Opinie

Waar is de verbeeldingskracht van sociaal werk gebleven?

Seppe Vanhex

Seppe Vanhex (44) draait al een tijd mee in sociaal werk. Als projectcoördinator maatschappelijke innovatie (SAAMO Limburg) ziet hij hoe sociaal werkers zich uit de naad werken om alarmerende cijfers onder controle te krijgen, wachtlijsten in te korten of ‘achterblijvers’ weer op het goede pad te krijgen. Maar door al dat beheren en beheersen, rest nog weinig ruimte om te sleutelen aan echte maatschappelijke oplossingen: “We moeten samen opnieuw leren nadenken over hoe de samenleving er anders uit kan zien.”

politisering

© Unsplash / Possessed Photography

World Social Work Day

Op 17 maart 2026 vierden we opnieuw World Social Work Day. Een dag waarop we sociaal werkers bedanken voor hun inzet en engagement. Maar wie vandaag in zorg en welzijn werkt, voelt dat die erkenning ook een wrange ondertoon heeft. Terwijl we sociaal werkers vieren, zien we hoe sociaal beleid steeds meer vermarkt, gefragmenteerd en geïnstrumentaliseerd wordt. Tegelijk nemen de maatschappelijke problemen in onze samenleving in snel tempo toe en worden ze complexer.

‘We trekken ons steeds vaker op aan kleine successen en verhalen.’

Een voorbeeld uit mijn werkterrein, SAAMO Limburg: Hasselt telde vorig jaar 328 dak- en thuislozen, ruim vijftig meer dan het jaar ervoor. Voor mijn collega-sociaal werkers die met deze mensen werken, voelt het vaak alsof ze dweilen met de kraan open. Jaar na jaar stijgt het aantal mensen dat hulp nodig heeft, terwijl de middelen van het sociaal opvangsysteem dit tempo al lang niet meer volgen.

Tijd om na te denken

Toch blijven ze dapper doorgaan en trekken ze zich steeds vaker op aan kleine successen en verhalen. Ik bewonder mijn collega’s daarvoor. Maar tegelijk merk ik hoe moeilijk het wordt om los te komen van die dagelijkse realiteit. Tijd nemen om na te denken over echte maatschappelijke oplossingen lijkt dan ook steeds moeilijker.

En dan stel ik mezelf de vraag: waar is de verbeeldingskracht van het sociaal werk gebleven? En misschien nog belangrijker: hoe kunnen we die opnieuw aanscherpen?

Terug in de tijd

Als zoon van twee sociaal-cultureel werkers, gevormd in de woelige protestjaren rond mei ’68, groeide ik op met verhalen over collectiviteit, emancipatie en maatschappelijke strijd. Toch koos ik begin jaren 2000 voor sociaal werk zonder uitgesproken politiek bewustzijn. Ik wilde vooral mensen helpen. Dat ‘helpen’ leek toen voldoende als motivatie.

Mijn generatie groeide op in een periode waarin het leek alsof de grote ideologische strijd achter ons lag. De politieke strijd tegen onderdrukking leek gestreden, de liberale democratie had gewonnen. In die context werd sociaal werk steeds meer een professioneel, institutioneel en technisch beroep. Dat was op zich een belangrijke verworvenheid. Maar tegelijk maakte die professionalisering ons minder alert voor de sluipende neoliberale hertekening van het sociale landschap.

Niet-pluisgevoel

In de twintig jaar die volgden, werkte ik in onderwijs, zorg en welzijn. Van buitenaf lijkt dat misschien jobhoppen. In werkelijkheid botste ik telkens opnieuw op dezelfde grenzen: voortdurende reorganisaties, managementlogica’s die de inhoud verdringen en een geleidelijke commercialisering van de hulpverlening.

Wat ik aanvankelijk zag als persoonlijke twijfel – doe ik het wel goed? – herken ik vandaag als iets anders: een niet-pluisgevoel. Een moreel ongemak dat minder over mijn eigen functioneren gaat en meer over de richting waarin het sociaal werk evolueert.

Opnieuw gehoord worden

De coronaperiode verscherpte dat gevoel. Ongelijkheid werd zichtbaarder. Kwetsbaarheid werd steeds vaker beleidsmatig beheerd in plaats van maatschappelijk begrepen. Tegelijk gingen veel mensen uit de mei ’68-generatie met pensioen, zo ook mijn vader. Die afstand deed hen aanvankelijk kritischer kijken naar de instituties en instellingen waarin ze zelf werkten. En eerlijk? Ik vond dat soms lastig. Het klonk als nostalgie, als gemopper van een generatie die haar tijd had gehad. Maar door verder in gesprek te gaan, ontdekte ik stilaan iets anders.

‘Achter die verhalen zit niet alleen heimwee naar vroeger, maar vooral bezorgdheid over de toekomst.’

Achter die verhalen zit niet alleen heimwee naar vroeger, maar vooral bezorgdheid over de toekomst. En tegelijk hoop. Hoop dat nieuwe generaties sociaal werkers het sociaal werk opnieuw zullen verbinden met haar maatschappelijke opdracht.

Ik begon ook anders te luisteren. Niet naar de anekdotes, maar naar de waarden eronder: collectiviteit, solidariteit, politisering en maatschappelijke geletterdheid. Precies die elementen die vandaag zo vaak onder druk staan.

Bron van inspiratie

In mijn zoektocht sprak ik ook met pioniers van initiatieven zoals Wereldscholen, het sociaal-educatieve project dat eind jaren zestig werd opgestart door de Limburgse priester en sociaal denker Jef Ulburghs. Wereldscholen waren vormingsplekken voor arbeiders, jongeren en geëngageerde burgers. Het doel was niet alleen kennisoverdracht, maar ook bewustwording en actie. Mensen leerden maatschappelijke structuren begrijpen en werden aangemoedigd om zich collectief te organiseren. Vorming en beweging gingen er hand in hand.

‘Gelukkig merk ik dat ik niet alleen ben met dat niet-pluisgevoel.’

Die beweging verdween echter begin jaren tachtig, maar haar invloed bleef in Limburg voelbaar. Veel betrokkenen startten later nieuwe sociale projecten waarin dat DNA van sociale verandering nog steeds zichtbaar aanwezig is. Voor mij zijn Wereldscholen geen nostalgisch verhaal. Ze herinneren ons eraan dat sociaal werk ooit veel sterker verbonden was met maatschappelijke beweging.

Van niet-pluisgevoel naar beweging?

Vandaag staan veel sociaal werkers op een kruispunt. We zijn ons meer bewust van de complexiteit van maatschappelijke problemen en van de instrumentalisering van ons werk. Tegelijk maken we zelf deel uit van dat systeem.

Gelukkig merk ik dat ik niet alleen ben met dat niet-pluisgevoel. Steeds vaker hoor ik collega’s binnen en buiten mijn organisatie zich vragen stellen over de werkdruk, over de zin en over de politieke dimensie van ons beroep. Vaak komen die vragen voorzichtig naar boven, vermomd als persoonlijke twijfel. Maar onder die twijfel schuilt meestal iets anders: verontwaardiging, betrokkenheid. Ze zijn bezorgd over de richting die onze samenleving uitgaat. Misschien liggen daar wel de kiemen van een nieuwe sociale beweging: het collectiveren van dat niet-pluisgevoel. Individueel ongemak vertalen naar een gedeelde analyse.

Terugkeer van verbeelding

Maar dat alleen zal niet voldoende zijn. De verbeelding waarover in de jaren zestig werd gesproken, was geen romantische fantasie. Het was een politieke kracht: het vermogen om zich een andere samenleving voor te stellen en daar samen naartoe te werken.

‘Misschien is dat precies wat vandaag ontbreekt. Niet engagement. Niet expertise. Maar verbeelding.’

Misschien is dat precies wat vandaag ontbreekt. Niet engagement. Niet expertise. Maar verbeelding. Want wanneer sociaal werk zich uitsluitend laat leiden door beheerlogica’s, verliest het zijn kritische kracht. Dan blijft dienstverlening over, zonder beweging. Dan beheren we problemen die eigenlijk structureel worden geproduceerd.

De vraag is niet of elke sociaal werker activist moet worden. De vraag is wat er kan ontstaan wanneer sociaal werkers opnieuw de ruimte krijgen om zich een andere samenleving voor te stellen en daar samen met anderen naartoe te werken.

Terug naar SAAMO

Binnen SAAMO Limburg zijn we ons ervan bewust dat we hierin een belangrijke maatschappelijke rol kunnen en moeten spelen. De komende jaren willen we daarom bewust ruimte maken zodat collega’s af en toe kunnen loskomen van de dagelijkse praktijk en even kunnen uitzoomen. Dat betekent: gesprekken voeren die verder gaan dan casusbesprekingen. Gesprekken die gericht zijn op maatschappelijke analyse én experiment.

Als in Hasselt de teller van het aantal dak- en thuislozen vandaag op 328 staat, dan kunnen sociaal werkers allerlei relevante vragen stellen. Waar komt dit cijfer vandaan? Hoe kunnen we het op een efficiënte en doordachte manier doen dalen? En hoe bereiken we de mensen die vandaag nog onder de radar blijven? Dit zijn vragen die vertrekken vanuit de nood aan overzicht en controle, en die onmisbaar zijn in het dagelijkse werk.

Tegelijk schuilt er een risico wanneer dit perspectief de bovenhand krijgt. Als de focus vooral ligt op beheren en beheersen, dreigt de blik te vernauwen tot wat meetbaar en stuurbaar is. De cijfers worden dan het vertrekpunt én het einddoel, waardoor er minder ruimte overblijft om stil te staan bij wat zich achter die cijfers afspeelt.

Daarom is het belangrijk om ook een andere, meer fundamentele vraag centraal te durven stellen: wat loopt er mis in onze stad en samenleving dat zoveel mensen in zulke kwetsbare en precaire omstandigheden terechtkomen? Die vraag verschuift de aandacht van symptoombestrijding naar onderliggende oorzaken, en opent de deur naar diepgaandere vormen van verandering.

Plekken waar verbeelding kan bloeien

De komende jaren willen we op zoek gaan naar drempels en mechanismen die ervoor zorgen dat nog zoveel mensen buiten beeld blijven. En we willen vooral in beeld brengen wat dat zegt over de manier waarop we onze samenleving organiseren.

‘Die zoektocht willen we niet langer alleen op ons eigen eiland voeren.’

Die zoektocht willen we niet langer alleen op ons eigen eiland voeren. Daarom nodigen we bewust anderen uit om mee te denken en te reflecteren: sociaal werkers van andere organisaties, ambtenaren, burgers, jongeren, vrijwilligers… Mensen die elk vanuit hun eigen ervaring naar dezelfde werkelijkheid kijken en een puzzelstukje bijdragen aan een gedeelde analyse. Zo ontstaan nieuwe plekken waar verbeelding kan bloeien, binnen én buiten SAAMO Limburg.

Misschien ligt daar wel de echte opdracht van sociaal werk vandaag: niet alleen mensen opvangen in de gevolgen van maatschappelijke problemen, maar samen opnieuw leren nadenken over hoe die samenleving er anders uit moet zien.

Reacties [1]

  • Lieve Polfliet

    Sterk hoe jij ’taal’ geeft aan wat er dag na dag door mijn gedachten gaat! En bij de start van de laatste alinea: niet Misschien maar Daar; ik ben er van overtuigd.

We zijn benieuwd naar je mening!
Blijf hoffelijk, constructief en respectvol

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.