Kinderen in de jeugdhulp

Participatie is meer dan praten

Hoe kijken kinderen tussen zes en twaalf naar de jeugdhulp? Onderzoekers van de Arteveldehogeschool vroegen het hen. En wat blijkt? Kinderen vragen een open en transparante houding van ouders en begeleiders.

Kinderen in de jeugdhulp
©123rf

Participatie

Binnen integrale jeugdhulp lijkt de tijd van spreken over kinderen, jongeren en ouders stilaan voorbij. Organisaties en hupverleners zetten in op hulp die echt aansluit bij wat kinderen, jongeren en gezinnen nodig hebben. Cliënten betrekken, informeren en inspraak geven is cruciaal voor een goed afgestemd hulpaanbod.

Het Decreet betreffende de Rechtspositie van de Minderjarige in de Jeugdhulp uit 2004 regelt de inspraak van minderjarigen. In het Decreet Integrale Jeugdhulp van 2014 is cliëntparticipatie één van de zes resultaatgerichte doelstellingen. Participatie krijgt zijn plaats in het hulpverleningsproces, maar ook op structureel niveau via inspraak in het beleid van de voorziening.

“Cliënten plaatsen kanttekeningen bij participatie.”

Het laten participeren van cliënten vraagt de nodige creativiteit: vastgeroeste gewoontes durven veranderen, op een andere manier overleggen, open verslaggeving.Louwagie, J., Poppe, L. en Van den Bussche, H. (2015), ‘Participatie in de jeugdhulpSociaal.Net, 19 juni 2015.

Jongeren en ouders geven aan dat ze steeds meer betrokken worden in de hulpverlening. Toch heeft het participatieverhaal zijn eindpunt nog niet bereikt. Cliënten plaatsen kanttekeningen bij de manier waarop ze betrokken worden, soms ook bij het gebrek aan participatie.Ackaert, L., Eerdekens, W., Schoevaerts, I. en Vandenbussche, E. (2016), Waarheid, durven of doen? Ervaringen van jongeren en ouders met jeugdhulp, Brussel, Kinderrechtencommissariaat.

Niet evident

Voor jonge kinderen is participatie nog minder evident. Waar ligt de grens tussen een kind betrekken en het belasten? Hoe kan je met jonge kinderen best communiceren over de besluitvorming in de jeugdhulp?

De participatie van jonge kinderen blijft een zoektocht. Als onderzoekers zijn wij over de drempels heen gestapt. We hebben het jonge kind spreekruimte gegeven. 21 kinderen tussen zes en twaalf jaar vertelden en toonden ons hun ervaringen, meningen en wensen over de informatie en de inspraak die zij krijgen in de jeugdhulp.Onderzoek uitgevoerd in 2015-2016 door de Onderzoeks- en Dienstverleningscel Gezinskracht van de Arteveldehogeschool.

Zoektocht

Het samenwerken met jonge kinderen was voor ons als onderzoekers een zoek- en groeiproces. Allereerst moesten we op zoek naar geschikte werkvormen en handvatten om participatief te werken met kinderen. Hierbij merkten we dat er heel wat parallellen te trekken zijn tussen een onderzoekscontext en de hulpverlening.Eerdekens, W., Raes, A. en Vandenbussche, E. (2017), Het kind in de jeugdhulp. Kinderen van 6 tot 12 jaar over hun participatie in de jeugdhulp, Gent, Arteveldehogeschool.

“Samenwerken met jonge kinderen was een groeiproces.”

Door participatief te werken, kunnen kinderen de greep op hun eigen werkelijkheid vergroten. Ze gaan zelf op zoek naar informatie en ontwikkelen sociale -en copingvaardigheden waardoor ze later sterker in het leven staan.de Winter, M., Baerveldt, C. en Kooistra, J. (1999), ‘Enabling children: Participation as a new perspective on child-health promotion’, Child: Care, Health & Development, 25, 15-23.Zo’n rugzak vol vaardigheden om uitdagingen aan te pakken kan extra waardevol zijn voor kinderen in een hulpverleningscontext.

Kinderen informeren

Kinderen betrekken in onderzoek, betekent het onderzoeksproces toegankelijk maken. We deden dit via een filmpje, geïnspireerd op het onderzoek van Mayne.Mayne, F. and Howitt, C. (2015), ‘How far have we come in respecting young children in research? A meta-analysis of reported early childhood research practices from 2009 to 2012’, Australasian Journal of Early Childhood, 40, 30-38.We leerden hieruit dat louter informatie geven niet genoeg is. De informatie moet begrijpbaar zijn. Kinderen moeten de kans krijgen om vragen te stellen en te reageren. Kinderen tonen dat zij best in staat zijn om rechtstreeks bevraagd te worden en hun mening te geven.

“Kinderen moeten vragen kunnen stellen.”

Tijdens de interviews merkten we dat kinderen doorgaans goed geïnformeerd waren over de voorzieningen waarmee ze in aanraking komen. Ze kennen de naam, maar wat deze juist doen, is vaak moeilijk om uit te leggen.

Kinderen weten niet altijd goed waarom ze in een bepaalde voorziening verblijven, hoe lang ze daar zullen blijven en waar ze daarna naartoe gaan. Kinderen vinden het goed dat volwassenen hierover beslissen, maar ze willen wel goed geïnformeerd worden.

Geen vage uitleg

En daar schort het soms. Zeker als kinderen rechtstreeks toegankelijke hulp krijgen. Dan krijgen ze vaak een vage of geen uitleg. Kinderen met een hulpaanbod via de jeugdrechtbank of het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg konden opvallend beter vertellen hoe volgens hen alles verlopen is en waarom er werd ingegrepen.

Een kind getuigt over hoe het is om onverwacht, zonder informatie, naar een nieuwe voorziening te gaan.

Onderzoeker (O): Wie heeft je verteld dat je naar het dagcentrum zou gaan?
Kind (K): Mijn begeleider.
O: Wat vond je daarvan?
K: Zij zeiden dat heel op het laatste. Dat was echt wel verschieten. Zij zeiden er dan ook niet bij dat ik in de vakantie heel de vakantie moest gaan. Ik was daar helemaal ambetant van dat zij dat niet verteld hadden.
O: En begreep je waarom zij beslist hadden dat je in de vakantie hier ook moest komen?
K: Ja, dat was vooral om mama te steunen, omdat mama dan hulp had.

Informatie op maat

Bij een aantal interviews was op vraag van het kind een begeleider aanwezig. Die begeleiders kwamen niet tussen, maar volgden wel het ganse interview. Een aantal begeleiders vermeldden achteraf dat ze geschrokken waren over wat de kinderen allemaal niet (meer) wisten. Bijvoorbeeld over hun traject of de doelstellingen van de hulpverlening.

“Een keer informeren volstaat niet.”

Het kan gebeuren dat kinderen gewoon dingen vergeten. Het is duidelijk dat één keer informeren onvoldoende is om kinderen echt mee te hebben. Informatie op maat, herhaling en tweerichtingsverkeer in de communicatie zijn handvatten om kinderen ook over moeilijke zaken mee te krijgen.

Kinderen over hun begeleiders

De kinderen zijn erg tevreden over hun begeleiders. Ze kennen hen bij naam en kennen hen ook goed. Wie is er heel lief, wie is er soms een beetje streng, bij wie kan je altijd terecht met vragen? Een individueel begeleider is voor kinderen erg belangrijk. Sommigen geven aan dat ze het fijn zouden vinden om zelf hun individueel begeleider te kiezen.

O: Wat is er speciaal aan je individueel begeleider? Wat doet die anders dan andere begeleiders?
K: Ik mag soms kiezen wat we dan gaan doen. De vorige keer heb ik haar gevraagd om… ergens te gaan spelen. We zijn daar dan geweest.

Het maakt kinderen niet zoveel uit hoeveel mensen er betrokken zijn. Ze vinden het wel goed dat er een begeleider of andere volwassene is die herkenbaar is en lang aanwezig blijft. Soms is dit een individueel begeleider of een jeugdrechter of consulent, die een soort ‘centrale figuur’ is.

Inspraak: een genuanceerd verhaal

Participatie is voor kinderen niet hetzelfde als zoveel mogelijk betrokken worden. Participatie is eerder het kind aan het woord laten. Wil het wel of niet geïnformeerd worden? Op welke manier? In welke mate wil het kind betrokken worden?

Kinderen willen niet altijd alles weten. Zij willen wel de vraag krijgen en kunnen beslissen of ze bijvoorbeeld inzage willen in het dossier. Meerdere kinderen gaven aan dat ze liever niet weten wat er in hun dossier staat. De contextbegeleider kennen zij goed. Maar zij weten niet altijd wanneer deze op huisbezoek gaat en waarover het dan gaat. Soms willen zij dit ook niet weten. Het zou hen te veel zorgen geven, of ze vinden dit duidelijk iets voor de ouder.

“Kinderen willen niet altijd alles weten.”

Kinderen willen de mogelijkheid krijgen tot inspraak. Hierbij willen ze kunnen aangeven waarover en hoe ver die inspraak gaat. Professionals moeten hen vooral ernstig nemen en rekening houden met hun mogelijkheden en beperkingen.

Betekenisvolle participatie kan maar met de juiste randvoorwaarden. Die moeten het mogelijk maken voor kinderen om daadwerkelijk te begrijpen waarover het gaat, om hun stem te laten horen en vragen te stellen.

Open verslaggeving

Uit ons onderzoek blijkt dat kinderen open verslagen op maat sterk waarderen. In sommige voorzieningen heeft het kind een aangepast boekje met zijn hulptraject. Verslagen van gesprekken worden erin opgenomen, beslissingen worden op een speelse manier genoteerd.

“Kinderen waarderen open verslagen.”

De kinderen tonen dit boekje graag. Ze weten goed dat dit van hen is. Ze mogen het doorgaans meenemen als ze uit de voorziening vertrekken. Sommige kinderen vertellen dat dit toch verloren ging. Dit is spijtig, want mensen grijpen vaak later in hun leven terug naar hun levensgeschiedenis. Voor kinderen in de jeugdhulp is het dan extra moeilijk om deze te reconstrueren.

Een dossier dat het kind volgt, zowel qua traject als in de afstemming op leeftijd en niveau, zou alvast een grote stap vooruit zijn.

Gedeelde regie

Ook binnen ons onderzoek vonden kinderen het fijn om mee beslissingen te nemen. Dat ging dan bijvoorbeeld over de volgorde binnen het gesprek of de duur ervan. Ook konden ze aangeven of ze over een bepaald onderwerp wilden tekenen of vertellen.

Kleine ingrepen zijn soms zeer betekenisvol. Wij vertrokken niet vanuit een standaard duurtijd voor de interviews. Wij gebruikten ook een ‘stopkaart’ waarmee kinderen konden aangeven wanneer het genoeg was.

“Neem inspraak serieus.”

Daarnaast toonden wij als onderzoekers op kleine manieren dat we kinderen echt serieus namen. We gebruikten hun letterlijke woorden als wij hun citaten neerschreven. We vroegen expliciet toestemming voor gebruik en verspreiding van de foto’s die ze namen tijdens het onderzoek. We bezorgden hen achteraf de resultaten van het onderzoek, opnieuw via een filmpje.

Impact van onderzoek

We hopen uiteraard dat ons onderzoek bijdraagt tot hulpverlening die meer op maat is van jonge kinderen. Waar we vooraf echter onvoldoende bij stilstonden, is dat het interviewen van kinderen meteen impact heeft. Voor veel kinderen was het interview meer dan wat praten over een aantal thema’s.

Door het over inspraak te hebben, beginnen ze na te denken over participatie in hun voorziening. Door stil te staan bij hun traject of individueel begeleider, beginnen ze zich vragen te stellen. Hoelang kan ik nog in de voorziening blijven? Mag ik zelf kiezen om van individueel begeleider te veranderen? Mag ik mijn dossier inkijken?

“Kinderen gingen nadenken over participatie.”

Wij gingen hier zo zorgzaam mogelijk mee om. Als een kind duidelijk met vragen zat, bekeken wij met wie het die vragen zou kunnen bespreken. Op expliciete vraag van één kind is de onderzoeker, samen met het kind in gesprek gegaan met een begeleider.

Ook al lijkt de communicatiecultuur vanuit de voorziening open, toch kan het voor kinderen nog steeds een drempel zijn om begeleiders direct aan te spreken.

Niet vrijblijvend

Wellicht hebben we een aantal vragen of zorgen van de kinderen gemist. Wij kwamen slechts een keer langs en verdwenen weer uit hun leven. En dit terwijl het onderzoek zelf zeker niet vrijblijvend was. Kinderen en begeleiders konden ons achteraf nog contacteren met vragen, maar we weten dat dit niet evident is.

Wij wisten vooraf al dat het belangrijk is om een goede opvolging te voorzien voor het kind. Nu zijn we daar nog meer van overtuigd. In een gesprek komt slechts een selectie van materiaal aan bod. Bovendien gebeurt er ook heel wat tussen twee contacten in. Niet alleen in onderzoek is dat zo, ook de hulpverlening moet hier rekening mee houden. Alleen zo kan er gewerkt worden aan echte participatie.

Participatie

Participatie gaat over je eigen houding als begeleider, hulpverlener, onderzoeker. Over het installeren van wederkerigheid, jezelf laagdrempelig opstellen en openstaan voor feedback. Dit kan via kleine dingen zoals echt en spontaan reageren.

Participatie is je afstemmen op elk individueel kind. Een kinderraad is leuk, maar komen de minder assertieve kinderen ook aan bod? Hoe praat je met jonge kinderen over behandeldoelen of de jeugdrechter? Hoe maak je daar een continu proces van in plaats van eenmalige momenten?

“Participatie is meer dan praten alleen.”

Participatie is meer dan praten alleen. Het gaat ook over hoe je gebeurtenissen documenteert. Bij een tweejarig kind dat geplaatst wordt, kan je de overweging maken dat het te jong is om daarover te praten. Kies er dan voor om dit te documenteren, zichtbaar te maken voor het kind. Hierdoor zorg je ervoor dat het kind dit later kan nalezen.

Kinderen wezen ons herhaaldelijk op het belang van visualisatie en concretisering.

O: Als de contextbegeleiders bij je thuis komen, wat doen jullie dan?
K: Praten.
O: Wat vind je daarvan?
K: Niet zo leuk.
O: Heb jij dan andere ideeën?
K: Ja, met prentjes.
O: Is dat al eens geweest met prentjes?
K: Neen.
O: Dat is wel een goed idee van jou. Hoe kom je daar op?
K: Dan kan ik beter begrijpen wat zij bedoelen.

Houding van de professional

Participatie gaat niet alleen om tools of methodieken. Het gaat vooral over de houding van de professional. Kinderen betrekken en hun mening vragen, heeft enkel zin als ze goed geïnformeerd zijn en precies weten waarover het gaat. Dit moet gebeuren op hun niveau, in hun taal.

“Het gaat niet alleen om tools.”

Daarbij is openheid, vertrouwen en autonomie belangrijk. Professionals moeten kinderen mee verantwoordelijkheid geven voor het verloop van het contact en zorgen voor gelijkwaardigheid en wederkerigheid. Het is belangrijk om ruimte en tijd te creëren. Dit hoeft niet groots te zijn. Er zijn veel mogelijkheden in de wijze waarop gewone gesprekken worden aangepakt.

O: Wat moeten wij aan de grote mensen vertellen als zij kinderen goed willen helpen?
K: Meer vragen stellen aan de kinderen. Wat zij willen doen, waarom zij dat willen doen.
O: Stelt men hier in de voorziening genoeg vragen?
K: Ja.
O: Wat zou een goede vraag zijn?
K: Ik weet het niet. Ik heb er niet over gedacht.
O.: Zou iemand van die mensen iets anders moeten doen?
K: Neen. Zij doen het goed, allemaal.

Kinderen willen mee bepalen welke informatie ze krijgen, waarover en in welke mate zij inspraak willen. Zij vragen vooral een open en transparante houding van de volwassene. Volwassenen moeten de eigen ideeën over wat kinderen aankunnen nog meer opzij zetten. Het vraagt moed om hen meer de regie in handen te geven.

Tevreden

De kinderen waren over het algemeen goed geïnformeerd en tevreden over het niveau van participatie. Dit is duidelijk een verschil met het eerder gevoerde onderzoek bij jongeren. Die hadden meer bedenkingen.

De kinderen waren ook tevreden over de hulp die ze kregen. Over de school was de beleving meer gemengd. Kinderen vonden de school niet leuk omwille van een strenge juf of omdat ze vriendjes van de vorige school misten.

Wij trokken de participatie-idee ook door tot het eindproduct. We presenteren de resultaten van ons onderzoek op een voor kinderen toegankelijke en aantrekkelijke manier. Via een kindvriendelijke website ontsloten we analyses, reflectievragen en quotes.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen