Op papier een eenvoudige job
Toen ik aan deze job als terugkeerconsulent begon, dacht ik dat mijn werk vooral uit informeren en helpen zou bestaan. Ik wilde een baken van duidelijkheid zijn voor mensen die in enorme onzekerheid overwegen om terug te keren naar hun land van herkomst. Het gaf me de kans om datgene waar ik voor was opgeleid ook echt in de praktijk te brengen: luisteren, transparant zijn over wat wel en niet kan, en zo vertrouwen opbouwen met wie er voor me zat.
‘Ik wilde een baken van duidelijkheid zijn.’
Op papier is onze job verraderlijk eenvoudig. Je luistert naar de hulpvraag van de persoon, legt uit wat ‘vrijwillige terugkeer’ inhoudt, welke ondersteuning mogelijk is en hoe zo’n traject er concreet uitziet. Dat doe je binnen de lijntjes van een strak beleidskader. Toch heb ik altijd geprobeerd de randjes van die regels op te zoeken. Een gezonde portie eigen handelingsruimte is immers cruciaal om het welzijn van de mens voor je voorop te kunnen blijven stellen.
Een onzichtbare groep
De praktijk is weerbarstiger. De mensen die aan mijn loket verschijnen, zijn heel divers: sommigen twijfelen, anderen hebben hun keuze ogenschijnlijk al gemaakt, en weer anderen zien simpelweg dat er geen enkele andere uitweg meer is.
Maar er is ook een groep die nooit aan mijn loket verschijnt. Het zijn de mensen in de meest precaire situaties, voor wie de drempels torenhoog zijn en wiens vertrouwen in de overheid bijna onbestaande is. Het is een groep die almaar groeit en die het beleid zo goed als buiten beschouwing laat.
De mensen die wel komen, zijn vaak moe: van procedures, van wachten, van telkens opnieuw hun verhaal te moeten vertellen. Nog eens in gesprek gaan met iemand wie zij zien als een ‘medewerker van de staat’.
Een papieren werkelijkheid
Ik merk dat door het kader waarin we werken, het vertrouwen vaak geen kans krijgt om te groeien. Sterker nog: we raken deze mensen vaak heel snel weer kwijt. De meesten zijn immers op zoek naar veiligheid of een beter leven dat niet gewaarborgd kan worden in het land van herkomst.
In die zin is terugkeerbegeleiding na een weigering van een verzoek om internationale bescherming of een andere verblijfsprocedure zelden een positieve keuze. De weerstand die we daarbij ontmoeten is dan ook geen onwil, maar een begrijpelijke reactie op een ‘papieren werkelijkheid’ waar migranten zelf niet altijd volledig voor gekozen hebben.
De prijs van terugkeersteun
Sinds kort geldt er een nieuwe voorwaarde voor onze hulp. Wie terugkeersteun wil, moet in het bezit zijn van een ‘bevel om het grondgebied te verlaten’. Dit administratieve document bevestigt dat iemand België en het Schengengebied moet verlaten.
Een deel van de mensen die zich tot ons wenden, heeft zo’n bevel al op zak. Er is echter ook een grote groep die dit niet heeft, omdat zij nog in een asiel- of andere verblijfsprocedure zitten, maar toch willen terugkeren. Voor hen betekent deze nieuwe regel dat zij eerst afstand moeten doen van hun lopende procedure, om vervolgens zelf zo’n bevel te laten uitreiken.
Dat is een ingrijpende stap, want zodra dat bevel er ligt, is er vrijwel geen weg meer terug. Men moet dan vertrekken. Wat die harde realiteit in de praktijk betekent wil ik graag tastbaar maken aan de hand van MoussaMoussa is een fictieve naam. Dit artikel is een verzameling van verschillende verhalen die in ons onderzoek naar voren kwamen.
Het verhaal van Moussa
Moussa zat tegenover mij met een mapje op zijn schoot, waaruit hij na een tijdje aarzelend een blad haalde. Het papier was al een paar keer gevouwen en weer geopend, de plooien liepen als bleke lijnen over de tekst. Hij liet het tussen ons in liggen.
“Ik ben dit gaan vragen bij vreemdelingenzaken,” zei hij, terwijl hij met zijn hand over de rand streek. Ik herkende het in één oogopslag aan de vorm en de plaats waar de datum stond: een bevel om het grondgebied te verlaten.
‘De spanning werd tastbaar toen ik uitlegde wat dit document betekent.’
