Sociaal werk is een roeping

Roemeense werkstudent uit de Kempen

Dana Beiu is een studente sociaal werk aan de Thomas More hogeschool in Geel. Als werkstudent combineert ze die studie met een job als OCMW-medewerker. Dana is geen geboren en getogen Kempenaar, haar roots liggen in Roemenië. Hoe kijkt zo’n geëngageerde bezige vrouw met een migratieachtergrond naar sociaal werk?

© Bas Bogers
© Bas Bogers

Dana, hoe kwam jij in België terecht?

Ik ben geboren en opgegroeid in Roemenië, een communistisch land. Ik herinner me heel goed dat alles door de overheid geregeld werd. Wij groeiden op in een cultuur waar het eigenbelang niet telde. Het volk voerde een stille strijd tegen het communistische regime. Dat bracht ons als gemeenschap dichter bij elkaar.

Wat is je achtergrond?

Ik groeide op in een middenklasse gezin, niet rijk, niet arm. Er waren mensen die het beter hadden, maar daar stelden wij ons geen vragen bij. Wij waren gelukkig. Kort na de val van de Berlijnse muur ontmoette ik mijn man en een jaar later ben ik hem gevolgd richting België. Ik zag hoe hier alles goed geregeld was: hoogstaand onderwijs, een sterke sociale zekerheid en een hoogtechnologische gezondheidszorg. Dat alles is niet enkel weggelegd voor de happy few, maar is bereikbaar en toegankelijk voor iedereen. Toch zag ik dat ook hier mensen nood hebben aan hulp. Het sociaal werk trok me aan, ik wilde iets betekenen voor anderen. Vandaar mijn keuze om maatschappelijk werk te studeren en aan de slag te gaan bij een OCMW.

Wat doe je daar?

Mensen melden zich eerst aan bij het onthaalteam. De maatschappelijk werker start een sociaal onderzoek op. Zijn de vragen en de problemen van de cliënt éénmalig, tijdelijk of van lange duur? Indien nodig wordt het langlopend team ingeschakeld. Daarnaast zijn er cellen met specialisaties zoals schuldhulp en activering. De begeleiding van iemand met een complexe vraag en schulden wordt doorgegeven aan twee maatschappelijk werkers, één uit het langlopend team en één van het team schuldbemiddeling. De laatste twee jaar wordt bijna iedere cliënt ook automatisch gekoppeld aan het team activering. Ik werk in dat team activering.

Wat doet zo’n team activering?

We kijken eerst naar wat het meest dringend is. Als mensen dakloos zijn of kampen met ernstige gezondheidsproblemen, moet dat eerst aangepakt worden. Nadien start ik geleidelijk met activering. Dat kan gaan over het motiveren en ondersteunen van mensen om Nederlands te leren, een opleiding te volgen, werk te zoeken of zich in te schakelen in vrijwilligerswerk.

Jullie manier van werken maakt dat een cliënt meerdere sociaal werkers heeft.

Vroeger begeleidde één maatschappelijk werker de cliënt doorheen het volledige proces. Vandaag werkt het OCMW met specialisaties en wordt de cliënt begeleid door twee, soms zelfs drie maatschappelijk werkers. Dat heeft vooral voordelen voor de professionals. Zo is tijdens vakantiedagen de begeleiding verzekerd: het proces valt niet stil als iemand op verlof gaat. Het heeft minder voordelen voor de cliënt omdat het moeilijker is om met verschillende werkers tegelijkertijd een vertrouwensband op te bouwen. Ik verkies de één-op-één begeleiding: hoe beter je iemand kent, hoe beter je kan helpen.

“Wat gratis is, is niet noodzakelijk kwaliteitsvol.”

Je bent geboren en opgegroeid in Roemenië. Als je vergelijkt met Vlaanderen, welke verschillen vallen op?

Je kan Vlaanderen niet vergelijken met Oost-Europa. Het is een heel andere samenleving. Kijk bijvoorbeeld naar de basisvoorzieningen. Onderwijs en medische zorg zijn in Roemenië gratis. Maar wat gratis is, is niet noodzakelijk kwaliteitsvol. Wil je een betere dokter, neem dan een cadeautje mee. Zo’n praktijken zijn in België niet courant. Van een werkloosheidsuitkering kan je in Roemenië niet leven en een OCMW bestaat daar niet. Als je niets kan teruggeven aan de maatschappij word je afgeschreven. Dat meedogenloze mechanisme speelt hier minder doordat de Belgische samenleving opgebouwd werd vanuit principes van solidariteit. Wat dat betreft, liggen België en Roemenië ver uit elkaar. Terecht klagen mensen hier over lange wachtlijsten. Maar de overheid negeert die klacht niet en zoekt binnen de mogelijkheden die ze hebben naar oplossingen.

Toch vallen ook hier steeds meer mensen uit de boot. Zie je dat niet te rooskleurig?

Niet als ik het vergelijk met Roemenië. Natuurlijk maak ik me zorgen over het feit dat ook in België solidariteit afbrokkelt. Ik ben ongerust over het besparingsbeleid van de overheid. De regering zit echt wel in ieders portefeuille. Ze kijkt vooral naar centen en een begroting die in evenwicht moet zijn. Ik begrijp dat wel, beleid voeren betekent keuzes maken, maar zien ze dan niet dat zo de solidariteit aangetast wordt? Ik raad onze beleidsvoerders aan om ook na te denken over structurele en doortastende maatregelen tegen armoede. Armoede is een probleem dat iedereen kan overkomen. Je wordt werkloos, je krijgt een ongeval of je komt voor een lange tijd in het ziekenhuis terecht. Je leven ziet er dan plots heel anders uit. We moeten dus solidair blijven uit betrokkenheid met het leed van de andere. Maar ook uit eigenbelang want iedereen kan plots een vangnet nodig hebben.

De OCMW-steuntrekker wordt ten onrechte afgeschilderd als een profiteur?

Denken mensen echt dat het fijn is om beroep te doen op het OCMW? Niemand komt voor zijn plezier naar ons. Het OCMW is het laatste reddingsmiddel en velen schamen zich om die stap te zetten. Hoeveel cliënten heb ik al gehad die voortploeterden tot hun spaarcenten op waren? Ze zien dan geen oplossingen meer, moeten hun trots wegzetten en aankloppen bij het OCMW. Dat vergt moed.

“Niemand komt voor zijn plezier naar het OCMW.”

Dat realistisch beeld van de steuntrekker staat haaks op het beeld dat leeft bij het grote publiek.

De kansarme wordt vaak afgeschilderd als een profiteur. De overheid doet daar zelf nog een schep bovenop. Zo installeert ze een kliksysteem ten aanzien van werklozen die ervan verdacht worden onrechtmatig een werkloosheidsvergoeding krijgen. Dat is toch verschrikkelijk? Men zet mensen tegen elkaar op. Is dat de samenleving die wij willen? Natuurlijk moet de kleine groep van mensen die het systeem misbruiken gedetecteerd en gestraft worden. Maar dat is de taak van de overheid, niet van de gemeenschap.

Waar moeten we dan wel naartoe?

De overheid moet blijven zorgen voor de kwetsbaren in de samenleving en mag ze vooral niet verder verzwakken. Dat dreigt nu wel te gebeuren. Energieprijzen swingen de pan uit. Voor wie de facturen van elektriciteit of water niet tijdig betaalt, gaat de kraan dicht. De stijgende levensduurte wordt onvoldoende gecorrigeerd voor de allerarmsten. Voor die groep wordt aan het einde van de maand de put alleen maar dieper. Niet alleen financieel, maar ook emotioneel. Het zijn allemaal signalen dat onze solidariteit onder druk staat. We moeten daar creatieve en warme oplossingen voor vinden.

Hoe kan je daar als sociaal werker aan bijdragen?

Mensen die niets kennen van hulpverlening en armoede moeten meer genuanceerde informatie krijgen. Daar ligt een belangrijke taak voor sociaal werkers. Mensen in armoede slepen heel wat problemen met zich mee. Het is moeilijk om uit die negatieve spiraal te geraken. Mensen die sterker in hun schoenen staan, geraken daar makkelijker uit. Mensen sterker maken is dan ook de kern van activering. Het is de weg naar integratie en een beter leven. Daarom geef ik jonge mensen steeds hetzelfde advies. Dit is een land dat kansen biedt om een beter leven op te bouwen. Het OCMW geeft je de kans om te studeren. Bijt door en grijp je kans om een diploma te halen of opleiding af te werken. Zo had ik een cliënt uit Irak met twintig jaar ervaring als lasser. Hij was bereid om elk soort werk aan te nemen. Toch zocht ik met hem naar iets passends. Na wat zoeken, hadden we succes: hij kon starten als lasser in een metaalbedrijf. Hij is daar gelanceerd en heeft ondertussen plannen om een huis te kopen. Prachtig toch?

Je kan voor mensen het verschil maken. Hoe doe je dat?

Ik investeer in het geduldig opbouwen van een band met mijn cliënt. Die samenwerking bouw ik op vanuit respect en gelijkwaardigheid. Op die manier kan je dicht bij kwetsbare mensen komen, al moet je natuurlijk wel professioneel blijven. Transparantie en eerlijkheid zijn cruciaal. Ik verstop niet wie ik ben: Dana de Roemeense, Dana de mama. Ik vervul verschillende rollen, telkens met mijn mogelijkheden en beperkingen. Die durf ik tonen.

“Hulpverleners moeten de talenten van mensen uitvergroten.”

En dat werkt?

Ik krijg terug wat ik geef. Als cliënten me vragen: “Wat zou jij doen?”, dan zeg ik “Ik ben jou niet”. Maar ik motiveer hen wel om samen antwoorden te vinden die door hen gedragen worden. Daarbij is een positieve benadering een must. Iedereen hoort graag dat hij goed bezig. De talenten en competenties die mensen hebben moet je als hulpverlener uitvergroten. Zo had ik een Arabische vrouw in begeleiding die van zichzelf vond dat ze niets kon. “Ik heb nooit gewerkt, ik ben altijd huismoeder geweest.” Ik benadrukte wat ze goed deed: zorgen voor haar kinderen, lekker eten maken, samen knutselen, boeken lezen, geduld opbrengen en zorgzaam bezig zijn. Haar kinderen waren altijd netjes, goed verzorgd, ze blonken. Die talenten zie je niet altijd, maar ze zijn er wel. Je moet ze benoemen. Zo krijgen ze betekenis en kan je er mee aan de slag gaan. Die vrouw is nu een gewaardeerde onthaalmoeder.

Jouw kerntaak is dus om gekwetste mensen opnieuw vertrouwen te geven?

Iedereen heeft mogelijkheden en talenten. Je moet sommige mensen ondersteunen om die vanuit een gezonde portie ambitie maximaal in te zetten. Zo had ik een Surinaamse jonge vrouw in begeleiding. Het was een alleenstaande moeder met drie jonge kinderen. Ze had een diploma marketing. Hier vond ze geen passend werk en dus ging ze deeltijds aan de slag als poetsvrouw. Haar dossier kwam op mijn bureau. Ze moest nog een paar maanden werken vooraleer ze aanspraak kon maken op een werkloosheidsuitkering. Ik vond dat we voor deze dame een tandje moesten bijsteken door haar diploma van onder het stof te halen. Op die manier ging deze intelligente vrouw aan de slag als administratief bediende bij het parket van Hasselt. Voor haar CV was dat een betere referentie dan enkel de poetsdienst. Ze ging vervolgens zelf op zoek naar een plek waar ze haar talenten nog beter kon inzetten. Bij een laatste gesprek zei ze: “Jij gaf me opnieuw zelfvertrouwen. Nu kan ik weer verder bouwen aan mijn leven. Met een zak geld zou ik niet zo blij zijn geweest. Ik kan terug met een rechte rug lopen. Bedankt.” Ik heb haar iets gegeven, zodat ze verder kan zonder mij. Daar gaat het toch om? Jezelf onnodig maken als hulpverlener. Dat is mijn doelstelling.

Dana Beiu
Dana Beiu

Worden sociaal werkers genoeg gewaardeerd?

Ons beroep wordt onderschat. Mensen die kiezen voor dit beroep, zijn mensen met een warm hart. Het vraagt een aparte ingesteldheid, een engagement. Sociaal werk is geen job, het is een roeping.

En voor het loon moet je het niet doen.

Het klopt dat we niet altijd de nodige waardering krijgen. Maar je mag die bal niet altijd in het andere kamp leggen. Waarderen we onszelf voldoende? De opleidingen sociaal werk moeten jonge mensen leren om meer fierheid over hun job uit te stralen. Wij hebben de unieke kans om voor kwetsbare mensen het verschil te maken. Dat is iets om trots over te zijn. Die overtuiging moet je meenemen naar het werkveld. Je hebt een belangrijke functie in de samenleving. Laat je dus horen en zorg dat het beleid rekening met je houdt. Bescheidenheid siert, maar vergeet niet strijdlustig op te komen voor de rechten van cliënten.

“Wij maken het verschil voor kwetsbare mensen.”

Hoe zie je dat concreet?

Het aantal mensen dat in armoede leeft, stijgt. Hoe kan dat in een welvarend land als België? De oorzaken van armoede lijken veraf te liggen, in mondiale veranderingen zoals de huidige economische crisis. Maar oorzaken liggen ook heel dichtbij: sommige kleuters ervaren al op school discriminatie, het lokale culturele aanbod is slechts afgestemd op de vragen van de mondige burger en op de werkvloer geven niet alle werkgevers aan alle werknemers dezelfde kansen. Hier spelen sociale en culturele processen van uitsluiting die heel concreet zijn. Als sociaal werkers moeten we onze verontwaardiging uiten over deze vormen van uitsluiting en ongelijkheid. Dat gevoel moeten we omzetten in een daadkrachtig handelen door problemen te signaleren en aan te kaarten bij beleidsmakers.

Waarom levert dat signaleren zo weinig resultaten op?

Ik vraag me af of we voldoende inspanningen leveren. Ook is de afstand tussen beleid en werkveld veel te groot. Rijke ervaringen van en met cliënten stromen onvoldoende door. Zo kan geen beleid ontwikkeld worden dat voldoende verankerd is in de de concrete, dagelijkse praktijk. Om deze getuigenissen en verhalen kracht bij te zetten, moeten sociaal werkers hun cliënten vanaf het begin een plaats geven in dit proces. Ook hulpverleners vergeten dat te vaak. Kijk naar het beleid rond dak- en thuislozen. Elk jaar opnieuw vriezen mensen tijdens de koudste winternachten dood. Commissies worden opgericht om de situatie te onderzoeken en politieke debatten volgen elkaar in ijltempo op. Maar op straat verandert er amper iets. “Een kameel is een renpaard ontworpen door een overlegcommissie.” Dat gebrek aan daadkracht is een gedeelde verantwoordelijkheid. Er is onvoldoende politieke moed, maar ook het werkterrein komt niet assertief genoeg voor de dag. En als we er niet in slagen om die extreme en zichtbare vorm van armoede uit te sluiten, hoe kunnen we dan meer structurele processen van armoedebestrijding op gang trekken? Want zolang men armoede creëert, kan men armoede niet uitroeien.

“Zolang men armoede creëert, kan men armoede niet uitroeien.”

Dat voorspelt weinig goeds voor de vluchtelingencrisis?

Ik zei het al: het is hard labeur om solidariteit overeind te houden. De vluchtelingencrisis doet daar nog een schep bovenop. Dat loopt moeilijk omdat we als mensen geconfronteerd worden met onze kwetsbare flank. We kunnen ons onvoldoende inleven in de situatie van de andere. Stel je maar eens voor dat je met je gezin moet vluchten voor kogels en terreur. Alles waarvoor je gewerkt hebt, is weg. Wat rest, is puin en verdriet. We hebben het moeilijk om dat inlevingsvermogen aan de dag te leggen. We hebben het moeilijk om betrokken, bewogen en onthalend te zijn. Bovendien stromen samen met de vluchtelingen onbekende culturen en geloofsovertuigingen het land binnen. We leefden voordien al in een angstcultuur en nu komen de beperkte zekerheden die we hebben nog verder onder druk te staan.

Zie jij een uitweg?

We moeten niet bescheiden zijn. Sociaal werkers zijn goed geplaatst om oplossingen aan te reiken. In de samenwerking met cliënten zijn we experts in het zoeken naar kansen en positieve dynamieken. Ook daar werken we vaak in een context van onzekerheid, kwetsbaarheid en bedreiging. Maar we grijpen alle kansen om angstige en onzekere mensen opnieuw vertrouwen te geven. Die kennis en expertise moeten we inzetten. Het zal belangrijk zijn om de stereotypen rond vluchtelingen te doorbreken. Want angst is vaak gebouwd op gebrekkige informatie. “Die vluchtelingen krijgen hier van alles.” Het is de taak van sociaal werkers om vanuit hun praktijk zo’n veronderstellingen te nuanceren. In deze context zijn hulpverleners onmisbaar: we moeten alert zijn en waken over de rechten van wie kwetsbaar is.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen