Geen minnaar van het middenveld
In een interview met de intrigerende titel ‘Justitie is sociaal werk’ pleit Bob Van den Broeck, administrateur-generaal bij het Agentschap Justitie en Handhaving, voor het belang van een sociaalwerkperspectief binnen justitie. Al is dat een waardevolle invalshoek, dit debat verdient meer dan een snedige slogan.
‘Je kan deze topambtenaar geen gebrek aan duidelijkheid verwijten.’
Je kan deze topambtenaar geen gebrek aan duidelijkheid verwijten. Zo geeft hij onder andere te kennen geen minnaar te zijn van het middenveld: “Ik twijfel niet aan de professionaliteit van wie er werkt. Maar ik begrijp niet waarom we op het terrein van zorg en welzijn zo veel opdrachten uitbesteden aan middenveldorganisaties. Dat levert grote energielekken op.”
Dit vraagt om nuancering, vanuit het middenveld zelf.
Ontwikkeling van onze welvaartsstaat
Dat het middenveld een cruciale rol speelt binnen het welzijns- en zorglandschap in Vlaanderen staat buiten kijf. Heel wat organisaties nemen belangrijke hulp- en dienstverleningstaken op die door de overheid gefinancierd worden. Ze zijn historisch sterk verweven met, en hebben actief bijgedragen aan, de ontwikkeling van onze welvaartsstaat. Het sociaal werk dat daarbinnen is ontstaan, kenmerkt zich door nabijheid, generalistische praktijken, outreachend werken en procesgericht handelen.
Middenveldorganisaties zijn missiegedreven en beschikken doorgaans over een zekere autonomie. Ze combineren financiering van lokale, regionale, federale en Europese overheden, soms aangevuld met filantropische middelen. Die diversiteit aan inkomstenbronnen creëert de flexibiliteit die nodig is om met complexe doelgroepen te werken. Om nabij en responsief te kunnen handelen, is autonomie geen luxe, maar een kritische voorwaarde.
Kritisch ten aanzien van beleid
Belangrijk is dat middenveldorganisaties historisch een kritische rol opnemen ten aanzien van beleid. Vanuit beleidskringen wordt ‘kritisch’ soms geïnterpreteerd als ‘tegendraads’ of ‘vijandig’. In werkelijkheid vertaalt die kritische reflex zich in Vlaanderen vaak in constructieve, directe beleidsdialoog.
Uit recent onderzoek blijkt bovendien dat veel lokale beleidsverantwoordelijken het middenveld graag opzoeken om noden en knelpunten te bespreken. De vraag blijft hier dan natuurlijk of beleidsmakers die input ook concreet omzetten in daden.
Kritische praktijken zijn dus geen probleem, maar een fundament van een gezonde democratische welvaartsstaat, en daar heb je autonomie voor nodig.
Is professionaliteit overdraagbaar?
Kunnen we deze kritische professionaliteit van sociaal werkers uit middenveldorganisaties zomaar overdragen naar de overheid? Wij betwijfelen dat. Professioneel handelen ontstaat immers niet in het luchtledige, maar binnen een unieke context van leiderschap, teamcultuur, netwerken, en specifieke dynamieken binnen de supervisie en intervisie.
Daarnaast speelt organisatiecultuur een grote rol: welke waarden sturen het denken over hulp- en dienstverlening? Precies daar wringt het. De administrateur-generaal stelt dat hulp- en dienstverlening binnen justitie georganiseerd worden in het spanningsveld tussen zorg en dwang. Dat spanningsveld is inderdaad inherent aan justitie en het is goed dat de administrateur-generaal een sociaalwerkperspectief hanteert, maar middenveldpraktijken vanuit vrijwilligheid en nabijheid verliezen hun impact wanneer ze onder diezelfde logica worden geplaatst. In hun reactie op het interview met Bob Van den Broeck, illustreren medewerkers uit de hulpverlening voor mensen die strafbare feiten pleegden dat heel uitvoerig.
‘De uitdaging ligt in het ontwikkelen van samenwerking en complementariteit, met een transparant ethisch en deontologisch kompas, zonder energielekken.’
Het middenveld bouwt vaak bewust afstand in ten opzichte van logica’s van dwang en controle. Het is daarom problematisch dat praktijken ontstaan vanuit een vrijwillig, autonoom en relationeel kader in een justitieel spanningsveld worden geduwd. Ze kunnen er beter naast blijven bestaan. De uitdaging ligt dan ook niet in het integreren of opslokken van middenveldpraktijken, maar in het ontwikkelen van samenwerking en complementariteit, met een transparant ethisch en deontologisch kompas, zonder energielekken.
Energielekken?
Tot slot is er het argument van ‘energielekken’. Deze topambtenaar ziet dat zo: “Alle overheidsagentschappen zitten vol met beleidsmedewerkers die alleen als opdracht hebben om subsidiedossiers uit te wisselen met beleidsmedewerkers van middenveldorganisaties. Die documenten gaan heen en weer tot er een consensus is. En dat is dan nog maar de eerste stap in een lange bureaucratie. Nadien moet er ook een verslag gemaakt worden, moeten kosten bewezen worden. Allemaal begrijpelijk maar zeer tijdsintensief. Dat zijn allemaal mensen die we veel beter op het terrein zouden kunnen inzetten. Er is werk te veel daar, en handen te kort.”
Deze observatie is een symptoom van een bredere, zorgwekkende tendens in de overheid: de steeds sterkere dominantie van efficiëntie. Wat op papier lijkt op dubbel werk of inefficiëntie, is in de praktijk vaak precies de meerwaarde van autonoom, nabij sociaal werk. Ook in het verleden werden organisaties die werkten aan integratie van nieuwkomers opgenomen in de overheid, omdat ze binnen een strikt efficiëntiekader als overbodig werden bestempeld. Daarnaast verrichten heel wat organisaties inspanningen om vele cijfers en data te verzamelen op vraag van de overheid om zich te verantwoorden. Jammer genoeg zijn dit vaak cijfers die zelfs geen uitkomsten, laat staan impact zichtbaar maken of zelfs volstrekt onbetrouwbaar zijn voor een onderbouwde analyse.
‘Met het primaat van de politiek worden de marges voor een eigen, kritische stem kleiner.’
Daar komt bij dat de context voor overheidsorganisaties de voorbije jaren sterk veranderd is. Organisatie-integriteit wordt strenger bewaakt, maar beleidsverwachtingen zijn tegelijk politieker geworden. Met het primaat van de politiek worden de marges voor een eigen, kritische stem kleiner. Wanneer alle organisaties onder dezelfde overheidsparaplu vallen, dreigt de noodzakelijke differentiatie in perspectieven verloren te gaan. De kritische stem van het middenveld – juist geworteld in nabijheid, autonomie en maatschappelijke betrokkenheid – zou zo kunnen verstommen.
Complementair samenwerken
De echte uitdaging voor de toekomst ligt dus niet in het centraliseren of integreren van middenveldpraktijken om efficiëntiewinsten te behalen, maar in het koesteren van een ecosysteem waarin overheid en middenveld, elk vanuit hun eigen logica en integriteit, complementair samenwerken.
Als we de welvaartsstaat overeind willen houden, dan mag de overheid zich niet gedragen als het mythologische zeemonster Charybdis dat alles en iedereen opslokt. Odysseus en zijn bemanning konden niet zonder kleerscheuren ontsnappen aan het zeemonster. Om de welvaartsstaat te behoeden voor eenzelfde lot, is een genuanceerd debat over de rol, positie en vooral verantwoordelijkheid van het middenveld in een duurzame relatie met de overheid broodnodig.

Reacties [4]
Bedankt voor deze inhoudelijk heel sterk onderbouwde reactie waarbij de functies en rollen en randvoorwaarden t.a.v. het middenveld in zijn relatie tot de overheid worden geanalyseerd. Het is belangrijk dit te doen in een debat waar dit ontbreekt en het middenveld regelmatig geframed wordt als subsidieslurper, inefficiënt, zuilrelict, ongeschikt, tegenstrijdig met het algemeen belang.
Een degelijk en genuanceerd antwoord op het standpunt van een ‘overheids-ambtenaar’. Een ‘verstaatsing’ van zorg en welzijns-begeleding zou heel die hulpverlening juist sterker overladen met de ‘sanctionerende’ houding, die ook wel noodzakelijk is, maar niet mag verstrengeld worden met dienstbaarheid en ondersteuning. Het argument dat veel ‘personeelsuren’ zouden verloren gaan in de administratieve verantwoording en argumentering van de geboden dienstverlening is ook een ‘goedkoop excuus’. Elke organisatie die zichzelf respecteerd en kritisch is ten aanzien van de eigen werking, zal als vanzelfsprekend dezelfde analyses en becijferingen maken in het belang van de dienstverlening. Tot slot: organisaties groeien door intense dialoog met derden, die hen kritisch kunnen bevragen, maar ook omgekeerd, nl. dat de organsatie ‘externe’ stakeholders’ kan bevragen omtrent hun rol en bijdragen tot de verbetering van de situatie en het welzijn van hun clienten. Koester die kritische dialoog.
De afgelopen decennia is het eigenlijk vooral zo dat het middenveld de overheid op een bepaalde manier heeft opgeslokt. Door allerlei politieke en ideologische verstrengelingen, wederzijdse hand-en-spandiensten en een ongezond ons-kent-ons-sfeertje.
Dit is nu zo’n duidelijk voorbeeld van framing van het middenveld zonder onderbouwing. Hierbij wordt gemakshalve het participatie- en overlegmodel – in welk politiek systeem hoeft dit niet/bestaat dit niet – weggeframed.