“Mag ik nu weg?” Ik schrok even van zijn vraag. Niet omdat iemand niet zou mogen vertrekken, vertrekken kan immers altijd, maar omdat het daar eigenlijk niet om ging: met dat bevel móest hij vertrekken. Het was geen mogelijkheid meer, maar een verplichting.
Ik voelde die spanning tastbaar worden toen ik Moussa stap voor stap begon uit te leggen wat dit document voor hem betekent.
Een definitieve streep door de asielprocedure
Het document betekent om te beginnen dat hij toegang krijgt tot de ondersteuning voor wat we ‘vrijwillige’ terugkeer noemen. Ik legde uit hoe zo’n traject en ondersteuning eruit kon zien: dat hij documenten moest aanvragen, een paspoort of een laissez-passer, bij een ambassade die niet altijd meewerkt. Dat er gesprekken volgen waarin hij moest nadenken over waar hij in zijn land van herkomst naartoe kan, bij wie hij terechtkan, wat hij daar opnieuw kan opbouwen. Zware gesprekken, die veel van iemand vragen.
Een ander deel van het gesprek vroeg om woorden die veel moeilijker te vinden waren. Dat hij, door afstand te doen van zijn verzoek om internationale bescherming, dat bevel in zekere zin zelf had ‘aangevraagd’, zoals hij het zelf verwoordde. Dat dit bevel de definitieve streep trok door zijn asielprocedure en tegelijk de deur opende naar de ondersteuning die we hem kunnen bieden voor zijn terugkeer.
Maar het betekende ook dat de rechten die hij had, wegvielen. Dat hij, vanaf dat moment, zonder wettig verblijf was en het risico liep om opgepakt te worden.
Eerst alles verliezen
Ik wist dat ik waarschijnlijk niet de eerste was die hem dit uitlegde: misschien had de sociaal werker van het opvangcentrum waar hij verbleef tijdens zijn procedure hem ingelicht over de mogelijke toekomstscenario’s. Of indien Moussa al eerder asiel had aangevraagd en al jaren in een precaire verblijfssituatie zat, dan waren er vermoedelijk heel wat hulpverleners en straathoekwerkers die hem in die periode hadden begeleid.
‘Dus om hulp te krijgen, moet ik eerst alles verliezen?
“Dus om hulp te krijgen om te vertrekken”, zei hij, “moet ik eerst alles verliezen om te blijven?” Mijn volgende afspraak was intussen al aangekomen. Ik had geen tijd om echt te antwoorden op wat hij zei, maar misschien had dat ook weinig uitgemaakt.
Ik weet niet of er woorden zijn, of genoeg empathie en begrip, die zo’n uitspraak echt kunnen opvangen. Terwijl de deur achter hem dichtviel, wist ik niet of onze wegen elkaar nog zouden kruisen.

“Wat betekent instemmen met terugkeer wanneer alle andere deuren dicht zijn?”
© Unsplash / Eduard Delputte
Twee waarheden aan één tafel
Achteraf dacht ik aan hoe verschillend we hier zelf over spreken. Sommige collega’s zeggen met veel overtuiging: “We helpen mensen om een toekomst op te bouwen elders, als hier geen toekomst meer mogelijk is.” Anderen uiten hun ongenoegen over het feit dat ‘vrijwillig’ in ‘vrijwillige terugkeer’ steeds meer een hol begrip wordt.
En beide lijken tegelijk waar. Soms zijn migranten oprecht opgelucht dat er een concreet plan is. Hoe moeilijk ook, ze verkiezen het boven nog maanden of jaren overleven in totale onzekerheid, zonder opvang of rechten. Maar wat betekent instemmen met terugkeer wanneer alle andere deuren dicht zijn? Wat betekent begeleiden naar ‘vrijwillige’ terugkeer wanneer die vrijwilligheid onder druk staat, en de ruimte waarin die beslissing wordt genomen zo klein is geworden?
‘Sommige mensen verkiezen terugkeer boven nog maanden of jaren overleven in totale onzekerheid.’
Waar onze job vroeger vertrok vanuit ondersteuning in concrete dossiers, botsen we nu dagelijks op bredere, politieke vragen over onze eigen rol en positie. En ook de taal begint mee te schuiven. Woorden als ‘begeleiding’ en ‘opvolging’ beginnen steeds meer op elkaar te lijken.
Een lege gereedschapskist
Soms voelt het alsof de handelingsruimte die we als individuele sociaal werkers proberen te behouden, niet meer volstaat. De kernvaardigheden waar het sociaal werk zo trots op is: luisteren zonder te oordelen, emoties opvangen, een vertrouwensband opbouwen, zijn nog altijd mijn grootste drijfveer.
Maar ik merk ook hoe diezelfde vaardigheden steeds makkelijker inzetbaar worden in een systeem dat niet alleen gericht is op ondersteunen, maar ook controle. De prangende vraag is dan ook niet hoe we mensen moeten begeleiden, maar eerder waartoe onze begeleiding vandaag eigenlijk dient.
Het verblijdt me dan ook niet dat ervaren collega’s uitgeblust afhaken. Zoals LuciaLucia is een fictieve naam. Dit verhaal is een verzameling van verschillende verhalen die in ons onderzoek naar voren kwamen., met wie ik de voorbije tien jaar heb samengewerkt. Ze voelde dat wat ze kon aanbieden steeds vaker bepaald werd door beleidsverwachtingen, niet door wat iemand nodig had.
Bovendien voelt het soms alsof we met een lege gereedschapskist aan tafel zitten. De instrumenten die we hebben, zoals de beperkte re-integratiebudgetten, schieten simpelweg tekort om iemand een écht duurzaam en realistisch toekomstperspectief te bieden. Dat heeft me doen denken over hoe het nog mogelijk is om in deze job te blijven functioneren, terwijl de context waarin je je werk uitvoert radicaal verandert.
Opstandige bureaucraten
Tegelijk zie ik ook iets anders: hoop. De voorbije maanden heb ik veel energie gehaald uit collega’s die zich uitspreken. Zoals de 477 medewerkers die samen een open brief schreven aan de Minister van Asiel en Migratie, uit bezorgdheid over het beleid waarbij mensen die recht hebben op opvang, die opvang niet krijgen.
Zij zijn wat men in de literatuur ‘opstandige bureaucraten’ noemt: ambtenaren die hun administratieve neutraliteit achterlaten en zich opstellen als geëngageerde actoren om onrecht van de staat van binnenuit ter discussie te stellen.
Het doet iets om te zien dat die onrust niet alleen van mij is.
Iets doen met onrust
Ik schrijf dit dus als weergave van een stand van zaken, maar ook om niet te laten verdwijnen wat soms begint te wringen. Onrust is niet iets dat we te snel moeten gladstrijken. Maar het is ook niet genoeg om ze alleen te voelen. We moeten er iets mee doen, hoe klein ook.
En ik weet hoe vermoeiend dat is. Ik zie collega’s die moe worden van het voortdurend in vraag stellen, van het proberen begrijpen van nieuwe maatregelen, van het zoeken naar hun plaats daarin. Zeker wanneer het beleid verder opschuift: wanneer er gesproken wordt over woonstbetredingen bij mensen zonder wettig verblijf, of over nieuwe Europese plannen met terugkeerhubs en verregaande inreisverboden.
‘We kunnen blijven kiezen, telkens opnieuw, om mens te blijven in hoe we dit werk doen.’
En toch. We zijn met velen die blijven zoeken naar ruimte, hoe klein die soms ook is. Soms zit die ruimte gewoon in een gesprek dat niet wordt afgehaspeld. In iemand die ons loket verlaat met iets meer duidelijkheid dan waarmee hij binnenkwam. In het weigeren om mensen te reduceren tot een dossier.
Misschien is dat niet genoeg. Maar het is ook niet niets.
Er is nog altijd iets dat we kunnen vasthouden. En misschien begint dat precies daar: in het blijven zien van wat er op het spel staat, en in het blijven kiezen, telkens opnieuw, om mens te blijven in hoe we dit werk doen. Want misschien is dat vandaag één van de weinige manieren om sociaal werk sociaal te houden.


Reacties [2]
Goh, Philip, mensen die migreren en geen expat zijn betalen vaak enorm veel om weg te raken doordat ze geen visum en geen toegang tot een legale route hebben.
En vasthouden, “met het oog op verwijdering”, maar wat wel tot 18 maanden mag, en de afbraak nu al meerdere jaren van LOI’s, lokale opvanginitiatieven, waardoor mensen meer verspreid leefden en meer autonomie hebben en meer kunnen integreren, dat beleid kost meer dan mensen zelf te laten wonen leven zich organiseren. Opsluiting heeft naast een grote menselijke kost ook een grote financiële kost. Ik vraag me vaak af wie wint ook financieel bij een afschrikbeleid en focus op teurugkeer. Europa heeft werkkrachten nodig, loyale werkkrachten zijn er zeker onder mensen die in het asielsysteem terechtkomen en bij andere migranten.
de realiteit is altijd: wie betaalt, bepaalt; dus overheid betaalt en zet de richtlijnen uit. Of er rekening gehouden wordt met de mens?