Verhaal

Taaldocent loopt stage in welzijn: ‘Grenzen maken zorg menselijk’

Karen De Loenen

Germanist en docent Karen De Loenen (Hogeschool UCLL) leidt studenten op die later in de welzijnssector aan de slag gaan. Om die sector beter te leren kennen, stapte ze uit haar comfortzone en ging zelf op stage. Ze getuigt over wat ze leerde over zorg, grenzen en samen eten.

Foto ter illustratie.

© Pexels / Nicola Barts

Diversiteit is een realiteit

Ik ben Karen. Ik studeerde Germaanse talen en werkte jarenlang in de lerarenopleiding. Zoals het een ‘moving mind’ betaamt in een hogeschool die die slagzin ernstig neemt, belandde ik gaandeweg ook in de opleidingen welzijn. Vandaag geef ik les in de bacheloropleiding Orthopedagogie.

Dat doe ik samen met collega’s die jarenlang in de sector gewerkt hebben of er nog steeds middenin staan. Maar ook met collega’s zoals ik: mensen met een achtergrond in criminologie, politieke wetenschappen, filosofie of zelfs farmacie. Die diversiteit is geen uitzondering in het hoger onderwijs. Ze is een realiteit.

‘Ik sprak met studenten over nabijheid, structuur, draagkracht en grenzen, terwijl ik zelf nooit in een voorziening had gewerkt.’

Toch knaagde er iets. Ik sprak met studenten over nabijheid, structuur, draagkracht en grenzen, terwijl ik zelf nooit in een voorziening had gewerkt. Ik kon theorie duiden, taal geven aan processen, kaders uitleggen. Maar voelde steeds sterker dat ik de grond onder mijn voeten miste. Dat ik te veel sprak over welzijn, en te weinig vanuit welzijn.

Dus deed ik wat ik mijn studenten vaak aanraad: ik stapte uit mijn comfortzone en werd opnieuw stagiair. Niet één keer, maar twee keer. In twee heel verschillende organisaties: een eerste keer in een leefgroep met kinderen en jongeren met een meervoudige beperking, een tweede keer in een therapeutische gemeenschap binnen de verslavingszorg.

Dat ervaringsleren heeft mijn blik blijvend veranderd. Niet omdat ik plots een ‘echte hulpverlener’ werd, maar omdat ik leerde kijken. En voelen. En twijfelen. Wat volgde, waren geen grote inzichten uit handboeken, maar lessen uit de praktijk. Ze lijken soms banaal, maar precies daarin schuilt hun kracht.

Samen eten is geen detail

Er is niets zo verbindend als eten. Dat wist ik rationeel al. Maar pas in de praktijk voelde ik wat dat werkelijk betekent.

Eten is het moment waarop het echte leven binnenkomt. Waar een basisbehoefte wordt vervuld en tegelijk ruimte ontstaat voor gesprek. Waar mensen even tot rust komen. Waar structuur voelbaar wordt. Waar iemand gezien wordt, zonder dat daar grote woorden voor nodig zijn.

‘We onderschatten de kracht van samen aan tafel zitten.’

In hulpverlening hebben we het vaak over veiligheid, nabijheid en relatie. Maar we onderschatten tegelijk de kracht van samen aan tafel zitten. Niet vluchtig, niet functioneel, maar als vast ijkpunt in de dag. Een moment waarop niets anders moet dan eten, aanwezig zijn en misschien iets delen.

Ik zag hoe eetmomenten een stabiele basis bieden in levens die vaak allesbehalve stabiel waren. Hoe voorspelbaarheid rust brengt. Hoe kleine afspraken – wanneer, hoe en waar we samen eten – houvast geven. Niet alles kan, niet alles mag, maar precies daarin zit de veiligheid.

Het lijkt banaal. Maar in hulpverlening is er weinig fundamenteler dan dat. Niet voor niets roept kinderpsychiater Peter Adriaenssens ouders op om samen met hun kinderen te eten. Die oproep geldt minstens even hard in welzijnscontexten. Samen eten is geen bijzaak. Het is zorg in haar meest concrete vorm.

Zonder duidelijke visie verliest hulpverlening haar kracht

Hulpverlening kan pas werken wanneer ze vertrekt vanuit een heldere, afgebakende visie. Ik zag organisaties waar tot in de kleinste handeling duidelijk is waar men voor staat. Wat het doel is. Wat wel kan en wat niet. Die helderheid werkt niet beperkend, maar net bevrijdend. Voor cliënten én voor medewerkers.

We leven in een tijd waarin inclusie vaak wordt vertaald als: iedereen moet bereikt worden, alles moet kunnen, niemand mag uit de boot vallen. Dat klinkt warm en menselijk, maar ik ben er steeds minder van overtuigd dat het ook realistisch is. Mijn stage leerde me dat hulpverlening juist krachtiger wordt wanneer ze durft zeggen: “Dit is wat wij doen, dit is wat wij niet doen”.

‘Wanneer alles mogelijk is, wordt niets meer duidelijk.’

Je missie goed afbakenen, is geen vorm van uitsluiting. Het is een voorwaarde om echt nabij te kunnen zijn. Wanneer alles mogelijk is, wordt niets meer duidelijk. En zonder duidelijkheid is er geen veiligheid.

Ik zag hoe een scherpe visie richting geeft op moeilijke momenten. Hoe ze helpt om keuzes te maken die pijnlijk zijn, maar eerlijk. Niet vanuit willekeur, maar vanuit een gedeeld kader. Dat vraagt moed. En het vraagt dat organisaties die visie ook consequent uitdragen, zelfs wanneer dat schuurt met maatschappelijke verwachtingen.

Grenzen maken zorg menselijk

Dat brengt me bij een derde inzicht: grenzen maken hulpverlening niet koud, maar menselijk.

In het onderwijs merk ik hoe moeilijk we het hebben met begrenzen. We willen mild zijn, begripvol, ondersteunend. Dat is waardevol. Maar zonder grenzen wordt zorg diffuus. Dan ontstaat afhankelijkheid. Dan nemen hulpverleners verantwoordelijkheden over die niet van hen zijn.

‘Grenzen zijn geen teken van onwil, maar van respect.’

In de praktijk zag ik hoe grenzen net relationeel werken. Hoe ze duidelijkheid scheppen. Hoe ze mensen aanspreken op hun eigen kracht en verantwoordelijkheid. Niet door hen los te laten, maar door hen ernstig te nemen.

Dat botste soms met mijn eigen reflexen. Met mijn neiging om te willen zorgen, te willen dragen, te willen verzachten. Voor het eerst besefte ik dat we studenten allerminst moeten leren anderen te helpen. Ze moeten er zijn. Niet meer dan dat. De instrumenten en grenzen aanreiken zodat mensen zelf hun leven in handen nemen. Hulpverleners moeten zichzelf overbodig maken. Grenzen zijn daarin geen teken van onwil, maar van respect. Ze zeggen: ik geloof dat jij dit kan dragen, met ondersteuning, maar niet in mijn plaats.

“Graag zien is geen vanzelfsprekendheid. Het vraagt inspanning. Het vraagt dat je dicht bij jezelf blijft, ook wanneer iemand alles in jou raakt waarvoor je allergisch bent.”

© Unslpash / Hannah Busing

Verbinding: een woord dat pas betekenis krijgt in de praktijk

In mijn job hoor ik het woord verbinding voortdurend. Het staat in visieteksten, opleidingsprofielen en beleidsnota’s. Voor mij was het een leeg woord geworden. Te vaak herhaald, te weinig doorleefd.

Tot ik het meemaakte.

In de opleidingen discussiëren we vaak over ‘nature’ en ‘nurture’. Collega’s zeggen dan: “Hulpverlening is een way of life, je hebt dat in je of je hebt dat niet.” Misschien klopt dat wel. Net zoals bij leraren, artsen of brandweermensen. Je kan veel leren, maar zonder een bepaalde houding kom je nergens.

‘Verbinden is in wezen simpel: jezelf zijn. Maar je moet jezelf goed kennen.’

Wat ik in de praktijk zag, was tegelijk eenvoudiger en moeilijker dan ik dacht. Verbinden is in wezen simpel: jezelf zijn. Maar dat veronderstelt iets wat allesbehalve vanzelfsprekend is. Je moet jezelf goed kennen. Je moet jezelf kunnen verdragen. Misschien zelfs: jezelf graag zien. En je moet doen wat je zegt, en zeggen wat je doet.

Ik begreep dat pas echt toen ik ging wandelen met een klein meisje dat niet sprak en in een rolstoel zit. Ik neuriede zachtjes een liedje in haar oor en voelde hoe ze me hoorde. Ze begon te lachen, voluit. Dat moment had niets spectaculairs, maar alles klopte. We ontmoetten elkaar. We zagen elkaar, elk op onze manier.

In de verslavingszorg kreeg verbinding een ander gezicht. In gesprekken ging het over angst voor de toekomst, over trauma’s die niet verdwijnen, over kansen die gemist zijn. Over gevoelens die je niet kan oplossen, maar wel kan bijhouden en dragen. Dat vraagt geen grootse interventies, maar aanwezigheid. Echte aandacht. En de moed om het ongemak niet meteen weg te duwen.

Liefde is de kern van zorg

“Zie mij.”
“Zie mij graag.”

Dat is wat ik elke dag zag, bij cliënten én bij medewerkers. Soms expliciet, vaak stil. En tegelijk besefte ik hoe weinig ruimte liefde nog krijgt in professionele contexten. Alsof het verdacht is. Te vaag. Te emotioneel. In het huidige klimaat hebben we het sneller over integriteit dan over liefde.

Nochtans gaat echte zorg over nabij zijn wanneer het nodig is. Niet oplossen, niet fixen, maar blijven. Dat heb ik gezien. Bij begeleiders die elke dag opnieuw kiezen om nabij te blijven, ook wanneer dat moeite kost.

Graag zien is geen vanzelfsprekendheid. Het vraagt inspanning. Het vraagt dat je dicht bij jezelf blijft, ook wanneer iemand alles in jou raakt waarvoor je allergisch bent. Ik hoorde collega’s keer op keer spreken over ‘echt zijn’. Niet als slogan, maar als dagelijkse praktijk. Iemand zien voor wie die is, met alles wat moeilijk, lastig of confronterend is.

In de verslavingszorg zag ik hoe confrontatie en zorg perfect kunnen samengaan. Een begeleider die streng is, duidelijk, soms hard, en daarna zegt: “Alles wat ik doe, doe ik uit liefde.” Dat lijkt paradoxaal, maar het klopt. Wie de ander de moeite waard vindt, durft een relatie ook onder druk te zetten.

‘Vroeg en nabij’: een mooie belofte, een pijnlijke realiteit

In beleidsteksten klinkt het overtuigend: vermaatschappelijking van de zorg, vroeg en nabij ingrijpen. Op papier is het een warm verhaal. In de praktijk ervoer ik het vaak als een desillusie.

In de verslavingszorg ontmoette ik mensen die de onderkant van de samenleving kennen. Mensen die al sinds heel jonge leeftijd middelen gebruikten. Die niet gezien werden. Waar geen leerkracht, geen CLB-medewerker, geen hulpverlener tijdig dat vaatje liefde bijvulde.

‘De idee dat vroeg en nabij vanzelf gebeurt, is een utopie.’

We klagen vandaag over wachtlijsten, over overvolle gevangenissen, over complexe problematieken. Maar zelden stellen we de vraag waar onze maatschappelijke verantwoordelijkheid ligt. We hadden vroeger, sneller en nabij moeten ingrijpen. Niet wanneer alles al ontspoord is, maar toen het nog wankel was.

De idee dat vroeg en nabij vanzelf gebeurt, is een utopie. Het vraagt mensen, tijd, aanwezigheid en continuïteit. Het vraagt misschien zelf een gigantische maatschappelijk shift waarin mensen terug voor mensen zorgen. Met het wegvallen van bijvoorbeeld religieuze instellingen, zijn die waarden onbewust misschien ook wat verdwenen.

Hoe gemakkelijk is het mensen te verstoppen in hulpverlening: los het daar maar op. Hoe onzichtbaar zijn de cliënten die ik leerde kennen in onze maatschappij. Vroeg en nabij vertrekt vanuit een maatschappij die in de kern solidair is en daar hebben we nog een heel lange weg te gaan.

Spreidstand tussen zorg en geld

Ik geef zelf les over beleidsstructuren. Ik leg studenten vaak uit dat overheden in de eerste plaats het geld tellen, niet het welzijn van mensen. Lange tijd dacht ik dat dat op de werkvloer weinig voelbaar was. Dat had ik onderschat.

‘Structurele onzekerheid is altijd aanwezig.’

Ook in de zorg moet de boekhouding kloppen. Subsidies moeten verantwoord worden. Om de paar jaar moeten voorzieningen opnieuw vechten voor middelen, bij een overheid die zelden dicht bij de praktijk staat en weet hoe het er daar aan toegaat.

Dat schuurt. Niet omdat zorgverleners hun job anders zouden doen, maar omdat structurele onzekerheid altijd aanwezig is. Wat als beleidsmakers zelf eens écht zouden ervaringsleren? Niet op werkbezoek, maar mee op de vloer, een paar weken lang. Het zou misschien veel beleidsnota’s overbodig maken.

Wat ik meeneem naar de campus

Terug op de campus kijk ik anders naar mijn job. Ik sta nog steeds voor de klas als germanist. Taal blijft mijn instrument. Maar mijn woorden zijn concreter geworden. Minder abstract. Minder vrijblijvend.

Ik weet nu beter waar ik het over heb wanneer ik spreek over nabijheid, structuur of grenzen. Ik durf studenten meer uitdagen op duidelijkheid. Op visie. Op hun eigen comfortzone. Niet omdat dat gemakkelijk is, maar omdat ik heb gezien hoe noodzakelijk het is.

‘We moeten blijven leren van de praktijk. Dat we durven erkennen wat we niet weten.’

Onze welzijnsgerichte opleidingen worden gedragen door mensen met uiteenlopende achtergronden. Dat is geen zwakte, maar een sterkte. Voorwaarde is wel dat we blijven leren van de praktijk. Dat we durven erkennen wat we niet weten. En dat we, net als onze studenten, af en toe opnieuw stagiair worden.

Mijn traject was geen rechte lijn. Maar het was wel leerzaam. En misschien is dat wel de kern van welzijnswerk: blijven leren, blijven bijstellen, en nooit vergeten dat zorg vaak begint bij iets heel eenvoudigs.

Samen aan tafel.
Grenzen die houvast geven.
En iemand die blijft, ook wanneer het moeilijk wordt.

Reacties [4]

  • Stefanie Deygers

    Heel mooi geschreven. Deze tekst/verwoording raakt de kern van ons bestaan aan, als mens, buur, collega, familielid,… én professional in de zorg/hulpverlening. We werden ook even gezien. :) Bedankt!

  • Philippe Sonck

    Wat een sterk ervaringsverslag! Ik zou de auteur willen vragen om dit artikel bv aan de krant ‘De Standaard’ te presenteren onder haar rubriek ‘zieners’. Want naast zieners op economisch of geopolitieke vlak hebben we ook zieners nodig op sociaal emotioneel vlak. Het dagelijks leven met mekaar is en blijft de leerschool.
    Proficiat.

    • Ann Vanhauwaert

      Het zou inderdaad mooi zijn mochten deze woorden niet alleen collega’s in de zorg beroeren, maar vele lezers van weekendkranten of -magazine.

  • Els Van den Buys

    Duidelijke en eenvoudige boodschap die de kern raakt van wat wij hulpverleners als basis willen meegaan: een betrokken relatie aangaan, helpende grenzen, er zijn als het moeilijk gaat en telkens opnieuw kunnen beginnen. Ik geef het artikel alvast door aan onze studenten.

We zijn benieuwd naar je mening!
Blijf hoffelijk, constructief en respectvol

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.