op thuisbegeleiding. De centrale plaats is de woning van de cliënt of patiënt. Al wie daarrond staat, moet in dienst staan van die bewoner, zolang hij of zij dat wil.

Ik heb je boek geboeid gelezen. Je bent kritisch maar blijft constructief. Je biedt een mooi alternatief perspectief.

Mensen willen maar veranderen als ze weten wat er in de plaats kan komen. Mensen zien niet altijd hoe ze het anders kunnen doen. Ik hoop het ze met veel voorbeelden wel te tonen. Maar ik ben ook wel kritisch voor de geestelijke gezondheidszorg. Soms moet je eerst iets onderuithalen vooraleer je nieuwe dingen kunt opbouwen.‘Hoopverlenen, pleidooi voor meer vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg’ verschijnt op 16 mei 2017 bij Witsand Uitgevers.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen