Niet oké
We moeten anders omgaan met vrouwen die proberen vluchten van een partner. Vrouwen die na jaren overleven met een onvoorspelbare man eindelijk ontzettend moedig, maar ook heel bang hun koffer durven pakken en de reis aanvatten naar gepaste hulp. Want hoe we vandaag met hen omgaan is niet oké.
Ik zal je vertellen waarom ik dit hier poneer. Maar ik wil voorzichtig zijn met het delen van details, want ik wil niemand in gevaar brengen. Daarom getuig ik ook anoniem. Hilde is niet mijn echte naam.
‘De kinderen van Annie willen enkel terug contact als ze weggaat bij haar partner.’
Annie, de vrouw wiens verhaal me in mijn pen deed kruipen, is ook een pseudoniem. Ik leerde haar een tijdje geleden kennen omdat ik hulpverlener ben van een van haar kinderen. De kinderen zijn door de jeugdrechter uit huis geplaatst. Op een dag krijgt ze van hen de boodschap dat ze enkel terug contact willen als ze weggaat bij haar partner.
Alle andere goedbedoelde boodschappen in dezelfde richting die ze doorheen de jaren van hulpverleners kreeg, gingen verloren in de mist van het overleven. Overleven zonder inkomen, in een krot in de ‘middle of nowhere’. Maar de boodschap van de kinderen blijft hangen.
Annie vertrekt
Op een winterse vrijdagnamiddag enkele maanden later rinkelt mijn telefoon: Annie. Ze vertrouwt me toe dat ze met een zware, onhandige koffer door de sneeuw op weg is naar de bushalte. Ze kiest voor de kinderen en voor zichzelf. Ze wil naar een vluchthuis, zegt ze me.
Ze heeft haar man voorgelogen dat ze vandaag naar de stad moet om iets te regelen voor de kinderen. Hij is voor enkele uren het huis uit, wat geld gaan zoeken voor eten en sigaretten. Tijd dus om die koffer te pakken en te vertrekken.
‘Deze tocht moet ze niet in haar eentje aanvatten.’
Mijn expertise ligt niet in het begeleiden van vluchtplannen. Helemaal niet. Maar ik vind het evident dat ik haar probeer te helpen. Deze tocht moet ze niet in haar eentje aanvatten. We spreken een plek af in de stad waar we elkaar zullen zien.
Uren is ze onderweg. Ze stapt zwaar beladen over van de ene bus op de andere. Wanneer ze uiteindelijk verkleumd, uitgeput, klammig in mijn auto zit, barst ze in hysterisch huilen uit.
Geen bed beschikbaar
We bellen samen naar een crisisdienst voor meerderjarigen. Heel knap dat Annie deze stap heeft gezet, zeggen ze daar, maar er is momenteel geen bed voor haar beschikbaar. Annie begint te hyperventileren. Ze kan toch niet terug? Ondertussen moet hij al gezien hebben dat haar spullen weg zijn. Het hyperventileren gaat over in jammeren. Dit was exact waarom ze vroeger deze stap niet durfde zetten. Ze was bang dat dit zou gebeuren.
Annie probeert de persoon van de crisisdienst te vertellen over het gevaar dat ze loopt. Over het criminele milieu waarin haar partner verkeert. Ze schetst details over gebeurtenissen van de voorbije jaren. Ik zal ze hier niet herhalen om haar anonimiteit te bewaren, maar geloof me, het zijn ernstige feiten.
Naar de politie?
De crisisdienst adviseert ons om naar de politie te gaan. Wanneer deze woorden vallen, zie ik letterlijk een deur in het hoofd van Annie dichtslaan. Ik vind het hallucinant dat dit hele gesprek via de telefoon plaatsvindt.
‘Als ze niet naar de politie wil gaan, zit er niets anders op dan terug naar huis te gaan, zegt de crisisdienst.’
Als ze niet naar de politie wil gaan, zit er niets anders op dan terug naar huis te gaan, zegt de crisisdienst. Misschien kan ze haar koffer bij mij achterlaten? Ze kunnen dan voor volgende week een afspraak maken om de situatie te bespreken. Annie jammert.
Ze durft niet naar de politie gaan, want haar partner heeft haar nu niets aangedaan. Ze verwacht dat als de politie hem al even mee zal nemen, ze hem snel terug zullen moeten vrijlaten. En in het andere geval zullen zijn kompanen haar wel aanpakken. Dat weet Annie zeker, zegt ze, want ze maakte het al mee. Aan de andere kant van de lijn klinkt het advies om deze piste toch te verkennen.
Nergens veilig
Maar wat men bij de crisisdienst niet lijkt te begrijpen, is dat Annie nu weet dat er geen veilige plek is voor haar vanavond. Thuis is niet veilig meer, ook niet als ze naar de politie gaat. Maar daar kan Annie de crisisdienst niet van overtuigen.
Ik zie de paniek in Annie’s gezicht en lijf. Ik probeer luidop de situatie samen te vatten: Annie kan niet naar huis en ze durft de situatie niet erger te maken door naar de politie te gaan. Welke opties zijn er nog? Is er misschien plaats in de winternoodopvang? Daar heeft de crisisdienst geen zicht op, klinkt het, dat zit bij een andere dienst. We moeten daar eens polsen. Ze geven ons het telefoonnummer.
Voor we het telefoongesprek afronden, maken we nog een afspraak voor Annie bij de crisisdienst. Over zes dagen mag ze langskomen. Er is geen garantie dat er dan wel plaats is voor haar, krijgen we nog te horen.
Naar de winternoodopvang
Vol nieuwe moed bellen we samen naar de noodopvang. Een dispatcher staat Annie vriendelijk te woord, stelt haar een paar vragen. Haar adres blijkt in een ander arrondissement te zijn, wat maakt dat Annie eigenlijk hulp moet vragen in een andere regio.
Maar omdat het vrijdagavond is en dat niet haalbaar is, mag Annie om 19u30 naar de nachtopvang komen om zich aan te melden. Ze zal daar dan een uur warm kunnen wachten en om 20u30 te weten komen of ze deze nacht kan blijven. Dat hangt af van de beschikbare bedden.
‘Het is te veel info. Ze begrijpt het niet meer.’
Na dit telefoongesprek geeft Annie aan dat het te veel info is. Ze begrijpt het niet meer. Ook heeft ze honger. Ik probeert haar gerust te stellen en leg alles geduldig nog een keer uit. Ik geef haar wat boterhammen.
Wanneer we ons klaarmaken om naar de noodopvang te vertrekken, vraagt Annie me of ik boos ben op haar. Helemaal niet, waarom? Ze voelt zich onzeker, zegt ze. En ze weet dat ik eigenlijk al lang thuis zou moeten zijn. Ik benadruk dat ik trots ben op haar. Dat ze een moedige beslissing nam. Maar ik erken dat de situatie ‘kut’ is.
Goedgemutste man
Er staat een lange wachtrij bij de noodopvang. Wanneer Annie dit ziet begint ze weer te jammeren. Zo veel mensen? Zal er een bed zijn voor haar? Een vriendelijke man van de security zegt dat we in de auto mogen wachten tot de rij wat korter is. Hij probeert ons gerust te stellen dat er wel plaats zal zijn.
Eens binnen wordt Annie door een – letterlijk en figuurlijk – goedgemutste man onthaald. Hij wijst naar de stoeltjes waar Annie mag wachten. Hij helpt haar met de zware koffer. Hij legt uit dat ze hem over ongeveer een uur zullen vertellen of er plek is. Annie huilt. De man zegt geruststellend dat het goed zal komen.
‘Mijn hart breekt dat ik haar hier moet achterlaten.’
Annie kijkt me huilend aan en vraagt met een breekbaar stemmetje of ze een knuffel krijgt. Ik laat even alle professionaliteit los en geeft haar een dikke knuffel. Mijn hart breekt dat ik haar hier moet achterlaten.
Ik ben er niet goed van
Als ik op het punt sta om te vertrekken, vraagt een collega van de goedgemutste man me of het in orde komt met de betaling. De moed zakt me in de schoenen. Betaling? Ja, want als ze een uur wacht en dan blijkt niet te kunnen betalen… De goedgemutste man komt tussen en gebaart dat ik me hier geen zorgen over moet maken. Het komt in orde. De opkomende paniek zakt.
Ik bedank de begeleiders voor de goede zorgen en verlaat de noodopvang zonder nog een blik te werpen op Annie. Deze nacht is ze veilig.
Maar eerlijk? Ik ben er niet goed van. Het gevoel van onmacht is groot. En ik ben ook boos. Het kan toch niet dat we zo omgaan met vrouwen zoals Annie? We hebben meer goedgemutste hulpverleners nodig. En minder anonieme afstandelijke hulpverleners aan de andere kant van een telefoonlijn.
Reacties [8]
Als stagiaire en dus beginnend hulpverlener ervaar ik veel frustratie. Ik vind het bijzonder moeilijk en soms onrechtvaardig dat ik iemand die hulp nodig heeft niet altijd de nodige ondersteuning kan bieden. Mijn motivatie om aan deze opleiding te beginnen was net om een hulpverlener te worden voor vrouwen die steun nodig hebben. In de praktijk bots ik echter op structurele beperkingen waardoor hulpverlening niet altijd mogelijk is.
Het is schrijnend dat we in deze tijd nog met dergelijke casussen geconfronteerd worden. Organisaties zoals CAW doen aanzienlijke inspanningen om iedereen te helpen; het gaat niet om onwil om hulp te bieden. De knelpunten situeren zich op beleidsniveau. Daar zijn structurele veranderingen noodzakelijk, en dan doel ik niet op verdere besparingen ten koste van kwetsbare doelgroepen, zoals momenteel het geval is.Beslissingen nemen vanuit een comfortabele positie is relatief eenvoudig. Het vraagt echter meer om zich daadwerkelijk te verplaatsen in de leefwereld
In de jaren 90,voor het ontstaan van de CAW’s ,was ik verantwoordelijke van een opvangcentrum voor vrouwen en hun kinderen.
Centrum dat later,omwille van opgelegde herstructurering van de sector,opging in een CAW.
Destijds,als kleine vzw met 4 personeelsleden en ontoereikende financiële middelen,was het niet makkelijk om te overleven.
Toch werden deze vrouwen opgevangen,was het niet bij ons,dan wel in een ander opvangcentrum.
Daar maakten wij een ere-zaak van.
Ik zag de sector evolueren naar meer subsidiëring,grotere gehelen,meer directieleden en middenkaders,minder opvangplaatsen ,hogere drempels en opname-protocollen.
Niet dat het vroeger allemaal beter was.Verre van.
Wel dat vrouwen en kinderen in dergelijke noodsituatie,altijd een veilige opvangplaats werden toegewezen.
Jammer,maar helaas….
De herkenbaarheid van het verhaal is erg groot. Ik denk dat er beter kan nagedacht worden over de begrippen onveiligheid – acuutheid – crisis. Deze zijn niet hetzelfde en hebben andere ondersteuning nodig en andere prioriteit en tijdsspanne waarin kan gehandeld worden. Veiligheid staat met stip op 1 en zou altijd een antwoord moeten krijgen, zonder beperking van wachtlijsten.
Ook ik werkte in een andere sector en ik heb 2 keer bijna een koppie van dit verhaal meegemaakt. Ook collegas van mij. Een vrouw die op haar sloffen op een besneeuwde novemberdag bij een collega in de bureau stond en zelfs geen jas voor haar1 jarige had kunnen nemen… straks binnen 4 u hebben we tijd voor een gesprek.
Een andere dame ook. Nee eerst politie anders mag ik u niet helpen…
Ik snap dat het caw en de crisishulp overbevraagd isnen dat selectiecriteria nodig zijn. Maar vrouwen (of mannen) die eindelijk stappen durven zetten zouden in een appart crisiscircuit moeten kunnen opgevangen worden. Want eerlijk is eerlijk. Die noodnachtopvang is ook niet alles met een peuter… schrik voor spullen die gedtolen worden. Pas laat beschikbaar (ver voorbij gezonde bedtijduren voor peuters en kleuters),…
Ik geef hilde helemaal gelijk dat het anders moet.
Gekoppeld aan de recente nieuwsberichten dat er om de twee weken een vrouw wordt vermoord door haar (ex-)partner, is het verlaten van een gewelddadige thuissituatie allesbehalve evident.
Hulpverlening zou juist die rust en structuur moeten bieden die slachtoffers nodig hebben om veilig te kunnen handelen. Maar vaak lijkt de hulp net zo chaotisch te reageren als de situatie waaruit iemand probeert te ontsnappen.
Is dat te wijten aan te weinig middelen, of zijn opleidingen en procedures niet ingericht op het omgaan met acute crisissituaties?
Hoe dan ook: van mensen in levensgevaar verwachten dat ze alles plannen, is onrealistisch en onrechtvaardig. Rust is een voorwaarde om goede keuzes te maken — en precies die rust ontbreekt wanneer vluchten een kwestie van overleven is.
Onbegrijpelijk. 35 j geleden moest er eerst nog bloed bij zijn vooraleer de politie ( rijkswacht toen ) iets deed. En dan sta je daar op straat…
Bij familie is meestal onmogelijk want daar weet hij je te vinden.
Vandaag zijn de verhalen dus niet veel anders.
Bang zijn en sterk zijn terzelfde tijd, sterke vrouwen hoor. Maar geloof me doorbijten , hulp komt soms uit onverwachte hoek en niet uit officiële instanties! Het blijft een moedige , lange weg nog.
Werd er ook maar wat meer aan de opvoeding van jongens gedaan, en hen respect en liefde aangeleerd.
Ik ken de beperkingen van de hulpverlening van binnenuit, ik ben zelf hulpverlener. We roeien met de riemen die we hebben en kunnen daardoor vaak niet anders dan mensen in de kou te laten staan.
Maar ik ken ook de andere kant van het verhaal, als vrouw die na 12 jr in een gewelddadige relatie is gevlucht. Ik prijs mezelf gelukkig zo omringd te zijn geweest door liefhebbende vrienden en kennissen bij wie mijn kinderen en ik veiligheid en zorg onder hun dak vonden.
Als slachtoffer is het zeer moeilijk om gehoord, geloofd en erkend te worden. Daarin schuilt het risico op secundaire traumatisatie. Er is een schandalig tekort aan kennis en expertise rond intra familiaal geweld en de effecten daarvan op slachtoffers.
Misbruikers, agressieve geweldplegers blijven daardoor vaak buiten schot en kunnen ook na de relatie gewoon verder doen. Post-séparation abuse is echt en ook dat wordt veel te weinig onderkend. Plegers kunnen maar blijven hun gang gaan. Intriest en schandalig tegelijk.
Ik lees de reactie van het CAW en kan hen hier in volgen. Maar nu rest me de vraag; ‘is ze nu al in het vluchthuis?’ Deze situatie mag niet bestaan!