Taboes doorbreken
Amke studeerde af in de Sociale readaptatiewetenschappen en werkt als agogisch begeleider met jonge kinderen met een beperking. “Dat ik in de zorg werk, is geen toeval. Mijn eigen traject in de geestelijke gezondheidszorg heeft mij als persoon gevormd, en veranderde mijn blik op hoe ons zorgsysteem met jongeren omgaat. Daar wil ik heel graag mee het verschil maken.”
‘Dat ik in de zorg werk, is geen toeval.’
Een tijd terug klopte ze zelf aan bij Sociaal.Net, omdat ze haar verhaal wil delen in de hoop het taboe rond mentaal welzijn te doorbreken. Dat verhaal is er een van wachtlijsten, maar ook een van hulpverleners die het verschil maakten. Wij gingen op bezoek voor een open babbel.
Vanbinnen zat het niet goed
Amke worstelde als tiener al met haar mentale gezondheid, zo bleek achteraf. Want als tiener begreep ze zelf niet altijd hoe ze zich voelde en met wie ze erover kon praten.“Ik functioneerde, deed wat van me verwacht werd, maar vanbinnen zat het vaak niet goed.”
“Ik praatte er niet over. Niet met vrienden en niet met volwassenen. Zelfs niet toen mijn ouders me naar een psycholoog stuurden. Ik werkte niet mee en hield alles binnen. Zwijgen voelde veiliger dan benoemen wat ik zelf niet begreep.”
“Pas in het zesde middelbaar, toen ik zelf ook echt anvoelde en besefte dat ik niet oké was, zette ik de stap richting hulp. Ik nam contact op met een psychologe die een tijdje les had gegeven bij mij op school. Ze had een TikTok-account dat ik volgde. Daar deelde ze heel open persoonlijke dingen en dat gaf me moed om tegenover haar hetzelfde te doen. Ze voelde heel vertrouwd.”
“Die periode viel samen met corona. Alles wat mij tot dan toe hielp om overeind te blijven, viel weg. Hele dagen thuis zitten, maakte wat al moeilijk was plots ondraaglijk. Mijn mentale gezondheid verslechterde snel, terwijl mijn wereld steeds kleiner werd.”
Hulp komt laat
“Na het middelbaar ging ik Biomedische Wetenschappen studeren in Leuven en ging ik op kot. Ik dacht dat zelfstandigheid en afstand van thuis me zouden helpen. Het tegenovergestelde gebeurde. Ik raakte geïsoleerd, voelde me opnieuw heel eenzaam en verloor elke houvast.”
‘Jongeren leren om vol te houden, om te relativeren wat ze voelen.’
“Al na enkele maanden lukte het niet meer om uit bed te komen, zelfs niet om te eten. Op aanraden van mijn psychologe zocht ik intensievere hulp. Dat bracht me meteen bij een harde realiteit: wachtlijsten.”
“Wat mij in mijn traject het meest is bijgebleven, is hoe laat hulp vaak komt. Niet omdat jongeren geen hulp willen, maar omdat de drempels hoog zijn en signalen te vaak onderschat worden. Jongeren leren om vol te houden, om ‘niet lastig te zijn’, om te relativeren wat ze voelen. Ze leren dat het wel zal overgaan, dat anderen het erger hebben, dat ze zich niet moeten aanstellen.”
“Ik belandde zelf drie keer op de spoedafdeling omdat het echt niet meer ging, maar werd telkens weer naar huis gestuurd. Het kostte me zoveel moeite om hulp te zoeken en toch werd ik niet serieus genomen. Ik merk een groot verschil met hoe snel iedereen nu gealarmeerd is, omdat ik twee jaar geleden een poging ondernam om de pijn te stoppen. Alsof mijn woorden pas betekenis kregen nadat ze door een daad werden bevestigd. We moeten er echt voor zorgen dat het niet zover moet komen. Let op: daarmee wil ik zeker niet gezegd hebben dat je geen hulp moet zoeken voordat je zo diep zit.”

“Wanneer jongeren elkaar vooral ontmoeten in hun donkerste gedachten, kan dat verbinden, maar ook verdiepen wat al moeilijk is.”
© Sociaal.Net / Lisa Develtere
Steun op sociale media?
“In die lange periode van wachten op zorg, maar vooral op erkenning, zoeken jongeren andere plekken om gezien te worden. Voor mijn generatie zijn sociale media zo’n plek. Niet in de eerste plaats om aandacht te trekken, maar om woorden te vinden voor wat je zelf nog niet kan benoemen.”
‘Sociale media versterken wat er is, zowel het dragende als het destructieve.’
“Sociale media boden mij herkenning op een moment dat hulp nog ver weg voelde. Ik zocht bewust naar verhalen van mensen die zich ook slecht voelden. Dat gaf geen oplossingen, maar wel erkenning: dit bestaat, ik ben niet alleen. Die openheid, hoe ruw soms ook, doorbrak het gevoel dat ik de enige was die vastliep.”
“Tegelijk merkte ik hoe dun de grens is tussen herkenning en versterking van die kwetsbaarheid. Ik plaatste zelf content vanuit mijn pijn die achteraf bekeken niet helpend was, niet voor mezelf, en mogelijk ook niet voor anderen. Wanneer jongeren elkaar vooral ontmoeten in hun donkerste gedachten, kan dat verbinden, maar ook verdiepen wat al moeilijk is. En sociale media versterken wat er is, zowel het dragende als het destructieve.”
Openheid blijft nodig
“Ik ben er echt van overtuigd dat openheid over mentale gezondheid nodig blijft, ook online. Maar die openheid vraagt begeleiding en nuance. Delen dat het niet goed gaat, is iets anders dan je eigen kwetsbaarheid zonder grenzen tonen in een publieke ruimte waar algoritmes pijn belonen en reacties onvoorspelbaar zijn. Dat spanningsveld verdient meer aandacht, ook binnen de geestelijke gezondheidszorg.”
“Want die zoektocht naar erkenning buiten de hulpverlening is geen toeval. Ze ontstaat wanneer jongeren het gevoel hebben dat ze nergens terechtkunnen met wat hen bezighoudt. En wachtlijsten maken die ervaring nog scherper. Dat wachten doet iets met hoe serieus je je eigen nood nog durft te nemen.”
Achttien in de volwassenpsychiatrie
“Toen ik mijn bed niet meer uitraakte was wachten echt geen optie meer en dus koos ik er samen met mijn psychologe voor om dat niet te doen en me te laten opnemen op die ene plek die een bed vrij had: een volwassen psychiatrische instelling.”
‘Ik deelde mijn kamer met een vrouw van zeventig.’
“Ik was er de jongste en deelde mijn kamer met een vrouw van zeventig. In groepssessies zat ik samen met mensen van vijftig en ouder. Hun verhalen, problematieken en levenservaringen lagen mijlenver van de mijne. Ik herkende mezelf nergens in. En er werd veel zelfstandigheid verwacht. Hulp kwam zelden vanzelf. Als je iets nodig had, moest je er zelf om vragen. Maar dat veronderstelt dat je weet wat je nodig hebt en de kracht hebt om dat te verwoorden, net wat bij veel jongeren ontbreekt wanneer ze vastlopen.”
“Rond de feestdagen was er soms nauwelijks begeleiding aanwezig. Niemand die even kwam checken hoe het ging. Ik voelde me zo onzichtbaar, zo ongebegrepen, zo alleen. Die opname maakte me niet sterker, maar nog eenzamer.”
“Ook later belandde ik nog in crisisopvang, telkens in volwassenafdelingen. Opnieuw voelde ik hoe weinig afgestemd die zorg is op jonge mensen. Wat ik miste, was exact wat jongeren nodig hebben: verbinding, herkenning en momenten waarop het leven even normaal mag zijn.”

“Wat me nog het meeste hielp: er waren ook momenten zonder therapie. Momenten waarop je gewoon jong kon zijn samen met de anderen.”
© Sociaal.Net / Lisa Develtere
Ruimte om te landen
“Na een paar maanden schoof ik op op de wachtlijst en kon ik terecht in een voorziening specifiek voor jongeren tussen 16 en 25 jaar. In België bestaan er zo vier. Ik besef dus heel goed hoeveel geluk ik heb gehad.”
“Het verschil was voelbaar vanaf dag één. De zorg was kleinschalig, persoonlijk en op maat. Hier werd ik wel gezien, en elke dag mee op sleeptouw genomen. Hier werd ik omringd en kreeg ik tijd en ruimte om te landen, om mezelf te zijn.”
‘Samen dingen doen, voelde veel veiliger dan naar de woorden zoeken die ik niet vond.’
“Het programma was intensief: meerdere uren therapie per dag, in verschillende werkvormen zoals drama, beweging, creatieve therapie en samen koken. Niet alles draaide om praten. Dat vond ik zo fijn. Samen dingen doen, voelde veel veiliger dan naar de woorden zoeken die ik niet vond.”
“En wat me nog het meeste hielp: er waren ook momenten zonder therapie. Momenten waarop je gewoon jong kon zijn samen met de anderen. Die normaliteit, even lachen, even hangen en niets moeten, was minstens even helend.”
“Ik wil deze vorm van zorg zeker ook niet helemaal idealiseren. Jongeren samenbrengen, brengt ook risico’s met zich mee: we nemen veel van elkaar over, ook de slechte dingen, ik leerde er ook van andere jongeren wat me niet diende… Maar hier voelde ik me voor wel voor het eerst benaderd als persoon, niet als dossier.”
De kracht van nabijheid
“Tijdens mijn opname heeft één begeleider een groot verschil voor me gemaakt. Ik sprak weinig, maar zij bleef aanwezig. Altijd. Ze bleef naast me lopen, letterlijk en figuurlijk. Ze forceerde niets, maar gaf ook niet op. Haar kracht zat niet in grote interventies, maar in kleine, menselijke dingen: vragen hoe het ging en het echt willen weten. Tijd maken. Iets van zichzelf tonen. Niet alleen praten over problemen, maar ook over het leven.”
‘Geef jongeren tijd. Pushen om te praten werkt vaak averechts.’
“Dat soort nabijheid ontbreekt vaak in volwassen hulpverlening, waar tijd schaars is en rollen strikt afgebakend zijn. Voor jongeren kan net die nabijheid het verschil maken tussen afhaken en blijven.”
“Wat voor mij het beste werkte, waren hulpverleners die mens durfden zijn. Die emotie toonden. Die durfden zeggen dat iets hen raakte. Die niet krampachtig het boekje volgden. En zorg hoeft ook niet altijd zwaar en verbaal te zijn. Wandelen, samen iets doen, luchtige gesprekken: het zijn geen details, maar essentiële bouwstenen van vertrouwen. Geef jongeren tijd. Pushen om te praten werkt vaak averechts.”
Kleine dingen maken het verschil
“Vandaag sta ik zelf in de zorg. Mijn ervaringen neem ik mee in mijn werk. Soms is dat confronterend, soms verbindend. Wanneer jongeren iets van mijn achtergrond kennen, durven ze sneller naar me toe te komen.”
“Ik deel mijn ervaringen zorgvuldig. Niet om te zeggen dat ik weet hoe het voelt, maar om te tonen dat herstel mogelijk is. Omdat ik weet dat kleine dingen het verschil maken: eerlijk zijn over je eigen dag, warmte in taal, jezelf blijven als professional.”
“Hulpverleners maken daarin een wereld van verschil, ook wanneer ze dat zelf niet altijd voelen. Het is een job die vaak ondankbaar is, maar de impact is immens. Het is oké om het niet altijd te weten. Dat geldt voor jongeren, maar ook voor professionals. Soms is naast iemand blijven staan het belangrijkste wat je kan doen.”




Reacties [5]
Kleine menselijkheid tonen, het is zó herkenbaar en helend, als medemens vooral en dus zeker ook als hulpverlener/ervaringswerker …
Dank je wel voor het delen van je openhartige verhaal, Leila. Ik snap helemaal dat als jongere de verrbindien met leeftijdsgenoten heel belangrijk is. Er is echter een ding in je tekst dat voor iedereen, hoe oud of jong ook geldt; en dat is dat we allemaal hulpverleners nodig hebben die als ‘mens’ bij ons aanwezig kunnen zijn. De bestaande protocollen en kaders laten daar sowieso te weinig ruimte voor. Ik wens je heel veel goede moed en een prachtige toekomst waarin jij door jouw eigen ervaring net die extra mijl voor anderen mag blijven betekenen.
Je laatste zin over nabijheid is zo essentieel, als zorgverlener, maar ook gewoon als mens. Bedankt om je verhaal en je inzichten te delen.
Ik werk als vrijwilliger bij Lost & Co waar we luisteren naar mensen met rouw en verlies in de ruime zin van het woord. Psychisch ziek zijn is ook een vorm van verlies, je gezondheid verliezen. De overheid schuift veel af op vrijwilligers, wat ik op zich OK vind. Wat mij wel tegen de borst stoot, is dat we zelfbedruipend moeten zijn, geen subsidies krijgen, terwijl het kabinet van minister Crevits dat ik hiervoor aanschreef, ons bevestigde dat we zeer zinvol werk doen, en dat was het dan. Wij vullen een deel de leegte van waar mensen zoveel nood aan hebben, dat bevestigt ook iedereen die op ons al een beroep deed. We kunnen onze tijd beter gebruiken dan het organiseren van een breugelavond, pannenkoekenslag of wafelbak om het hoofd boven water te houden…
Dat is echter de realiteit, als je om tegemoetkomingen vraagt, geven ze niet thuis.
Helaas is er door de drang naar efficientie erg weinig tijd over om naast het meetbare werk gewoon ’te zijn’.
Ik doe het lekker toch… in mijn eigen vrije tijd…
Dat kan worden omschreven als ’te betrokken’ of ’te empatisch. Dat is dan maar zo.
Ik wil mijn werk in eer en geweten doen. Een gratis aanvulling doe ik met liefde. Mijn tijd is het mooiste die ik de leerling of zorgvrager kan geven