Jongeren over de ideale hulpverlener

Diversiteit in de jeugdhulp

Het Ondersteuningsteam Allochtonen Antwerpen sprak met tien jongvolwassenen, stuk voor stuk jonge mensen met een persoonlijke ervaring in de jeugdhulp en met wortels die niet in Vlaanderen liggen. Resultaat van deze gesprekken is Sonia, de ideale hulpverlener.Het Steunpunt Jeugdhulp organiseert op 9 december een studiedag over culturele diversiteit in de jeugdhulp. Auteur Ruth Kusé van OTA Antwerpen is één van de sprekers.

Diversiteit
© ID/ Benoit De Freine

Wie is Sonia?

Van de tien jongeren zijn er enkelen in België geboren, maar hun gezin heeft een migratiegeschiedenis. Anderen migreerden op jonge leeftijd, samen met hun ouders of nadat één van de ouders eerder al naar ons land verhuisde. Eén jongere kwam als 14-jarige niet-begeleide minderjarige vluchteling naar hier.

“Jeugdhulp had een invloed op wie ze nu zijn.”

De meeste jongeren kijken positief terug op hun traject. De jeugdhulp nam een belangrijke rol op in hun opvoeding. Het gaf hen kansen die ze anders nooit zouden gehad hebben. De begeleiders op hun pad hadden een invloed op wie ze nu zijn.

Tijdens onze interviews boden we de jongeren de gelegenheid om te fantaseren over ‘de ideale hulpverlener voor jongeren met een migratieachtegrond. Op basis van hun ideeën stelden we het DNA van Sonia samen. Wie is Sonia? Wat doet zij? Wat maakt van haar een competente hulpverlener? Waarom maakt zij indruk op jongeren?

Vlaamse vrouw van 40

Waarschijnlijk is Sonia een Vlaamse vrouw van 40 jaar, want dat is anno 2016 nog steeds het profiel van een hulpverlener in de jeugdhulp. Maar Sonia laat zich omringen door een bont gezelschap collega’s.

Van de bevraagde jongeren heeft niemand tijdens zijn traject ooit een hulpverlener gehad van de eigen origine. Met uitzondering van één heeft zelfs geen enkele jongere een hulpverlener van niet-Vlaamse origine gehad.

“Er zijn weinig hulpverleners van niet-Vlaamse origine.”

Dit is een realistische weerspiegeling van het hulplandschap, al blijft het moeilijk om dit met cijfers hard te maken. In onze zoektocht naar cijfermateriaal over het aantal hulpverleners van vreemde origine, botsten we op onvolledig ingevulde registratiesystemen en een begrippenkader dat niet éénduidig is. Cijfers van het Vlaams Welzijnsverbond brengen ons bij een resultaat van 1,9% hulpverleners ‘met een nationaliteit buiten de EU’ of -anders- bij 4% hulpverleners ‘van vreemde origine’.

Eigen origine

De diversiteit aan nationaliteiten en etniciteiten laat niet meer toe dat elke jongere een hulpverlener kan hebben van dezelfde origine. Het goede nieuws is dat de jongeren dit niet noodzakelijk vinden.

Het cultureel matchen van jongere en hulpverlener heeft uiteraard een aantal voordelen en die benoemen ze heel helder. Maar op de vraag of zij graag een hulpverlener met dezelfde roots willen, antwoorden acht van de jongeren negatief.

“Er moet verbinding zijn tussen de jongere en zijn begeleider.”

“Een hulpverlener van dezelfde origine als ik… neen, liever niet. Hij zal ervan uitgaan dat hij mij kent en dat hij mij begrijpt, gewoon omdat we toevallig uit hetzelfde land afkomstig zijn of hetzelfde geloof hebben. Hij zal te veel zelf invulling geven, terwijl hij mij eigenlijk totaal niet kent.” (N., 20 jaar)

Ze vertellen verhalen over vrienden die een hulpverlener van dezelfde origine hadden en bij wie dit eerder een negatieve ervaring was.

“Bij een hulpverlener met mijn nationaliteit zou ik altijd het gevoel hebben dat hij te dichtbij komt, te veel in mijn privéleven. Bij Vlaamse hulpverleners heb ik altijd het gevoel gehad dat er een professionele afstand was en dat is een afstand die mij vertrouwen geeft.” (W., 22 jaar)

Mix

Hoewel het etnisch matchen van jongere en hulpverlener niet noodzakelijk is, zijn alle jongeren het er wel over eens dat er meer mix moet zijn in de teams van hulpverleners.

“Een beetje kleur in een team zou goed zijn.”

“Een beetje meer kleur zou goed zijn. Zo kunnen hulpverleners meer uitwisselen, meer leren van elkaar, meer inzicht krijgen in hoe andere mensen en culturen naar bijvoorbeeld opvoeding kijken. Zo leren ze inzien dat ‘anders’ niet altijd ‘verkeerd’ is.” (R., 23 jaar)

De teams die de jongeren beschrijven uit hun persoonlijke ervaring zijn weinig divers samengesteld. Ze wijzen dan niet enkel naar culturele diversiteit, maar ook naar gender, leeftijd en persoonlijke ervaring in de jeugdzorg.

“Als een team diverser is samengesteld, dan is de kans groter dat een jongere zich met iemand uit het team kan verbinden, dat hij een rolmodel vindt, iemand waaraan hij zich kan spiegelen.” (B., 21 jaar)

Ouders

Bovendien straalt een divers team vertrouwen uit naar de ouders en familie van de jongeren. Het beeld over de hulpverlening wordt positiever als de ouders zich weten te verbinden met één of meerdere hulpverleners.

Volgens de bevraagde jongeren zit deze verbinding voor hun ouders vaak wél in het culturele, terwijl dat bij hen veel minder het geval is. Ook leeftijd is een belangrijke factor. Verschillende jongeren geven aan dat een oudere hulpverlener van hun ouders meer mandaat krijgt.

“Diversiteit is een meerwaarde.”

“Mijn moeder had veel aan de intercultureel bemiddelaar. Zij wist heel veel over onze cultuur en ze was bovendien van dezelfde leeftijd als mijn moeder. Dat maakte dat ze haar heel snel haar vertrouwen gaf, en dat was er bij andere hulpverleners niet.” (P., 19 jaar)

Vanuit het Ondersteuningsteam Allochtonen Antwerpen moedigen wij een grotere diversiteit in teams aan. Dit is een meerwaarde, al willen we ook erkenning geven aan de drempels en valkuilen. Want tijdens teamcoachings botsen we in de praktijk ook op de kwetsbaarheden van een divers samengesteld team.

Basishouding

Sonia heeft haar opleiding orthopedagogie al enige tijd achter de rug, maar ze is zich nog steeds bewust van de noodzakelijke basishouding. Ook wanneer ze in contact komt met een jongere van andere origine. Het maakt haar de ideale hulpverlener.

“Eén hulpverlener is me bijgebleven. Vooral haar manier van spreken was zeer aangenaam. Ze praatte als gelijke tegen mij, als gelijkwaardig persoon. Ze was altijd positief. Ze stelde me veel vragen. Ze durfde eigenlijk echt veel vragen!” (W., 22 jaar)

“Oprecht luisteren maakt het verschil.”

Een aantal van de bevraagde jongeren geeft aan dat ze doorheen hun traject een positieve ervaring hadden met één bepaalde hulpverlener. Die maakt vooral het verschil omdat hij de jongeren als gelijkwaardige behandelde, oprecht naar hun verhaal luisterde en eerlijk communiceerde.

“Mijn begeleider toonde veel begrip. Als haar beste eigenschap zou ik oprechtheid benoemen. En ze was altijd heel eerlijk. Doen wat je zegt en zeggen wat je doet. Ik vind dat belangrijk.” (H., 20 jaar)

Standaardhulp

Andere jongeren hebben die ervaring van die ene uitzonderlijk begeleider niet. Ze kunnen niemand noemen in wie ze echt vertrouwen hadden. In hun ervaring was er weinig oprechte interesse in hun verhaal. Ze hadden geregeld de indruk dat hulpverleners standaardvragen stelden, in functie van verslaggeving.

“Ik had meestal de indruk dat er standaard vragen werden gesteld en dan gaf ik maar standaard antwoorden. Voor hen was het dan in orde, voor de verslaggeving.” (J., 19 jaar)

“Vertrouwen moet je verdienen.”

Enkelen geven aan dat ze bepaalde zaken gewoon niet met hun hulpverlener bespraken omdat ze er geen vertrouwen in hadden dat hij het zou begrijpen. Of op zijn minst een oprechte poging zou doen om het te begrijpen.

“Vertrouwen moet je verdienen, je moet dat tijd geven en niet verwachten dat alles meteen op tafel komt. Maar als er niet eerlijk gecommuniceerd wordt, dan komt dat vertrouwen er nooit.” (A., 21 jaar)

Basispakket

De eigenschappen die de jongeren benoemen als cruciaal voor een hulpverleningsrelatie, zijn simpelweg de basiscompetenties die iedere hulpverlener leert tijdens zijn opleiding.

Interculturele competentie is niet iets voor gevorderden, maar maakt deel uit van het basispakket. Toch merken we vaak dat hulpverleners handelingsverlegen worden in contact met jongeren van een andere origine. Ze lijken hun basishouding te vergeten en denken dat ze op een aangepaste manier met de jongere moeten omgaan.

“Interculturele competentie is niet iets voor gevorderden.”

“De hulpverlener had me beloofd dit onderwerp aan te kaarten bij mijn moeder, maar ze deed het niet. Ze durfde dit gewoonweg niet op tafel leggen, uit angst voor de reactie van mijn moeder.” (N., 20 jaar)

Het is belangrijk om te benadrukken dat cultuur geen barrière moet zijn. Oprechte interesse tonen, dingen durven bevragen en jongeren vanuit gelijkwaardigheid aanspreken, staan centraal. En dat geldt natuurlijk evenzeer voor de context van de jongeren.

“Als de begeleidster bij ons thuis kwam, merkte ik altijd dat ze heel hard onder de indruk was. Ze praatte wel met mijn ouders, maar het was oppervlakkig, geen diepgaand gesprek. Ik denk dat ze dat gewoon niet aandurfde.”(D., 18 jaar)

Tolk

Waarschijnlijk spreekt Sonia een mondje Frans en Engels. Maar Sonia weet dat ze beroep kan doen op tolken. Ze weet ook wanneer het zinvol is er een intercultureel bemiddelaar bij te roepen.

“Bij zittingen was er nooit een tolk voor mijn moeder. Ik moest dan vertalen, wat natuurlijk belachelijk is, want het ging over mij.” (P., 19 jaar)

Voor de bevraagde jongeren werd er bijna nooit een tolk ingezet. Ze vinden dit eigenlijk geen probleem want ze voelden zich voldoende comfortabel om gesprekken in het Nederlands te voeren.

“Het werken met tolken is uiterst belangrijk.”

Voor hun ouders vinden ze een tolk wel belangrijk, ook al gebeurde dat lang niet altijd. Enkele jongeren geven aan dat ze regelmatig zelf moesten tolken voor hun ouders. Enkelen vertellen dat er met hun ouders in een contacttaal gecommuniceerd werd die noch de ouders noch de hulpverlener echt goed beheersten.

“De contextbegeleidster sprak Frans met mijn moeder, maar haar Frans was eigenlijk echt niet goed genoeg.” (J., 19 jaar)

Het werken met tolken is uiterst belangrijk. Om gesprekken over emoties en beleving te voeren, is de moedertaal het meest geschikt. Een gevoelige boodschap overbrengen in een contacttaal die voor niemand comfortabel is, vergroot de kans op foute interpretaties. Veel boodschap gaat verloren.

Bij een gesprek in gebrekkig Nederlands of bij een gesprek met handen en voeten is dat uiteraard ook zo. Bovendien wordt het aandeel lichaamstaal in zulke omstandigheden nog meer van belang en net dat kan in interculturele communicatie zeer gevoelig liggen.

Intercultureel bemiddelaar

Als een hulpverlener een te grote verlegenheid voelt om over bepaalde thema’s te praten, dan blijft het gesprek te oppervlakkig. Als jongere, ouders en hulpverlener niet vertrouwd zijn met elkaars leefwereld of geloofsbeleving en er niet in slagen om er open over te praten, dan kan dit het gesprek blokkeren.

In sommige gevallen is het niet enkel de taal die het water tussen mensen zo diep maakt. Soms heb je als hulpverlener gewoon graag een coach aan de zijlijn. Een tolk is dan niet wat nodig is. In zulke situaties is een intercultureel bemiddelaar aangewezen.

“De interculturele bemiddelaar heeft het verschil tussen de Afrikaanse en Westerse ‘bril’ visueel gemaakt. Dat gaf voor mij toch wel wat meer inzicht in mijn gezinssituatie. Want het verschil in cultuur lag zeker aan de basis van het conflict met mijn moeder. Al heeft een conflict natuurlijk ook altijd met individuen of karakters te maken.” (P., 19 jaar)

“Interculturele bemiddelaars zijn soms aangewezen.”

Van de bevraagde jongeren hadden er drie ervaring met een intercultureel bemiddelaar. Alle drie bestempelen ze het als een positieve ervaring, maar wel om uiteenlopende redenen.

De situaties waarin bemiddelaars terecht komen zijn zo complex en verscheiden, dat men elke keer opnieuw moet bekijken welke aanpak aangewezen is. Dit zorgt ervoor dat de rol van de bemiddelaar misschien niet altijd 100% duidelijk is voor de hulpverlener. Maar die flexibiliteit is absoluut noodzakelijk om maatwerk te kunnen bieden.

“Voor mij was het leuk om met de bemiddelaar te praten omdat ze een link was naar mijn taal en mijn cultuur, een link die ik precies altijd méér leek te verliezen hoe langer ik in België was.” (H., 20 jaar)

Het individu achter de cultuur

Sonia heeft al heel wat jongeren van vreemde origine begeleid, maar ze trapt nooit in de val van stereotypering.

“Er moet openheid zijn om over dingen te praten, ook moeilijkere dingen zoals cultuur of geloof, zonder direct te oordelen over elkaar. “ (W., 22 jaar)

Uit de interviews komt naar voor dat jongeren regelmatig aanvoelden dat een hulpverlener vooroordelen had tegen een bepaalde culturele groep. Hierdoor ontstaat er wantrouwen. En eenmaal sprake is van wantrouwen, dan is het moeilijk om de begeleidingsrelatie weer op te bouwen.

“De hulpverlener moet elke jongere als individu benaderen.”

“Bij een begeleider vooroordelen voelen, dat vond ik eigenlijk het allerergste. Ik word daar echt kwaad van. Nog steeds trouwens. Als ik met vooroordelen geconfronteerd wordt, bijvoorbeeld op mijn werk, dan loopt het mis.” (A., 21 jaar)

Alle jongeren geven aan dat maatwerk heel belangrijk is. Iedere jongere heeft zijn uniek verhaal en zijn persoonlijke achtergrond, en zo willen ze behandeld worden. De hulpverlener moet elke jongere als individu benaderen.

“Een hulpverlener moet zich fris openstellen voor elke nieuwe jongere. Niemand in een vakje stoppen enkel op basis van nationaliteit of geloof ofzo.” (R., 23 jaar)

Te veel en te weinig

Hulpverleners zijn zich soms ‘te veel’ en soms ‘te weinig’ bewust van de cultuurspecifieke eigenheid van een jongere en zijn gezin.

In het eerste geval schuilt uiteraard het gevaar van stereotypering. De hulpverlener schrijft het gedrag van de jongere of de situatie in een gezin enkel toe aan de cultuur van de jongeren of het gezin. Hij brengt vervolgens alles in verband met wat hij over die cultuur denkt te weten of met wat hij in het verleden meemaakte met jongeren van dezelfde origine. Hij verliest op die manier het individu uit het oog.

“Hulpvragen zitten in een complexe verpakking gewikkeld.”

Maar ook in het ‘te weinig’ bewust zijn van het aandeel cultuur schuilt een gevaar. Als hulpverlener mis je mogelijk een essentieel stukje van de identiteit en kom je nooit tot een totaalbeeld van de jongere.

Sommige problemen hebben bovendien wel degelijk te maken met de culturele achtergrond, maar ook steeds in combinatie met de voorgeschiedenis en de sociaal-economische situatie van de jongeren en het gezin. Hulpvragen zitten vaak in een complexe verpakking gewikkeld.

Aandacht voor het verleden

Sonia heeft veel werk, maar ze neemt haar tijd. Ze werkt in de diepte en begint soms gewoon ook opnieuw. De bevraagde jongeren vertellen dat het voor hen belangrijk was om bij de start van hun traject te kunnen stilstaan bij hun verleden, en bij uitbreiding dat van hun gezin.

“Mijn individuele begeleidster stond uitgebreid stil bij mijn migratieverhaal. En ook bij dat van mijn moeder trouwens, wat een heel ander verhaal was dan het mijne. Het verliep niet altijd gemakkelijk, want mijn moeder wilde eigenlijk liever niet betrokken worden. Maar voor mij was het toch wel goed om mijn moeders verhaal ook te kennen.” (B., 21 jaar)

“Terugkijken is een broodnodige stap.”

Sommigen geven aan dat ze het op dat moment niet altijd wilden, dat ze het verleden soms liever lieten rusten. Maar als ze er op terugkijken, dan was het voor iedereen een broodnodige stap.

“Stilstaan bij mijn eigen verleden vond ik heel belangrijk. Over dat van mijn ouders wilde ik liever niet alles weten. Ik zag wel dat hun migratie aan de basis lag van de problemen in ons gezin, maar ik wilde op dat moment geen vragen stellen. Nu nog niet trouwens. Maar ik zie dat mijn zus dat wel heel hard nodig heeft. Zij wil antwoorden van onze ouders zodat ze kan begrijpen wat haar is overkomen en het een plaats kan geven.” (N., 20 jaar)

Een uitgebreide verkenning gebeurt bij voorkeur bij het begin van een traject. Op die manier kan het verdere hulptraject zo zinvol mogelijk uitgestippeld worden en wordt vermeden dat de situatie escaleert.

Weinig tijd

De jongere die naar België kwam als niet-begeleide minderjairge vluchteling gaf mee dat hij aanvoelde dat hem weinig tijd werd gegund. Hij werd verondersteld snel te integreren en zoveel mogelijk de Vlaamse levenswijze over te nemen.

“Wortel schieten, vraagt veel tijd.”

“Ik had in het begin moeite met vrouwelijke begeleiders. Ik keek hen niet aan, luisterde niet naar hen, gaf hen geen hand ofzo. Sorry hé, maar ik was gewoon totaal niet gewend om op die manier met vrouwen om te gaan. En daar werd fel op gereageerd! Ze wilden dat ik snel ‘de Vlaamse cultuur’ zou aanleren. Maar dat gaat niet op 1-2-3 hé. Dat vraagt tijd. Zelfs als je van goeie wil bent.” (A., 21 jaar)

Er wordt van nieuw aangekomen jongeren verwacht dat ze zo snel mogelijk onze normen en waarden overnemen. Vaak lijkt het alsof ze dat ook wel doen, tenminste in hun uiterlijke gedrag. Maar we houden best in het achterhoofd dat de jongeren sowieso niet opgegroeid zijn met deze waarden en normen, en ze dus niet geworteld zijn. En dat wortel schieten vraagt veel tijd.

Sonia

Dit is ze dan: Sonia. De ideale hulpverlener volgens tien jonge mensen die het kunnen weten. Voor sommigen was het niet evident om te fantaseren over hun ‘ideale’ hulpverlener.

“Iedereen kan een Sonia zijn.”

Hun jeugdhulpervaring was niet negatief, maar ze hadden naar hun smaak toch nooit een Sonia ontmoet. Het vereiste dus het nodige denkwerk om te komen tot haar profiel. Voor anderen was het geen kwestie van fantaseren, want zij waren op hun pad wel een Sonia tegengekomen en konden zich dus beroepen op hun ervaringen met haar. Of hem.

Want als we één ding met stelligheid willen duidelijk maken, dan is het wel dat iedereen een Sonia kan zijn. Een kant-en-klaar draaiboek ligt niet klaar, dus het wordt een kwestie van vallen en opstaan.Meer lezen over diversiteit en hulpverlening kan op Sociaal.Net!

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen