Een kronkelend pad door het werkveld
Gard Bemelmans is coördinator van het Geïntegreerd Breed Onthaal (GBO) Demerland. Dat is een eerstelijnsnetwerk waar CAW, OCMW en diensten maatschappelijk werk van de mutualiteiten samenwerken aan een toegankelijke en laagdrempelige hulp.
In dat partnerschap komt een talent van Gard goed van pas: verbinden. Wij kennen Gard als iemand die graag mensen samenbrengt en een goed overzicht heeft van het sociale werkveld in haar regio. We leerden haar kennen vanuit het platform Sterk Sociaal Werk Vlaams-Brabant, waar ze enthousiast mee op de kar sprong om mensen uit heel het werkveld samen te brengen op World Social Work Day.
Dat klinkt misschien makkelijk: mensen samen brengen. Maar in een werkveld dat vaak uit elkaar wordt gespeeld, is het niet evident. Hulpverleners kennen vaak weinig sociale professionals uit andere organisaties. Gards 42 jaar aan ervaring en contacten, is daarin een grote plus.
‘Ik ben heel wat verschillende wegen ingeslagen, maar uiteindelijk keerde ik toch steeds terug naar mijn basis.’
Ze heeft dan ook heel wat kanten van het sociaal werk gezien. Haar carrière liep van een vluchthuis voor vrouwen, naar de Volksscholen, langs de sociale economie en het schoolopbouwwerk… Om dus uiteindelijk te landen bij het Geïntegreerd Breed Onthaal. “Ik ben heel wat verschillende wegen ingeslagen. Tussendoor was ik zelfs nog even drukker. Maar uiteindelijk keerde ik toch steeds terug naar mijn basis: bezig zijn met het beleid, met netwerken en met mensen”, vertelt Gard.
Binnenkort zet ze een punt achter die gevarieerde carrière. En omdat we elke keer dat we haar spreken, iets opsteken, besloten we dit keer pen en papier mee te nemen om haar kennis ook met anderen te delen.
Er is veel veranderd tijdens jouw loopbaan. Maar is er ook iets dat je meer dan veertig jaar gelden leerde in je opleiding en nu nog altijd toepast?
“Ik bekijk problemen nog steeds vanuit een helikopterperspectief. Als ik op een vraagstuk bots, dan benader ik dat nog altijd vanuit alle invalshoeken. Praktijkwerkers hebben hun expertise en kijken vanuit hun perspectief, maar ook mensen binnen het beleid hebben hun eigen kijk. Beiden met elkaar verbinden is cruciaal.”
“Want het gaat niet enkel over wat we beter kunnen doen voor mensen, maar ook over hoe we meer structureel kunnen ingrijpen. Dat maatschappelijk denken kreeg ik heel sterk mee in mijn afstudeerrichting sociaal-cultureel werk.”
‘Het gaat niet enkel over wat we beter kunnen doen voor de mensen, maar ook over hoe we de systemen structureel kunnen veranderen.’
“Dat structureel werken past ook goed bij me. Mijn eerste werkervaring was daarvan het bewijs: ik startte als medewerker van een vluchthuis. Het kon perfect zijn dat er om kwart voor vijf nog een telefoon kwam en dat ik daar dan nog tot tien uur ‘s avonds mee bezig was. Als er iemand aan de deur staat, kun je niet zeggen: ‘kom morgen maar terug’. Ik heb me altijd verantwoordelijk gevoeld. De verhalen van geweld en trauma raakten me en als jonge sociaal werker was dat te veel.”
“Uiteindelijk koos daarom ik voor het sociaal cultureel-werk en het opbouwwerk, in plaats van voor die individuele hulpverlening. Het maakt deel uit van mijn gedrevenheid, het bepaalt mijn kijk. De basis van mijn werk is effectief luisteren naar verhalen en verbinding maken, zonder dat er per se iets moet gebeuren op individueel niveau.”

“De basis van mijn werk is luisteren naar verhalen en verbinding maken, zonder dat er per se iets moet gebeuren op individueel niveau.”
© ID / Mine Dalemans
Kun je daar een concreet voorbeeld van geven?
“Toen ik schoolopbouwwerker was in Leuven startte ik het project ‘Kamileon’, de afkorting van Kansarme Migranten in het Leuvense Onderwijs). We hebben toen 24 basisscholen samengekregen om rond kansarmoede te werken. Met oude wasdrogers drukten we in de kleuterklassen taalboekjes.”
“Zo stimuleerden we hun taalontwikkeling met verhalen die ze uit hun eigen leefwereld aanbrachten. Dus ook verhalen over hoe moeilijk het thuis soms ging, verhalen over hun ervaringen met kansarmoede… Hun boekjes werden dan in de schoolbibliotheek gezet en vaak opnieuw uit het rek genomen.”
“Dat was prachtig. Het bestaat nu nog als een ingeburgerde techniek in de basisscholen. We hebben daarmee in Leuvense basisscholen het thema kansarmoede bespreekbaar gemaakt. Daar ben ik echt trots op.”
Wat we nu vaak benoemen met woorden als ‘outreachen’ of ‘politiserend werken’, beschrijf jij als de normaalste zaak ter wereld. Maken we het te ingewikkeld?
“Ik neem dikwijls het openbaar vervoer en maak dan altijd een praatje met iemand. Maar als ik rond mij kijk, ben ik de enige die dat doet. Verder zit iedereen naar een schermpje te kijken.”
‘Vroeger was dat heel normaal: babbelen met iedereen die je tegenkwam.’
“Vroeger was dat heel normaal: babbelen met iedereen die je tegenkwam, voortdurend sociale contacten leggen, met kennissen maar ook met vreemden. En nu moeten we mensen opnieuw gaan leren hoe ze contact moeten leggen met anderen. Ook voor een sociaal werker is dat tegenwoordig een opdracht.”
Als je even achterom kijkt, wat heb je dan allemaal zien veranderen?
“Veranderen? Ik vraag me vaak af waarom we nog niet verder staan. En dan heb ik het vooral over de publieke opinie. Neem nu die ‘Foto van Vlaanderen’, als je daar hoort hoe jongeren kijken naar de maatschappelijke positie van vrouwen, dan vind ik dat vreselijk. Staan we nog maar hier, na die hele feministische strijd?”
“Ook het huidige beleid hakt in op moeizaam verworven rechten. Kijk bijvoorbeeld naar de regels rond de studiebeurzen die strenger worden. Zo’n streng onderwijsbeleid hypothekeert de toekomst van een hele groep burgers. En dat terwijl zelfs heel wat ministers hun diploma niet in de vooropgestelde jaren haalden. Ik deed er zelf ook een jaar langer over. Is dat dan zo verkeerd?”
“Zowat elke hervorming gaat in dezelfde richting: meer plichten en minder rechten voor wie al kwetsbaar is of niet netjes in de pas loopt.”
Werken sociaal werkers te veel mee aan die dynamiek?
“Ik zie nog veel sociaal werkers die hun werk vanuit een passie doen, die bewuste keuzes maken en zich verzetten. Maar als ik bijvoorbeeld kijk naar hoe sociaal werkers in OCMW’s binnen de lijntjes en kaders moeten blijven, dan kan ik me voorstellen dat dit steeds moeilijker wordt.”
‘Het is in een klein, landelijk OCMW niet evident om iedereen vooruit te helpen.’
“Tegelijk zijn er ook sociaal werkers die helaas minder overtuigd zijn van het rechtenverhaal. Het hangt er nog sterk van af bij wie je terecht komt om alles in orde te krijgen. Het is in een klein, landelijk OCMW niet evident om iedereen vooruit te helpen. Maar daar ligt dan een rol voor het lokale beleid om actief te kiezen voor een sterke sociale insteek.”
Kan je als sociaal werker dicht genoeg bij die lokale beleidsvoerders geraken om zaken aan te kaarten en te veranderen?
“Via mijn outreachende acties in het kader van het GBO is dat wel gelukt. Ik moest bijvoorbeeld per gemeente in kaart brengen welke energievoordelen er waren. Op de website van een van de gemeentes kon ik daarover niets terugvinden. En als ik het niet kan vinden, dan wil dat zeggen dat geen enkele burger dat vindt. Ik heb dat aangekaart en dan is dat lokale bestuur ermee aan de slag gegaan.”

“Ik maak me zorgen over het gebrek aan respect dat de sociale sector krijgt.”
© ID / Mine Dalemans
Je hebt zelf zowel in stedelijke als in landelijke contexten gewerkt. Is dat een groot verschil?
“Er is tegenwoordig meer aandacht voor de landelijke gemeenten. Er zijn ook heel wat mooie projecten, zoals de buurtkar in Aarschot die heel aanklampend werkt, of de Babbelbus die binnenkort start in Scherpenheuvel-Zichem. Ook het feit dat we van start zijn gegaan met de daklozentelling in deze landelijke regio is een plus. Zo praten we over deze thema’s en ontwikkelen we een gemeenschappelijke visie.”
“Maar er zijn ook verschillen: in landelijke regio’s zie ik minder aandacht voor klimaatverandering. Vergrijzing is er wel een belangrijk aandachtspunt, met vereenzaming en mobiliteit als grote uitdagingen. Een krimpend aanbod van openbaar vervoer maakt mobiliteit voor kwetsbare gezinnen die in een landelijke regio wonen, steeds duurder. Ik vraag me wel af of een kleine landelijke gemeente voldoende kan wegen op het beleid van bijvoorbeeld De Lijn.”
Wat geeft je het meeste hoop en wat baart je de meeste zorgen voor de toekomst van het sociaal werk?
“Ik maak me zorgen over het gebrek aan respect dat de sociale sector krijgt. Ik zie dat heel breed: dat gaat ook over de vele vrijwilligers die heel actief zijn en die heel wat gaten van het maatschappelijk werk opvullen. Daar wordt voor mij te weinig erkenning aan gegeven. Maar het geeft mij ook hoop dat die mensen er nog wel altijd zijn, ondanks de negativiteit.”
‘We moeten opnieuw de barricades op.’
“Het geeft mij ook hoop om te zien dat er opnieuw mensen zijn die een engagement uitspreken. Zoals de studenten die voor de Palestijnen opkomen en durven actie ondernemen. Verandering is een complexe dynamiek. Maar opnieuw de barricades op kan nooit kwaad.”
“Ik kijk vol verwachting naar de jonge sociale professionals die in onze voetsporen gaan treden. Ze moeten er blijven voor gaan en mogen niet te snel hun passie en hoop opgeven. Ook als de omstandigheden niet gunstig zijn, dienen zich nieuwe opportuniteiten aan. Je kan het verschil maken voor mensen. Kwetsende structuren kan je breken. Dat klinkt ambitieus maar ik leerde zelf dat je daarin een haalbare weg kan vinden.”


Reacties